zó zien we

zó zien we het kind haarscherp afgetekend
balancerend, de armen open,
doelgericht de ene voet voor de andere
het kind dat zingt, telt, rent, woest brult en stampvoet
zich ‘s avonds in onze armen nestelt
de eeuwige kikkermuts (met naam en persoonlijkheid) op

dat zich dankbaar wikkelt in elke zweem van fantasie op haar weg 
die aantrekt als een tweede huid
en moeiteloos verweeft met haar werkelijkheid 
het kind dat wipt, wiebelt, klimt, bouwt
nooit of te nimmer een milliseconde stilzit
dat zelf kleren kiest die zo min mogelijk matchen 
liefst enkele maten te groot of te klein

dat de wereld: wat goed en fout, recht en onrecht is,
ziet in eenvoudig zwart en wit
en voor wie grijstinten nog niet zichtbaar zijn
haar bed vol levende knuffels
haar wereld vol monsters
die bestreden worden met haar zelfgemaakte zwaard, 
in een Narniaans universum met draken, centaurs en haar broer aan haar zijde

zó zien we ook de tiener soms
nog vaag, onduidelijk, in mist gehuld
maar soms duikt ze even op
horen we haar ergens diep vanbinnen grommen
als ze ‘s morgens met donkere blik beneden komt 
niet aanspreekbaar blijkt

als ze zich geneert bij het afscheid
als ze haar schouders naar achteren trekt 
licht heupwiegend door het huis wandelt
als ze met haar ogen rolt
en mijn pogingen tot een aai of knuffel steeds behendiger weet te ontwijken 

als ze de tiener zelf opmerkt 
somber zegt dat ze het eigenlijk niet wil: groter worden

zo zien we haar balanceren
op het slappe koord tussen twee werelden
dansen, wiebelen, schipperen tussen kind en tiener

als ze valt
rapen we het kind op
we troosten, verzorgen en wiegen 

met de tiener zullen we wachten 
tot ‘s avonds
als iedereen weg is 
het buiten donker is en niemand nog kijkt
haar weerstand verdwijnt
en dan doen we hetzelfde 

en het antwoord is zacht

zacht zijn
van verlangen van
verbinden
van verlies zonder bitter
winnen zonder waan

zacht van omarmen
van compassie
verlangen zonder schaarste
zacht van genoeg van overvloed
van genezen van
vurig wensen
van strijden
voor mensen
die zinken door lijden

zacht zijn
van raken van
aanraken van
gestreeld gekrabd geroerd
zacht van zien en gezien
van mildheid en hoop

zacht van deuren opendoen
van stappen klimmen springen
van groeien zonder ver-
zacht van zuchten
van verlichting van genot van tevreden
zacht van
lippen op blozende wangen
van wiegen gedragen omgeven

zacht zijn
van raadsels als
wat is krachtiger dan hard?
het antwoord is: zacht
en het antwoord is zacht

Geitenwollen hoop

Ze zijn net in België en zitten nu zo’n 3 weken in de schoolbanken. Ze wisten de eerste les niet hoe je de ringetjes van een kaft opent of hoe een perforator werkt, maar kunnen nu al vertellen wat hun naam is, uit welk land ze komen, waar ze wonen, welke taal ze spreken, of ze getrouwd zijn, hoe het gaat, ze kunnen tellen tot 20 en kennen de dagen van de week. 

Het was de laatste les voor de Kerstvakantie en ik wilde hen zo graag vertellen wat ik wens voor het nieuwe jaar. 

Want ik wens dat ze zich welkom voelen hier. Dat ze behandeld worden zoals wij behandeld worden en niet als tweederangsburgers of als parasieten. Ik wens openheid. Nieuwsgierigheid. Groei. Ik wens een warme plek om thuis te komen en dat bedoel ik heel letterlijk. Waar de verwarming werkt. Zonder vocht- of schimmelproblemen. Met genoeg plaats voor alle familieleden. In de buurt van een park zodat de kinderen soms buiten kunnen spelen. Ik wens hen hoop. Hoop op een beter leven. Ik wens ruimte voor hun trauma en de juiste begeleiding. Ik wens kansen. Ik wens hen plekken waar ze kunnen bijleren en groeien, waar iemand in hen gelooft en hun capaciteiten ziet. Ik wens hen ruimte en begrip voor rouw. Ik wens dat het goed mag gaan in hun thuisland. Ik wens vertrouwen, zachtheid en openheid. Ik wens dat ze weten en ondervinden dat ze net zoveel recht hebben op al het geluk dat wij zomaar in onze schoot geworpen kregen. 

Het is een naïeve wens, ik weet het. Hun leven was al erg moeilijk en wordt er niet gemakkelijker op nu ze hier wonen. Politieke keuzes laten hen vaak voelen dat ze niet welkom zijn, dat ze wél tweederangsburgers zijn, dat hun kinderen minder waard zijn dan die van ons, dat hun trauma’s onbelangrijk zijn en warme plekken een overbodige luxe (toch voor hen). Hun onzekere, kwetsbare situaties zijn een droom voor huisjesmelkers, dus wonen ze vaak in vochtige, slecht geïsoleerde, veel te kleine appartementen, de enige plaatsen waar ze “welkom” zijn met hun hele gezin. Ze voelen zo vaak dat geluk voor hen niet is weggelegd. Dat ze geen capaciteiten hebben die hier van belang zijn, niets kunnen bijdragen en alleen maar een last zijn. Hoe vaak worden ze niet afgewimpeld, wordt er agressief, kleinerend, geërgerd, belerend, uit de hoogte of verveeld tegen hen gesproken. En wat doet dat met een mens?

Maar toch zie ik zoveel dankbaarheid. Ik zie hen genieten van elk nieuw woord dat ze leren, alsof ik cadeautjes uitdeel. Ik zie hoe hard ze werken, hoe ze groeien, hoe sterk ze zijn. Ik zie zoveel moed. 

En dus durf ik hen toch gewoon voluit wensen:
Vertrouwen. Warmte. Groei. Open armen. Goed omringd zijn. Geloof. Hoop. 

Het klinkt wollig en wereldvreemd misschien, maar wat wens je je kinderen, je familie, je ouders? Is dat niet hoe elke mens kan floreren, groeien, de beste versie van zichzelf zijn?

Is dat niet wat deze stad, dit land, deze wereld nodig heeft? Dat iedereen de beste versie van zichzelf kan zijn?

Dus dat wilde ik Ammar, Dalal, Molar, Malalai, Samuel, Femi, Hamida, Somayeh, Sayed Faqir, Ella, Ola, Habibullah, Shakila, Fahd en Mimount gisteren wensen. Maar daarvoor is er nu nog niet genoeg taal. Dus ik schreef ik “vrolijk kerstfeest” en “gelukkig nieuwjaar” op het bord, liet hen een kerstkaartje naar elkaar schrijven en gaf een onnozel kaarsje mee, vermomd als rendier met een rood LED-lichtje in de neus.

Een lichtje voor deze twee weken die voor hen vaak eerder donker en moeilijk zijn dan prettige, warme feestdagen. En ik hoop dat ze daarin iets voelden van mijn warme wensen en de hoop dat ze genoeg kansen krijgen hier om te floreren. En dat ik weiger cynisch te worden. Leve hoop! De volgende keer krijgen ze geitenwollen sokken.

ik ben soms zo dankbaar, ik ben soms zo bang

Vier september, de stilte hangt weldadig in de keuken. Ik drink koffie, zie hoe in de tuin de vroege ochtend zich presenteert, zich niet bewust van haar toeschouwer. De ramen van de serre zijn beslagen, mezen, vinken, putters bij de rozenbottelstruik. De dag die al wat licht (het mooiste) vooruit heeft gestuurd. Als een aankondiging. Ik zie de vroege ochtend. Anders dan de voorbije weken, toen we rond dit uur nog sliepen en die vroege ochtenden skipten. Bloot en opgekruld, de plakkerige lakens ergens in de nacht van ons afgeworpen. Tijdens die zomermaanden de dag wat vooruit geduwd, opgeschoven, waardoor de ochtend moest beginnen zonder toeschouwers en er ‘s avonds laat nog kindervoeten de trappen op en af renden.

Ik open een nieuwssite, het is sterker dan mezelf. Ik schrik, word triest, boos, bang zoals steeds. Dit leven, deze overvloed, dit geluk: zo fragiel. Ik wil niet verder lezen. Niet afdalen, niet de duisternis in die als een donkere wolk deze frisse septemberochtend bedreigt. Liever wil ik uit het raam kijken nu. De ochtend beleven. Over een half uur zal ik boven een wekker horen afgaan. Een rolluik dat wordt opgetrokken, gestommel in de badkamer. Het zoontje zal aangekleed en fris beneden komen. Zich meteen op mijn schoot nestelen. Alsof hij me gemist heeft, de hele nacht. Misschien vertelt hij een droom. De dochter zal nog even blijven worstelen met de slaap tot we nog eens en nog eens roepen. Een gefrustreerde brul zal door het huis klinken. Ze zal met ongekamde haren en een donkere blik de keuken binnenstampen. Het zal niet lang duren. Als wij onze mond houden op het juiste moment en haar herinneren aan iets leuks later vandaag, zal ze opklaren. De man zal meteen druk in de weer zijn. Koffie zetten, in de koelkast rommelen, boterhammen smeren. En ik zal me een beetje schuldig voelen dat ik hier al zolang zit. Dat ik dat eigenlijk al had kunnen doen. Maar dan mijn zoon zijn lijfje tegen me aangedrukt voelen en blij zijn dat ik hier zat, dat mijn schoot het eerste was dat hij zag. 

Maar het is nu nog stil. Ik ben nog alleen en kijk uit het raam. De vroege ochtend presenteert zich, doet zo z’n best en het is intiem en zacht en ik zou me diep gelukkig kunnen voelen maar krijg de duisternis niet goed weggeduwd. De ochtend, de rust, dit leven: zo fragiel. Zo dankbaar ben ik opeens dat straks die wekker gaat. Zo verlangend naar de stilte die zal oplossen. De duisternis die zal wegtrekken. Verlangend naar de liefde die, samen met verwarde haren, rammelende borden, dromen die opgedist worden, plannen die gemaakt worden, onze keuken zal binnenrollen en opstuiven en rond dwarrelen als een stofwolk. Opeens voelt de keukentafel zo leeg. Jeuken mijn armen van leegte, ben ik één en al ongeduld. Zo graag wil ik nu vasthouden wat ik heb. Hen ruiken, horen, voelen. Mezelf ervan verzekeren dat ze er nog zijn. Dat geen enkele psychopaat met macht hen van me zal wegscheuren. Deze vrede, deze rust, dit geluk aan diggelen zal slaan. Ik ben soms zo dankbaar, ik ben soms zo bang.

De wekker gaat af. Ik ben soms zo dankbaar, ik ben soms zo bang. 

viskom

ik zie op het scherm hoe hij 
met bolle wangen 
kaarsjes uitblaast
lipjes, een neus en een blik
zo aandoenlijk
van een kind duidelijk 
twee jaar jonger nog
dan de jongen hier nu
op mijn schoot 

nu ligt hij
hangt hij 
in mijn heupen
als een vis
wat gevouwen 
in een plots te krappe viskom
het stoort hem niet 
zijn hand aait verstrooid mijn wang

ik trok gisteren twee tanden 
vlak na elkaar 
de tweede stuiterde zijn mond uit 
hij lachte (nadat hij huilde) 
en die twee plotse zwarte gaten 
slokten alle laatste restjes kleuter op

hij hangt languit nu
ledematen alle kanten op
ik de te krappe viskom
maar zijn hand aait verstrooid mijn wang 
en het stoort niet 

welkom in de lente

Welkom in de lente, zegt de yogaleraar. Een vrouw zit al op haar matje, de voor- en achterkant blijft opgekruld. Er is net genoeg plek voor haar, pal in het midden. Het deert haar niet. Het is een prachtig zicht: de mat fel roze, zij, een rijzige, blonde vrouw, de ogen gesloten, sereen. Ze ziet eruit alsof ze elk moment zal opstijgen op haar vliegend tapijt. 

Even later staan we allemaal te springen. Hier in die sporthal, verlicht door 16 TL-lampen (ik heb ze geteld toen ik in het hier en nu moest zijn), staan opeens 23 volwassen lichamen te springen. Zo gaat het elke week en het is mijn lievelingsmoment. De oude, lange man met knokige beenderen, de vrouw van de roze mat die toch niet opgestegen is, de man met de norse blik en rode muts, de twee vriendinnen, het oudere koppel, de vrouw met de mooie, grijze krullen, de jonge, schuchtere man steeds volledig in het zwart gekleed, de dame die straks bij elke asana luid zal zuchten en kreunen, al die lichamen stuiteren nu in het rond. Haren vliegen alle kanten op, grote, stevige of slappe, rimpelige borsten veren op en neer, armen slingeren langs schokkende lichamen, navels dansen in de losse huid van trillende buiken, voetzolen landen en schieten weer de lucht in. Het heeft iets aandoenlijks, iets ontroerends en iets diep verbindends. Opeens zie ik het, al die mensen die al springend steeds meer loskomen van hun twijfels, pijn, hun volhouden, verdriet, succes, hun woeste verlangens, vreugde, falen, hun gemis, hoop, hunkeren, hun verlies, spijt, vertrouwen, rust, hun groei, wanhoop, onstuimigheid, machteloosheid, hun eenzaamheid, zoeken, hun intense tevredenheid ook, steeds wilder, steeds kinderlijker, op dat matje, onder dat TL-licht. Ik wil naar hen toe stuiteren, roepen, oh jij ook? Ik ook! En hen dan al springend omhelzen. Ik wil samen de sporthal uit rennen. Ik wil met hen zwemmen in een ijskoud meertje. Ik wil in hun armen huilen en samen de slappe lach hebben. Ik wil onder een deken naar de sterren staren. Ik wil pizza’s beleggen en met veel te volle magen op de trampoline. Ik wil een berg afrennen. Heel hoog schommelen en dan springen. Ik wil met onze fietsen door de wijk racen. Ik wil kikkervisjes vangen. Ik wil met hen languit in het gras liggen en dan alleen maar onze ademhaling horen vertragen en die bedwelmende geur van gras ruiken. Ik wil dat kind zijn dat lag te slapen ergens in de buurt van mijn hart en wakker werd door het springen. Ze telt af naar een eindeloze zomer. 

Maar het is pas lente, we houden op met springen en een 37-jarige vrouw met twee dikke, verticale rimpels tussen haar wenkbrauwen als ze fronst, bij haar ogen fijne lijntjes als ze lacht en grijze haren die stevig in opmars zijn, landt weer in mijn lichaam, voorzichtig, ze wil me niet bruuskeren. En met haar, landen ook de twijfels, het falen, de verlangens, het gemis, de groei en hoop, het zoeken. Ze nestelen zich in alle hoekjes van mijn lijf en ik vind het niet erg, plaats genoeg. Het kind en de geur van gras leg ik weer te slapen. Voel nog even na, zegt de yogaleraar. En dat doe ik, een laatste blik op het alweer indommelende kind. De blonde vrouw knipoogt vanop haar vliegend tapijt en ik meen wat sprietjes gras in haar haren te zien.

zondvloed

in de zetel steunend tegen wat kussens en je raakt diep ontroerd door de zuivere, tere stem van Jakub Józef Orliński en je las ergens dat hij ook een breakdancer is, je ogen branden maar je leest verder en op pagina 166 schrijft Hertmans over een zwarte ibis: ‘Misschien dacht ik, is het geheim stomweg dit: volhouden, ook al lijkt er geen enkele reden toe, jij daar met je vleugels open en je ogen dicht tegen de zondvloed die over je heen komt’, je houdt even je adem in maar er komt geen zondvloed de kamer binnen, enkel een dochter in streepjespyjama met haar kattenmuts op, ze kan niet slapen en nestelt zich op jou, warm en tevreden (haar muts spint haast), jullie luisteren nu samen naar Orliński en ze vraagt: was dat nu een zanggeeuw nadat je geeuwend probeerde mee te zingen en dat was het exact zeg je, een zanggeeuw, en je kust haar op haar neus waar heel voorzichtig de eerste zomersproeten zijn verschenen en nu moet ze weer naar bed zeg je na een tijdje en jij even later opnieuw alleen in de zetel (je mist haar warme lijf al), je ogen dicht, wachtend op een zondvloed die soms zo dichtbij voelt of enkel op de slaap waar Orliński je zacht maar gedecideerd heen leidt

en waar is mijn boekentas

ik zeg een appel of een banaan, 
je moet nu beslissen, we zijn al laat
de kat zit in de bloempot
ik schrijf iemand: ik ben een rommeltje
mijn lege tas koffie in de zetel
weet zich geen houding 
beduusd tegen een kussen geleund
triest en wat verloren 
ik laat hem de hele ochtend staan
toen ik afrekende zei hij zesenveertig euro en 
of het lekker was en dat het plezant had geleken
ik vind jou leuk mama zegt hij 
nadat ik zuchtend heb gevraagd of er iemand zou bestaan
die nóg trager zijn kousen aantrekt
we komen te laat en ik jou ook
hij ruikt naar modder

ik vroeg gisteren 
kan ik iets doen
ik wreef zacht over zijn rug
ik kon niets doen
een appel zeggen ze
we willen een appel
ze zei
je mag verscheurd zijn
en toen nog eens
je mag verscheurd zijn
en hij dat hij een eekhoorntje had gezien
dat het vast heel zacht was
de koffie is opgedroogd aan de rand 
ik zet de tas in de pompbak
die opgelucht weer een tas mag zijn 
in plaats van één of andere belachelijke metafoor 
ik vraag
hoe leg je zoiets uit
als je het zelf niet snapt
en dat ik vreselijk droomde
iemand schrijft
geef je angsten maar een knuffel

onder de douche zeg ik
– ik ben gevoelig, zacht en mooi
– ik maak fouten, ik stel teleur, ik ben mens
– vandaag is rood de kleur van jouw lippen
ik zit er al de hele week mee in mijn hoofd
hij huilde want hij was buiten op blote voeten
en de voordeur viel dicht
ze schaamde zich
ze had gezegd:
oh ja díe pop
die stomme pop
ik wist niet dat ik die nog had
en nu wiegde ze hem en zei dat het haar zo speet
ik schrijf
IK KAN NIET DOSEREN
de poes staart naar de vogels
miauwt zacht
en ik denk wat is missen
wat is hunkeren of koesteren
en wat vinden de staartmezen daarvan

in de duinen
rende ik af en toe omhoog
ik kon plots niet verdragen
niet te weten hoe mooi het daarachter
of ik weer zou huilen
het was telkens nog mooier en ik lachte dan hardop
(en niemand hoorde het)
(niemand)
(en dat was het beste gevoel)
ik schrijf dat ik harder mijn best ga doen
en het spijt me dat het zo onveilig voelt
het spijt me zo
ik heb de fluostift klaar gelegd voor vanavond want dat schept duidelijkheid
nee doe toch maar een banaan zegt ze
en waar is mijn boekentas

Miracel

Als een raket werd jij 9 jaar geleden in ons leven geschoten. Met een onwaarschijnlijke kracht en met oorverdovend veel lawaai. Wij werden compleet omver geblazen, dat ook. Niet voorbereid hierop. Verbaasd, ontroerd, verbluft door jouw zijn. Een beetje wankel maar ook tot over onze oren verliefd. Op zoveel kracht. Zo’n duidelijke wil. Zoveel onuitputtelijke energie. Zoveel onrust ook. En sinds 9 december 2015 zo aanwezig dat we geen enkel moment zouden kunnen vergeten dat jij er bent. Als jij in de kamer bent, is er niemand die dat niet geweten heeft.

Zoveel kracht en tegelijk zoveel kwetsbaarheid. Zoveel gevoel. Zo scherp, zo open. Alles komt bij je binnen, zonder filter. Alles zie en hoor je, je kan niet anders, alles moet verwerkt worden, geanalyseerd, je moet je ertoe kunnen verhouden, je wil het begrijpen, controleren. Alles is veel. Alles is vermoeiend soms. 

Wat een rollercoaster was en ben jij nog steeds. Soms schiet je de hoogte in. Als jij blij bent, is elke cel, elke vezel in je lijf blij. Dan stuiter je het huis rond en mogen wij allemaal meesurfen op die golf van vreugde. Soms duik je de diepte in. Als je boos bent bijvoorbeeld, dan dondert en bliksemt het hier binnen. Als je verdriet voelt of bang bent, voelen zelfs de keukenstoelen hier met je mee. Als je iets wil of net niet, kan daar geen enkele twijfel over bestaan. Dan word je dwingend, eisend, onbuigzaam. Tot je bent uitgeraasd en we nadien samen de juiste woorden zoeken. Het is verbijsterend hoe goed je dan begrijpt wat er gebeurde. Hoe scherp je inzicht. Hoe goed je woorden kan geven aan die complexe wirwar aan gevoelens en gedachten. 

Zo veel liefde heb jij in jou, ook dat is véél en intens en hartstochtelijk. Liefde voor ons, voor je familie, je vrienden. Je geniet zo van samen zijn, van spelletjes spelen, van verbinden, van knuffelen. Jij die als kleuter geknuffel vooral als beklemmend ervoer en je zo snel mogelijk uit de voeten maakte als iemand toch een poging waagde. Intussen vind je niets heerlijkers dan je in de armen te nestelen van wie je liefhebt. Ik kan er zo van genieten om te zien hoe jij ook je vrienden of je nichtjes zo gemakkelijk, zo behaaglijk en vertrouwd, even vastpakt. Dat geknuffel is uiteraard steeds van korte duur, er is intussen alweer zoveel aan het gebeuren dat je niet zou willen missen. 

En dan zijn er nog dieren. Je verdriet was groot toen onze kippen werden doodgebeten. Na al die uren die je had doorgebracht in het kippenhok. Al die gesprekken met je lievelingskip, Hartediefje, op schoot. Al jaren smeek je om een écht huisdier, dus verrasten we je voor je negende verjaardag met Flora en Fientje. Moeder en dochter, 2 katjes uit het asiel. Gestuiter door het huis alom natuurlijk, jij én de katjes. Jullie zijn aan elkaar gewaagd qua energie en speelsheid. Maar je eeuwige onrust verdwijnt als Fientje op je schoot luid spinnend in slaap valt. Je hoeft dan even níet alles te doen, alles te weten, alles te begrijpen, alles te zien. Enkel dat beestje aaien, steeds opnieuw, zodat ze zich veilig en geliefd voelt. 

Ik heb al zoveel van je, door je, met je geleerd. Je bent soms een spiegel. Je zoektocht en je twijfels zijn soms contronterend herkenbaar. En dus zoeken we samen. Groeien we samen.

Want als ik je ‘s avonds in bed vertel dat je geen controle hebt over wat anderen over je denken. Enkel over hoe je over jezelf denkt, hoe je tegen jezelf spreekt. Dat je er voor kan kiezen je eigen beste vriend te zijn. Steunend, supporterend, begripvol en zacht. Dan spreek ik ook tegen mezelf. 

Als ik mee met je zoek naar hoe je die boosheid, die onzekerheid, die angst er kan laten zijn zonder dat ze jou controleren. Dat ze er mogen zijn, je ze mag zien, maar je kan kiezen je aandacht te verplaatsen. Naar wat fijn voelt, waar je van genoten hebt, wat wél goed gaat, waar je dankbaar voor bent, waar je naar uitkijkt, hoe je gegroeid bent. Dat wat je aandacht geeft, groeit. Dan heb ik het ook tegen mezelf. 

Als ik je vertel over fouten maken. Dat dat mag, moet zelfs, om te groeien, te leren. En dat dat vreselijk eng is. Dat er geen juiste of foute keuze is. Dat je enkel leert door te proberen, het proces aan te gaan. Als ik je vertel over vallen en opstaan. Over de leerkuil. Dat je gewoon moet beginnen, ook al zie je enkel die eerste stap en weet je nog niet wat daarna, hoe het gaat aflopen, of het gaat lukken. Dan spreek ik ook tegen mezelf. 

Als ik je leer je gedachten te laten zijn. Dat ze niet samenvallen met jou. Als ik je vertel dat het allemaal stemmen zijn die om het hardst roepen om je aandacht. En dat je hen rustig kan laten roepen daar in je hoofd. Maar hun volumeknop misschien wat zachter kan draaien en je aandacht verplaatsen, van je hoofd vol gedachten naar dat lijf van jou. Naar je buik, waar geen gedachten zijn. Waar niemand roept. Waar je enkel de rustige deining van de adem voelt. Op en neer. Eb en vloed. Samen met het zachte geklop van je hart. Als een lied. Je lijf dat niet denkt, niet vooruit plant, niet terugkijkt, dat alleen maar is. Je wonderlijke, wijze lichaam dat je zoveel toont. Andere dingen dan je gedachten je willen laten geloven. Dat je op dat zachte, troostende ritme in slaap kan vallen. Dat jij dit óók bent. Dan luister ik ook weer even naar het lied van míjn lichaam. 

Als ik je vertel dat ik van alle stukjes Mira houd, van alle versies die jij bent. De bange, de enthousiaste, de onrustige, de liefdevolle, de onzekere, de energieke, de drukke, de boze, de verbindende, de begripvolle Mira. Dat ze er allemaal mogen zijn. Dat ik je zie. Je helemaal zie. En dat ik van elk celletje Mira houd. (Zélfs van de celletjes die scheten laten.) Dan probeer ik ook zo naar mezelf te kijken. 

Ik kan niet ophouden als ik één keer begin over jou te schrijven. Er is nog zoveel te vertellen. Zo schreef ik ook een veel te lang tekstje op je verjaardagskaartje. Vanmorgen legde je halverwege mijn tekst met nochtans een prachtige opbouw, het kaartje zuchtend weg: “de rest ga ik een ander keertje lezen”. Ik denk dus dat ik hier beter afrond en vermoed dat je deze tekst al helemaal niet zelf zal willen lezen. Tenzij ik er heel wat tekeningen en gekke letters aan toevoeg misschien. Of misschien mag ik het eens voorlezen terwijl Fientje op je schoot ligt te slapen. Of leest je 14-jarige, 20-jarige, 36-jarige versie dit later misschien wel zelf. 

Hoe het ook zij. Onthoud vooral dit: ik hou van elk celletje, mijn allerliefste dochter, van elk Miracelletje.