plant hoop

Tussen alle zwaarte en heftigheid van wat er op zoveel vlakken gaande is in de wereld, voelden Angelique Verheij en ik een sterk verlangen iets van hoop de wereld in te sturen. We vonden die hoop in de belofte van de vele bloemzaadjes die ik oogstte in mijn tuin.

Met onze ‘pakketjes hoop’ willen we hoop verspreiden en anderen inspireren dat ook te doen. De volledige opbrengst gaat naar Artsen Zonder Grenzen.

Kijk zeker op planthoop.nl, bestel een pakketje en vertel het voort!

hier rafel ik

hier 
aan deze tafel 
rafel ik

ik hou alles bijeen
tot ik hier land
de rafels glijden
door mijn vingers 

ik streel ze
trek voorzichtig los
draadje na draadje
tot alles loskomt
ik wring zacht tegen
verlies vorm, patroon, orde

ik rafel
tot ik zie hoe het begon
waaruit ik besta
wat er overblijft
als niets je nog samenhoudt

het is pluizig en zacht

zaakjes op orde

Het moment waarop je je heel even een volwassen vrouw waant die haar zaakjes op orde heeft:

  • Je wandelt naar de tandarts met aan elke hand een kind.
  • Jullie zijn op tijd. Enkele minuten te vroeg zelfs. 
  • Je hebt een boek bij voor elk van jullie. 
  • Alle tanden werden extra grondig gepoetst. (Die van jou ook, je wil vermijden dat ze onopvallend in je mond gluurt tijdens het praten en dan terloops meldt dat het er aan te zien is dat je al 6 jaar niet meer op controle bent geweest) 
  • Je nam, zoals afgesproken, contact op met de orthodontist en noteerde op je telefoon, bij de agenda-afspraak van vandaag, wat die had gezegd. Wat een ge-ni-aal plan. Is dat hoe echte volwassenen het doen?
  • Je kinderen hebben ein-de-lijk Kids-id’s die je straks met zichtbare trots zal kunnen afgeven en laten inlezen. 
  • Je hebt de Kids-id’s ook daadwerkelijk bij. Volwassener wordt het niet vandaag. 
  • De kinderen wachten rustig op de oranje plastieken stoeltjes. 
  • Ze praten zachtjes.
  • Ze praten zachtjes! 
  • Je zit tegenover hen en ziet tevreden dat ze kleren aanhebben. 
  • Kleren die er best oké uitzien, zonder gaten of al te opvallende vlekken.
  • Geen pyjama-onderdelen.
  • Je haalt je boek tevoorschijn.

Het moment waarop de waan wordt ingehaald door de werkelijkheid:

  • De kinderen wachten niet langer rustig. 
  • Ze maken luid ruzie over de vraag of er al dan niet huizen ín de Chinese muur zijn. 
  • Het galmt in het tandartsgebouw.
  • Niemand leest een boek. 
  • De kinderen ruzieën en je bemiddelt met zachte, beminnelijke stem. 
  • Je kinderen worden weer rustig. Dankzij jouw rust. Want je bent een spiegel. Kinderen kopiëren. Je leeft voor. 
  • Hahahaha. 
  • De kinderen negeren je volkomen en schreeuwen nu.
  • Het galmt nog steeds in het tandartsgebouw. 
  • De tandarts komt je redden.
  • In de cleane tandartsstoel zie je:
    • kind 1 met vuile schoenen vol modder
    • de ongekamde bos haar van kind 2 die de laatste maanden vooral in hoogte toenam waardoor hij weggelopen lijkt uit Pluk van de Petteflet. 
  • Ze vraagt of je elke dag napoetst.
  • Ze constateert dat je lichtelijk hebt overdreven toen je ‘regelmatig’ mompelde. 
  • Je wordt streng toegesproken. Elke dag napoetsen!
  • Je dochter gooit bij het weggaan in haar enthousiasme een beeldje kapot. 
  • Je zegt 100 keer sorry. 
  • Geschokt en met tranen in de ogen zegt de tandarts met de grootste moeite dat het niet erg is. 
  • Het juk van volwassen gedrag laat je achter in de lift, die 2x vastliep omdat er te veel op de knopjes werd gedrukt. Ook door jou. 
  • Een groot kind wandelt met aan elke hand een kleiner kind terug. 
  • Drie kinderen huppelen huiswaarts. 

zó zien we

zó zien we het kind haarscherp afgetekend
balancerend, de armen open,
doelgericht de ene voet voor de andere
het kind dat zingt, telt, rent, woest brult en stampvoet
zich ‘s avonds in onze armen nestelt
de eeuwige kikkermuts (met naam en persoonlijkheid) op

dat zich dankbaar wikkelt in elke zweem van fantasie op haar weg 
die aantrekt als een tweede huid
en moeiteloos verweeft met haar werkelijkheid 
het kind dat wipt, wiebelt, klimt, bouwt
nooit of te nimmer een milliseconde stilzit
dat zelf kleren kiest die zo min mogelijk matchen 
liefst enkele maten te groot of te klein

dat de wereld: wat goed en fout, recht en onrecht is,
ziet in eenvoudig zwart en wit
en voor wie grijstinten nog niet zichtbaar zijn
haar bed vol levende knuffels
haar wereld vol monsters
die bestreden worden met haar zelfgemaakte zwaard, 
in een Narniaans universum met draken, centaurs en haar broer aan haar zijde

zó zien we ook de tiener soms
nog vaag, onduidelijk, in mist gehuld
maar soms duikt ze even op
horen we haar ergens diep vanbinnen grommen
als ze ‘s morgens met donkere blik beneden komt 
niet aanspreekbaar blijkt

als ze zich geneert bij het afscheid
als ze haar schouders naar achteren trekt 
licht heupwiegend door het huis wandelt
als ze met haar ogen rolt
en mijn pogingen tot een aai of knuffel steeds behendiger weet te ontwijken 

als ze de tiener zelf opmerkt 
somber zegt dat ze het eigenlijk niet wil: groter worden

zo zien we haar balanceren
op het slappe koord tussen twee werelden
dansen, wiebelen, schipperen tussen kind en tiener

als ze valt
rapen we het kind op
we troosten, verzorgen en wiegen 

met de tiener zullen we wachten 
tot ‘s avonds
als iedereen weg is 
het buiten donker is en niemand nog kijkt
haar weerstand verdwijnt
en dan doen we hetzelfde 

en het antwoord is zacht

zacht zijn
van verlangen van
verbinden
van verlies zonder bitter
winnen zonder waan

zacht van omarmen
van compassie
verlangen zonder schaarste
zacht van genoeg van overvloed
van genezen van
vurig wensen
van strijden
voor mensen
die zinken door lijden

zacht zijn
van raken van
aanraken van
gestreeld gekrabd geroerd
zacht van zien en gezien
van mildheid en hoop

zacht van deuren opendoen
van stappen klimmen springen
van groeien zonder ver-
zacht van zuchten
van verlichting van genot van tevreden
zacht van
lippen op blozende wangen
van wiegen gedragen omgeven

zacht zijn
van raadsels als
wat is krachtiger dan hard?
het antwoord is: zacht
en het antwoord is zacht

Geitenwollen hoop

Ze zijn net in België en zitten nu zo’n 3 weken in de schoolbanken. Ze wisten de eerste les niet hoe je de ringetjes van een kaft opent of hoe een perforator werkt, maar kunnen nu al vertellen wat hun naam is, uit welk land ze komen, waar ze wonen, welke taal ze spreken, of ze getrouwd zijn, hoe het gaat, ze kunnen tellen tot 20 en kennen de dagen van de week. 

Het was de laatste les voor de Kerstvakantie en ik wilde hen zo graag vertellen wat ik wens voor het nieuwe jaar. 

Want ik wens dat ze zich welkom voelen hier. Dat ze behandeld worden zoals wij behandeld worden en niet als tweederangsburgers of als parasieten. Ik wens openheid. Nieuwsgierigheid. Groei. Ik wens een warme plek om thuis te komen en dat bedoel ik heel letterlijk. Waar de verwarming werkt. Zonder vocht- of schimmelproblemen. Met genoeg plaats voor alle familieleden. In de buurt van een park zodat de kinderen soms buiten kunnen spelen. Ik wens hen hoop. Hoop op een beter leven. Ik wens ruimte voor hun trauma en de juiste begeleiding. Ik wens kansen. Ik wens hen plekken waar ze kunnen bijleren en groeien, waar iemand in hen gelooft en hun capaciteiten ziet. Ik wens hen ruimte en begrip voor rouw. Ik wens dat het goed mag gaan in hun thuisland. Ik wens vertrouwen, zachtheid en openheid. Ik wens dat ze weten en ondervinden dat ze net zoveel recht hebben op al het geluk dat wij zomaar in onze schoot geworpen kregen. 

Het is een naïeve wens, ik weet het. Hun leven was al erg moeilijk en wordt er niet gemakkelijker op nu ze hier wonen. Politieke keuzes laten hen vaak voelen dat ze niet welkom zijn, dat ze wél tweederangsburgers zijn, dat hun kinderen minder waard zijn dan die van ons, dat hun trauma’s onbelangrijk zijn en warme plekken een overbodige luxe (toch voor hen). Hun onzekere, kwetsbare situaties zijn een droom voor huisjesmelkers, dus wonen ze vaak in vochtige, slecht geïsoleerde, veel te kleine appartementen, de enige plaatsen waar ze “welkom” zijn met hun hele gezin. Ze voelen zo vaak dat geluk voor hen niet is weggelegd. Dat ze geen capaciteiten hebben die hier van belang zijn, niets kunnen bijdragen en alleen maar een last zijn. Hoe vaak worden ze niet afgewimpeld, wordt er agressief, kleinerend, geërgerd, belerend, uit de hoogte of verveeld tegen hen gesproken. En wat doet dat met een mens?

Maar toch zie ik zoveel dankbaarheid. Ik zie hen genieten van elk nieuw woord dat ze leren, alsof ik cadeautjes uitdeel. Ik zie hoe hard ze werken, hoe ze groeien, hoe sterk ze zijn. Ik zie zoveel moed. 

En dus durf ik hen toch gewoon voluit wensen:
Vertrouwen. Warmte. Groei. Open armen. Goed omringd zijn. Geloof. Hoop. 

Het klinkt wollig en wereldvreemd misschien, maar wat wens je je kinderen, je familie, je ouders? Is dat niet hoe elke mens kan floreren, groeien, de beste versie van zichzelf zijn?

Is dat niet wat deze stad, dit land, deze wereld nodig heeft? Dat iedereen de beste versie van zichzelf kan zijn?

Dus dat wilde ik Ammar, Dalal, Molar, Malalai, Samuel, Femi, Hamida, Somayeh, Sayed Faqir, Ella, Ola, Habibullah, Shakila, Fahd en Mimount gisteren wensen. Maar daarvoor is er nu nog niet genoeg taal. Dus ik schreef ik “vrolijk kerstfeest” en “gelukkig nieuwjaar” op het bord, liet hen een kerstkaartje naar elkaar schrijven en gaf een onnozel kaarsje mee, vermomd als rendier met een rood LED-lichtje in de neus.

Een lichtje voor deze twee weken die voor hen vaak eerder donker en moeilijk zijn dan prettige, warme feestdagen. En ik hoop dat ze daarin iets voelden van mijn warme wensen en de hoop dat ze genoeg kansen krijgen hier om te floreren. En dat ik weiger cynisch te worden. Leve hoop! De volgende keer krijgen ze geitenwollen sokken.

ik ben soms zo dankbaar, ik ben soms zo bang

Vier september, de stilte hangt weldadig in de keuken. Ik drink koffie, zie hoe in de tuin de vroege ochtend zich presenteert, zich niet bewust van haar toeschouwer. De ramen van de serre zijn beslagen, mezen, vinken, putters bij de rozenbottelstruik. De dag die al wat licht (het mooiste) vooruit heeft gestuurd. Als een aankondiging. Ik zie de vroege ochtend. Anders dan de voorbije weken, toen we rond dit uur nog sliepen en die vroege ochtenden skipten. Bloot en opgekruld, de plakkerige lakens ergens in de nacht van ons afgeworpen. Tijdens die zomermaanden de dag wat vooruit geduwd, opgeschoven, waardoor de ochtend moest beginnen zonder toeschouwers en er ‘s avonds laat nog kindervoeten de trappen op en af renden.

Ik open een nieuwssite, het is sterker dan mezelf. Ik schrik, word triest, boos, bang zoals steeds. Dit leven, deze overvloed, dit geluk: zo fragiel. Ik wil niet verder lezen. Niet afdalen, niet de duisternis in die als een donkere wolk deze frisse septemberochtend bedreigt. Liever wil ik uit het raam kijken nu. De ochtend beleven. Over een half uur zal ik boven een wekker horen afgaan. Een rolluik dat wordt opgetrokken, gestommel in de badkamer. Het zoontje zal aangekleed en fris beneden komen. Zich meteen op mijn schoot nestelen. Alsof hij me gemist heeft, de hele nacht. Misschien vertelt hij een droom. De dochter zal nog even blijven worstelen met de slaap tot we nog eens en nog eens roepen. Een gefrustreerde brul zal door het huis klinken. Ze zal met ongekamde haren en een donkere blik de keuken binnenstampen. Het zal niet lang duren. Als wij onze mond houden op het juiste moment en haar herinneren aan iets leuks later vandaag, zal ze opklaren. De man zal meteen druk in de weer zijn. Koffie zetten, in de koelkast rommelen, boterhammen smeren. En ik zal me een beetje schuldig voelen dat ik hier al zolang zit. Dat ik dat eigenlijk al had kunnen doen. Maar dan mijn zoon zijn lijfje tegen me aangedrukt voelen en blij zijn dat ik hier zat, dat mijn schoot het eerste was dat hij zag. 

Maar het is nu nog stil. Ik ben nog alleen en kijk uit het raam. De vroege ochtend presenteert zich, doet zo z’n best en het is intiem en zacht en ik zou me diep gelukkig kunnen voelen maar krijg de duisternis niet goed weggeduwd. De ochtend, de rust, dit leven: zo fragiel. Zo dankbaar ben ik opeens dat straks die wekker gaat. Zo verlangend naar de stilte die zal oplossen. De duisternis die zal wegtrekken. Verlangend naar de liefde die, samen met verwarde haren, rammelende borden, dromen die opgedist worden, plannen die gemaakt worden, onze keuken zal binnenrollen en opstuiven en rond dwarrelen als een stofwolk. Opeens voelt de keukentafel zo leeg. Jeuken mijn armen van leegte, ben ik één en al ongeduld. Zo graag wil ik nu vasthouden wat ik heb. Hen ruiken, horen, voelen. Mezelf ervan verzekeren dat ze er nog zijn. Dat geen enkele psychopaat met macht hen van me zal wegscheuren. Deze vrede, deze rust, dit geluk aan diggelen zal slaan. Ik ben soms zo dankbaar, ik ben soms zo bang.

De wekker gaat af. Ik ben soms zo dankbaar, ik ben soms zo bang. 

viskom

ik zie op het scherm hoe hij 
met bolle wangen 
kaarsjes uitblaast
lipjes, een neus en een blik
zo aandoenlijk
van een kind duidelijk 
twee jaar jonger nog
dan de jongen hier nu
op mijn schoot 

nu ligt hij
hangt hij 
in mijn heupen
als een vis
wat gevouwen 
in een plots te krappe viskom
het stoort hem niet 
zijn hand aait verstrooid mijn wang

ik trok gisteren twee tanden 
vlak na elkaar 
de tweede stuiterde zijn mond uit 
hij lachte (nadat hij huilde) 
en die twee plotse zwarte gaten 
slokten alle laatste restjes kleuter op

hij hangt languit nu
ledematen alle kanten op
ik de te krappe viskom
maar zijn hand aait verstrooid mijn wang 
en het stoort niet 

welkom in de lente

Welkom in de lente, zegt de yogaleraar. Een vrouw zit al op haar matje, de voor- en achterkant blijft opgekruld. Er is net genoeg plek voor haar, pal in het midden. Het deert haar niet. Het is een prachtig zicht: de mat fel roze, zij, een rijzige, blonde vrouw, de ogen gesloten, sereen. Ze ziet eruit alsof ze elk moment zal opstijgen op haar vliegend tapijt. 

Even later staan we allemaal te springen. Hier in die sporthal, verlicht door 16 TL-lampen (ik heb ze geteld toen ik in het hier en nu moest zijn), staan opeens 23 volwassen lichamen te springen. Zo gaat het elke week en het is mijn lievelingsmoment. De oude, lange man met knokige beenderen, de vrouw van de roze mat die toch niet opgestegen is, de man met de norse blik en rode muts, de twee vriendinnen, het oudere koppel, de vrouw met de mooie, grijze krullen, de jonge, schuchtere man steeds volledig in het zwart gekleed, de dame die straks bij elke asana luid zal zuchten en kreunen, al die lichamen stuiteren nu in het rond. Haren vliegen alle kanten op, grote, stevige of slappe, rimpelige borsten veren op en neer, armen slingeren langs schokkende lichamen, navels dansen in de losse huid van trillende buiken, voetzolen landen en schieten weer de lucht in. Het heeft iets aandoenlijks, iets ontroerends en iets diep verbindends. Opeens zie ik het, al die mensen die al springend steeds meer loskomen van hun twijfels, pijn, hun volhouden, verdriet, succes, hun woeste verlangens, vreugde, falen, hun gemis, hoop, hunkeren, hun verlies, spijt, vertrouwen, rust, hun groei, wanhoop, onstuimigheid, machteloosheid, hun eenzaamheid, zoeken, hun intense tevredenheid ook, steeds wilder, steeds kinderlijker, op dat matje, onder dat TL-licht. Ik wil naar hen toe stuiteren, roepen, oh jij ook? Ik ook! En hen dan al springend omhelzen. Ik wil samen de sporthal uit rennen. Ik wil met hen zwemmen in een ijskoud meertje. Ik wil in hun armen huilen en samen de slappe lach hebben. Ik wil onder een deken naar de sterren staren. Ik wil pizza’s beleggen en met veel te volle magen op de trampoline. Ik wil een berg afrennen. Heel hoog schommelen en dan springen. Ik wil met onze fietsen door de wijk racen. Ik wil kikkervisjes vangen. Ik wil met hen languit in het gras liggen en dan alleen maar onze ademhaling horen vertragen en die bedwelmende geur van gras ruiken. Ik wil dat kind zijn dat lag te slapen ergens in de buurt van mijn hart en wakker werd door het springen. Ze telt af naar een eindeloze zomer. 

Maar het is pas lente, we houden op met springen en een 37-jarige vrouw met twee dikke, verticale rimpels tussen haar wenkbrauwen als ze fronst, bij haar ogen fijne lijntjes als ze lacht en grijze haren die stevig in opmars zijn, landt weer in mijn lichaam, voorzichtig, ze wil me niet bruuskeren. En met haar, landen ook de twijfels, het falen, de verlangens, het gemis, de groei en hoop, het zoeken. Ze nestelen zich in alle hoekjes van mijn lijf en ik vind het niet erg, plaats genoeg. Het kind en de geur van gras leg ik weer te slapen. Voel nog even na, zegt de yogaleraar. En dat doe ik, een laatste blik op het alweer indommelende kind. De blonde vrouw knipoogt vanop haar vliegend tapijt en ik meen wat sprietjes gras in haar haren te zien.

zondvloed

in de zetel steunend tegen wat kussens en je raakt diep ontroerd door de zuivere, tere stem van Jakub Józef Orliński en je las ergens dat hij ook een breakdancer is, je ogen branden maar je leest verder en op pagina 166 schrijft Hertmans over een zwarte ibis: ‘Misschien dacht ik, is het geheim stomweg dit: volhouden, ook al lijkt er geen enkele reden toe, jij daar met je vleugels open en je ogen dicht tegen de zondvloed die over je heen komt’, je houdt even je adem in maar er komt geen zondvloed de kamer binnen, enkel een dochter in streepjespyjama met haar kattenmuts op, ze kan niet slapen en nestelt zich op jou, warm en tevreden (haar muts spint haast), jullie luisteren nu samen naar Orliński en ze vraagt: was dat nu een zanggeeuw nadat je geeuwend probeerde mee te zingen en dat was het exact zeg je, een zanggeeuw, en je kust haar op haar neus waar heel voorzichtig de eerste zomersproeten zijn verschenen en nu moet ze weer naar bed zeg je na een tijdje en jij even later opnieuw alleen in de zetel (je mist haar warme lijf al), je ogen dicht, wachtend op een zondvloed die soms zo dichtbij voelt of enkel op de slaap waar Orliński je zacht maar gedecideerd heen leidt