zwart-witte minaars

Zwart-wit was onze liefde. Drie kinderen met lachjes en een mooie vrouw had je. Met volle lippen, groene ogen, blozende wangen, vuurrood haar, ronde vormen en hoge hakken. Jij de charmante, zwierige man die het gemaakt had in het leven. 

Zwart-wit was onze fictie. En jij, de zwart-witte minnaar. Eerst in pak. Je hoed die voor een eeuwige schaduw op je gezicht zorgde die zelfs bleef als je hem afzette. Jij zonder pak. Een deftig kuchje om aandacht. Bloot bij mijn raam. Geen licht behalve dat van de straatlantaarns dat van jou een schim in sepia maakte. Je gespierde schouders en de zachte lijn naar beneden. Je droeg niets dan een sigaret. Rook die rond je lichaam cirkelde. Eerst rustig dalend en dan terug langs je geslacht en navel het raam uit. Je stevige billen enkel nog twee witte rondjes en beneden zachte hielen die op de grond steunden, alles daarrond schaduw. 

Dus ik, nog naamloos, de zwart-witte minnares. Voorzichtig uit mijn nachtkleed gestapt. Gewichtloos neergestreken te midden van een nietsvermoedende rimpelloze vlakte. Nieuwsgierig verkend en gestreeld nu door de opgeschrikte golfjes water. Een bijna doorschijnende huid die glooide naar de donkere, aarzelende tepels die op het water dansten. Daaronder borsten als voorzichtige bergjes wit zand die bij de vroegste vloed zouden wegspoelen en verdwijnen. Tenen gekromd tegen de bleke badrand. Mijn kleurloos gezicht met gesloten ogen omkaderd door de stuurloze, pikzwarte haren die niet wisten waarheen nu de zwaartekracht geen effect meer op hen had. 

We waren zwart-witte minnaars die in de schaduwen van de stad zochten naar de fictie van het donkere maar tegelijk broze en lichte dat we niet vonden in de dag. Die in elkaars bleke plooien en oncontroleerbaar zwart de werkelijkheid vonden die zich enkel kon afspelen in de nacht.  

De drie kinderen met de lachjes en de plots naamloze blozende vrouw met het rood werden dan zonder meer de fictie.

Plaats een reactie