lang gewacht

Ik heb lang gewacht. Nog nooit zo durven hopen. Ik heb het gevoeld, de nacht die zich om mijn oren krulde en rustte in mijn nek. Het getintel van de lucht, de dagdeeltjes die ploften en oplosten en zwarte gaten achterlieten. De geur van restjes gras tussen mijn kleren. Nog nooit heb ik zo durven hopen als toen. 

We joegen op elkaar op diezelfde plaats. Onze naakte lichamen die gleden en streelden en kronkelden van genot en angst. De geur van restjes jij tussen mijn kleren. Je waarschuwde me: je tikte op mijn blinde rug, schudde mijn dove armen en kuste wanhopig mijn verlamde lippen. Ik blind, doof, verlamd, jij zag alles, de volle driehonderdzestig graden, van de striemen op mijn rug tot het pompen van mijn hart. Ik was niet meer aanwezig, overgeleverd aan je sterkte, je hitte, je energie, je mannelijkheid, week was ik, in jouw dienst. En dus kwam ik steeds terug, koortsachtig verlangend naar je geur. Altijd weer op diezelfde plaats, waar alles oneindig was, waar de nacht enkel voor ons was uitgevonden. 

En toen ik op een keer niet meer blind was en zag wat je wou tonen, loste ik – liep ik leeg – viel ik pijlsnel naar beneden. Jij kon me niet vangen, mocht niet dus ging ik stuk op diezelfde plaats. Jij kwam je prooi aanschouwen en verdween, jouw kapotte kleine jongen achterlatend. Je verdween en nooit was ik eenzamer. Slechts het wegstervende klokgelui in een spookdorp, door niemand gehoord, door niemand opgemerkt. Toen weende ik omdat ik mijn moeder niet meer had. Omdat ik haar troostende moedermelk wilde proeven op mijn tong, omdat ik wou rusten op haar sterke onderarm, gewiegd worden tegen haar borsten. Maar de nacht was donker en ik was alleen en de dood dichtbij. 

Nog een keer kwam ik bij je bed. De lucht in de kamer was dik en mistig en ik kon niet ademhalen, maar daar doorheen priemden je ogen. Overgeleverd aan een woest verlangen om te gaan met jou, sloot ik de deur en liet je achter. 

Ik heb lang gewacht. Nog nooit zo durven hopen. Het was de enige mogelijkheid: mijn hoofd, lichaam, handen vol hoop. De enige mogelijkheid om op diezelfde plaats te staan, te hurken, te wachten. Alle hoop die ik had kunnen vinden, verzameld op die plek. Gestapeld, goed in het zicht. Maar je scheurde zonder aarzeling weg en in stukjes. Je danste weg met onze nacht als een laken over je schouders gedrapeerd. Jouw schouders. Onze nacht. 

Ik ben op diezelfde plek. Ik ween om mijn moeder, kleed me uit en bedek me met scherven hoop. Een bereidwillige prooi zonder jager. 

Plaats een reactie