toen god nog een jongen was
met groene ogen en driehonderd sproeten
dacht hij: wat is het mooi hier
want hij zag enkel een korenveld
een blauwe hemel en vogels
hij hield van vogels
toen god nog kon dansen
met de andere kinderen
en vals zong
sprong op één been
van 1, 2, 3 stap
zei hij: wat ben ik hier graag
en wat goed dat ik dit gemaakt heb
want de handen waren warm
de stemmen gelukkig
toen werd god een soldaat
die doden moest
een vrouw
die haar kinderen verloor
een kerkganger
die alleen haten kon
een pester
waardoor een ander
niet meer leven wilde
een man
die vrouwen wilde
het liefst wanneer ze huilden
en hij dacht:
wat is het hier slecht
het korenveld verdwenen
wat heb ik gemaakt
de vogels verstomd
en hij weende