dat het nooit meer wij 4 in de zetel zal zijn
jaren met wijn, muziek, vragen en peilen en tranen en troost en stiltes en gelach
jaren van vechten, huilen en omarmen, van humor en genieten
van eerlijk en kennen
en denken dat we hiervoor konden vechten
dat wij konden zorgen dat dit zou blijven bestaan
dat dit altijd zou blijven bestaan
toen werd het wij 3 in de zetel
wij en zij
die eerste keer alleen, huilde eindeloos
onze dochter met grote ogen
nog nooit zo stil
nestelde zich op haar schoot
en bleef daar zitten, als een trouwe hond
wij vol ongeloof, pijn, zoveel verdriet om haar, hem, hun zoon
om ons
wij en hij diezelfde dag
en ik die alleen maar kon zien hoe hij er niet meer was
dat eerlijk en kennen een illusie
hoe wij niet konden vechten en hij niet wilde vechten
wij machteloze toeschouwers
onze vuisten klaar
maar het werden handen die streelden
armen die vasthielden wat gebroken was
wij 2 in hun zetel
ik vanaf nu op zijn plaats
zijn geur nog daar
die hoek gevormd door hem, voor hem
en ik pas niet helemaal
zij kreunt en huilt en is zo mooi
ze rouwt en probeert moedig niet kapot te gaan
en mijn hart breekt
omdat ze valt en ik haar niet kan vangen
zij 2 in onze zetel
onze dochter in haar armen
terwijl ze ook haar eigen zoon wiegt
ze sluit haar ogen
haar gezicht getekend door het vele huilen, nachten zonder slaap,
de pijn, paniek, wanhoop
en toch is ze zo mooi
onze eeuwig onrustige dochter thuis bij haar
hoe ze brak en blijft breken
en toch nog kan geven
hij weer
ik één en al vuist
maar dan die blik, die pijn, die peilloze diepte in zijn ogen
en ik voel alleen maar liefde
en verdriet, zoveel verdriet om wat nooit meer zal zijn
