Gaan winkelen mag enkel nog in je eentje. Daar waar ik de voorbije dagen nog beide kindjes mee had en verontschuldigende blikken naar andere klanten wierp omdat mijn kinderen alles gretig aanraakten en mijn zoontje ook wel eens op orale verkenning durfde te gaan, is dit nu niet meer mogelijk. Dat gaat nog het hoogtepunt van mijn dag worden, ik voel het. Voor mijn man naar het werk vertrekt, spring ik nog even op mijn fiets richting de winkel. We hebben zelf niet eens iets nodig, maar mijn buurvrouw wel en ik ben daar niet rouwig om. Aaah. Even stilte, wind, buitenlucht.
Later vandaag. Zo vervelend als ik telefoneren al vind, des te meer moeite heb ik met video calls. Nog meer dan bij een telefoongesprek vallen er ongemakkelijke stiltes, onderbreek je mekaar of heb je niet gehoord wat de ander zei omdat je teveel naar jezelf aan het kijken was. Maar goed, mijn vierjarige dochter wil haar schoolvriendjes/oma & opa/nichtjes zien dus wat moet, dat moet. En al bij al valt het wel mee. Zo speelde ze verstoppertje met haar nichtjes, en liepen ik/mijn broer rond met de laptop om het verstopte kind te spotten terwijl het kind aan de andere kant van het scherm aanwijzingen gaf over waar er gezocht moest worden. Dat was best leuk. En zij speelde met haar plasticine en haar vriendje met de zijne terwijl ze enthousiast toonden wat ze er allemaal mee konden doen, zonder echt interesse te tonen in wat de ander liet zien. Net zoals in het echt. Alleen het afronden van zo’n gesprek is nog lastiger dan een telefoongesprek, zeker nu. Want je kan moeilijk zeggen dat je nu toch echt moet vertrekken. Iedereen weet dat je gewoon de hele dag thuis zit. Mijn West-Vlaamse roots verhinderen me om gewoon te zeggen dat ik het gehad heb en ik nu gelijk een zombie verder door Facebook wil gaan scrollen terwijl ik mompel dat mijn kinderen geen ruzie mogen maken. Maar na een toch ongemakkelijk want te lang gesprek waarbij mijn dochter verschillende keren riep “nu zijn we wel héél lang aan het praten hé!” had ik het eindelijk gevonden. “We moeten nu echt stoppen, want we moeten nu naar X bellen!” Et voila! Vakkundig, zonder iemand te beledigen (op z’n West-Vlaams dus) opgelost!
Als mijn man thuiskomt van zijn werk, vlucht ik in mijn eentje ‘t park in. Het regent en onder normale omstandigheden zou ik er niet aan denken me vrijwillig zonder duidelijk doel in zo’n regenbui te begeven, maar ik kan deze keer de deur niet snel genoeg achter me dichttrekken. Het doet zo’n immense deugd. Stilte, zuurstof, natuur, lichaamsbeweging. Het is niet zo druk als de voorbije dagen, maar ik ben toch niet de enige die zich weinig aantrekt van wat regen. Wandelende gezinnetjes, vrienden (dat weet je omdat ze 1,5 meter afstand houden) en veel joggers. ‘t Valt me op hoe er, ondanks de fysieke afstand waar iedereen zich strikt aan houdt, veel meer oogcontact gemaakt wordt dan normaal. Ik glimlach naar de gezichten die ik zie, dat doet dus echt deugd, eens andere gezichten zien dan die van mijn huisgenoten (hoe graag ik ze ook zie). Ik probeer wat op te vangen van het gesprek voor me (mijn eigen gesprekspartners zijn al een week een 4-jarige en een 2-jarige), laaf me aan de roddels die gedeeld worden en probeer me er vanalles bij voor te stellen.
En het valt me hoe verder ik wandel, hoe meer op: zoveel blikken die mijn richting uitgaan. Ik glimlach enthousiast terug, blij dat iedereen wat verbondenheid zoekt met nobele onbekenden in deze bevreemdende periode. Pas na een dik half uur valt me op: mijn kleedje is tijdens het wandelen door de wrijving met mijn jas helemaal omhoog gekropen. Als in, echt helemaal onder mijn jas verdwenen. Ik loop dus rond met paraplu, sjaal & regenjas en daaronder nylonkousen waardoor je sowieso duidelijk mijn onderbroek kan zien. Mijn achterwerk kan je niet makkelijk negeren dus dat hebben de vele mensen die mijn pad kruisten duidelijk niet gedaan. Vandaar dus de blikken. Licht gegeneerd trek ik alles weer op zijn plaats en moedig blijf ik de rest van mijn wandeling oogcontact maken. De mensen glimlachen terug, daar niet van, maar die extra fonkeling in de blikken die ik voor verbondenheid aanzag, blijft uit.