we zullen nog zien

Gisterenavond, ik lig in bed. Behoorlijk overprikkeld door nieuws, radio, smartphone en ohja, kinderen. Daarnaast ook opgekropte ergernis en donkere gedachten. En de zaken dag per dag bekijken (dé gouden raad in deze tijden), daar is bibi niet zo goed in. (zie mij hier Antwerps doen) De kinderen waren heel vermoeiend en ik die (al zeg ik het zelf) normaal véél geduld heb en graag op zoek ga naar onderliggende behoeften werd een ongeduldige, geërgerde moeder. Ook had ik stiekem al een paar keer gefantaseerd over mijn uitgesmeerde hersenen op het plafond en vooral over hoe heerlijk stil het na de knal zou zijn. Kort samengevat: ‘t begon een béétje te wegen.

Deze morgen, ik krijg telefoon. Een medewerker van Kind & Gezin belt om de afspraak voor het zoontje te annuleren. Ik doe maar alsof ik nog weet dat we een afspraak hadden. De vrouw aan de andere kant van de lijn lijkt geen haast te hebben. Ze klinkt erg lief en vraagt hoe met ons gaat. Even aarzel ik, ze vraagt het zo oprecht dat ik bijna mijn hart uitstort over ergernissen, hysterische kinderen en algemene labiliteit. Bijna! Maar ik herpak me (stel je voor dat er “LABIEL” en een uitroepteken naast mijn naam komt te staan in één of ander groot Sinterklaasachtig Kind&Gezinboek) en zeg dat het pittig is maar dat alles oké gaat. Met een beetje spijt rond ik het gesprek af, ze lijkt het zelf ook jammer te vinden. Misschien was dit haar laatste telefoontje en moet ze de rest van de dag spuitjes ordenen volgens kleur en grootte. Na dit telefoontje besef ik: vandaag moet een betere dag worden.

Als de man naar zijn werk vertrekt, sleep ik vol goede voornemens de mat naar ‘t midden van de living en ik probeer de yoga-app uit die de schoonzus heeft aangeraden. Ik zeg tegen de dochter dat we de makkelijkste oefeningen zullen kiezen omdat het anders voor háár te moeilijk zou zijn (yeah right). Na een eerste rondje van 15 oefeningen ben ik al licht in mijn hoofd (de 4 tassen koffie op een verder nog lege maag zitten daar wellicht ook voor iets tussen), staat het zweet op mijn voorhoofd en heb ik mijn nek in een hoek gekregen waar een nek zich in niet-coronarmale omstandigheden zelden bevindt. Maar de dochter wil graag nog een keer en deze keer de moeilijke! Na wat geploeter, een pijnlijke kopstoot, een totaal gebrek aan evenwicht en een nek die steeds vaster komt te zitten, gaat de dochter ermee akkoord dat we het voor vandaag voor bekeken houden. Of we het morgen weer gaan doen? “We zullen nog zien” zeg ik ontwijkend. Het zoontje is al moe geworden van gewoon naar ons te kijken (maar hij is ook een beetje lui, we moeten daar eerlijk over zijn) en ligt ondertussen languit naast de mat. Als de kindjes even later blij “koek, koek, koek!” scanderen wanneer ik hen elk een taaie maiskoek geef, weet ik niet zeker of ik trots moet zijn omdat ze zo blij zijn met weinig of dit er toch een beetje over gaat en ik hen dringend nog eens een snoepje moet geven.

Volgende actie: een wandeling maken. Kinderen (van 2 en 4, geen onbelangrijk detail) klaarmaken om buiten te komen, is voor een ongefocust iemand als ik een enorm karwei. Het voelt alsof ik 15 schapen bijeen probeer te houden en een bepaalde richting uit moet krijgen, terwijl ik zelf voortdurend (maar per ongeluk!) afdwaal. Zonder de man, die ons steeds als een getrainde herder vlotjes bijeen weet te drijven, duurt het dan ook een eeuwigheid voor we ‘t huis uit zijn. Maar goed, ik slaag er uiteindelijk in en we vertrekken. Het zoontje weigert te stappen dus mag in de buggy (zei ik al dat hij erg lui is?) en de dochter gaat op berenjacht. Blijken er in ons kleine, doodlopende straatje alleen al zo’n 10 beren te zien zijn achter de ramen, mijn hart! “Waarom doen de mensen dat?” vraagt de dochter. “Omdat we door het virus behalve wandelen niet veel mogen doen, en zo is het voor de kinderen wat leuker …” Ik moet stoppen middenin mijn zin want ontroering overvalt me en snoert mijn keel dicht. De gedachte dat we allemaal in ‘t zelfde schuitje zitten en met deze knuffels elkaar de figuurlijke hand reiken komt binnen. In het park vinden we een heerlijk rustig plekje in de zon, bij een bloeiende magnolia (“het is hier precies lente!” roept de dochter) met op enkele meters een schattige eekhoorn die zich uitgebreid laat bewonderen. Het zoontje hangt wat op de bank na dat vermoeiende tochtje in de buggy (on-ge-loof-lijk lui) en de dochter gaat op verkenning. En ja, ik voel dat ik er weer een beetje tegen kan.

‘s Avonds mogen ze nog een stukje van de nieuwe lievelingsfilm van de dochter kijken. Na een tijdje gaat de tv uit en vertel ik dat ze morgen verder mogen kijken. “Nee, ik heb een idee, eerst gaan we nog een beetje spelen en dan mogen we nog naar de rest kijken, oké?” Ze zegt het op zo’n toon alsof het al in de sacoche is. Goed geprobeerd, maar het antwoord is nee. Ik probeer oogcontact te maken om te zien of ze me heeft begrepen. “We zullen nog zien mama”, zegt zij nu ontwijkend.

En ik vind dat eigenlijk de perfecte slogan voor de komende weken. We zullen nog zien.

Plaats een reactie