Het zoontje was jarig. We beseften de avond voordien dat we geen enkel cadeau hadden. We vonden dat toch een beetje zielig, ook al was hij zich absoluut nog niet bewust van het feit dat hij jarig zou zijn en dat daar ook cadeaus bij horen.
De dag erop spring ik dus ‘s morgens snel op mijn fiets in de hoop nog iets te scoren in de Colruyt. Ik moet denken aan iets dat ik las over de Colruyt, waar gevraagd wordt de pijlen op de grond te volgen om ten allen tijde die 1,5 meter afstand te kunnen verzekeren. Een vriendin van me had vroeger (lang voor corona) ook al eens geklaagd over hoe ergerlijk mensen zijn die de pijlen niet volgen. Ik ben daar dus één van. Ik loop meestal wat verdwaasd door een supermarkt, overprikkeld door alle mogelijke producten die ik vluchtig probeer te bekijken en die me tevens verlammende keuzestress bezorgen. Ik neem me dus voor deze keer op te letten en de pijlen braaf te volgen. 5 minuten later kijk ik verstrooid in de boze, teleurgestelde blik van een man die op mijn vader lijkt. Ik krijg bijna de neiging even in de hoek te gaan staan. Nog eens 5 minuten later besef ik dat die blik wellicht te maken had met het feit dat ik dus de pijlen ab-so-luut niet aan het volgen ben. Ik mompel wat verontschuldigingen naar de rij mensen waar ik langs moet en hoor in gedachten “Shame! Shame! Shame!”. Enfin, ik vind uiteindelijk wat spulletjes waar vooral de dochter heel blij mee is. Het zoontje zelf roept de hele dag boos: “nee!” als we zeggen dat hij jarig is. Zoentjes wil hij niet, cadeautjes wil hij niet, de aandacht wil hij niet. Nog een geluk dat hij het dankzij corona alleen met ons moet doen. Stel je voor dat er bezoek was gekomen, dat zou pas echt een rotdag geweest zijn!
De volgende ochtend. Ik zit op het toilet en het zoontje komt zich zonder pardon op mijn schoot wurmen. De rest van de ochtend wil hij op mijn heup kamperen en enkel daar. Telkens als ik hem probeer neer te zetten, klampt hij zich als een aapje aan mij vast en begint hartverscheurend te huilen. Als ik doorzet en hem min of meer van me af schud (wat voel ik me een geweldige moeder op zo’n moment), hangt hij hysterisch huilend tegen mijn benen. Ik hijs hem zuchtend weer op mijn heup en probeer met mijn vrije hand kefir door een zeef te gieten. Ik giet de helft er uiteraard naast terwijl het zoontje boos blijft huilen. (Maar we moeten eerlijk zijn, er was ook met 2 vrije handen een best grote kans dat ik die kefir er naast had gekeild) Ondertussen valt de dochter mij aan in de rug. Er wordt luid gebruld en wild aan mijn broekzakken getrokken. Ik roep geërgerd: “Stop daarmee!” Een nieuwe aanval, weer luid gebrul, nog meer getrek aan mijn broek. Ik bedenk me dat ze al de hele ochtend een poes speelt (die ondertussen zo’n 15-tal baby’s heeft gebaard op de yogamat) dus dat ze wellicht correct aangesproken wenst te worden. Ik schreeuw specifieker: “Stop daarmee poes!” Het gebrul zwelt aan, het getrek wordt woester, … Twijfel rijst! Is ze ondertussen een tijger, of is het een leeuw of nee, een panter? Er vindt een kleine kortsluiting plaats in mijn hoofd (het zoontje weent steeds bozer en de kefir drupt op de grond) en ik schreeuw: “STOP DAARMEE KATACHTIGE!”
De kindjes zijn stil en kijken me allebei verbaasd aan. Ik weet niet of ik moet lachen of huilen. De dochter vraagt voorzichtig: “Wat is ook alweer een katachtige, mama?” en ik kies lachen. Als ik het zoontje een boterham in de hand stop, schrokt hij die hongerig naar binnen. De dochter zegt: “Hij had gewoon honger mama, en wij hadden dat niet door hé. Dat was niet slim van ons hé?”. Het ontroert me dat ze de schuld zo eerlijk onder ons verdeelt.
We fietsen even later naar het park. Alweer. Ik deed nog snel wat mascara op. Het zou zomaar even kunnen gebeuren dat ik oogcontact maak met een andere volwassene. Ik word licht euforisch van die gedachte. ‘t Is erg koud, maar de zon schijnt en ik voel hoe de opgekropte frustraties zomaar vervliegen en oplossen in de kilometers lucht boven mij. Ik oefen wat in dankbaarheid, dat lukt beter in de buitenlucht waar kinderstemmen aangenaam en schattig klinken. Ik ben dankbaar. We hebben een dak boven ons hoofd, een volle koelkast en komen niets te kort. We zijn met z’n vieren en kunnen mekaar nog vollenbak besnuffelen en aaien en zoenen en knuffelen. Dit is één van de beste landen om in te wonen tijdens deze crisis. We zijn allemaal gezond. We wonen vlakbij het schoonste park van het land.
Het zoontje zit voor mij, ik zoen hem af en toe in zijn nek. Hij neuriet blij omdat we eindelijk buiten zijn en roept opgewonden: “boom, boom, auto, boom!” In het park tovert de dochter een ‘wapen’ ( = een metalen ringetje) uit haar onderbroek (“want ik had geen zakken”). We bevechten samen de haai ( = het onschuldige zoontje dat zich van geen kwaad bewust is) die ons maar blijft aanvallen. Als we naar huis fietsen zingt ze een liedje: “Oooh we mogen niet naar school door het viiiiruuuus, en we gaan nu naar het park en de zoooooon schijnt. En we mooogen gelukkig wel met ons zinnetje (sic) saaaaaaaaamenblijven.” Ik maak oogcontact met een man die glimlachend naar het gezang van mijn dochter luistert. Al een geluk van mijn mascara.