ik droom familie

We vertrekken met veel goesting want toch een soort vlucht uit de bizarre wereld waarin we al veel te lang vertoeven. De auto volgeladen, uitgewuifd door onze buren, hapjes, spelletjes en boekjes binnen handbereik om de kindjes de hele rit zoet te houden, de man bromt mee met Cohen en ik juich inwendig.

Een kleine 7 uur later, licht euforisch dat het lastigste er bijna op zit, een korte plaspauze voor de dochter. Ikzelf hap naar frisse lucht want zo misselijk als iets. Weer de auto in, nog drie kwartier te gaan, we popelen! De auto start niet. “We hebben mogelijk een groot probleem”, zegt de man en dat zal een hele correcte analyse blijken. De man belt wegenhulp, ik onderdruk de opkomende paniek en installeer me met de kindjes vlakbij wat een ‘prachtig’ hoornaarsnest blijkt. Daarna – op mijn aandringen, prachtig of niet – een beetje verderop in een wei in de schaduw met zicht op het glooiende landschap van de Morvan. De paniek ebt weg. Een kleine 3 uur later arriveer ik met kinderen en een deel van onze bagage op de camping. Opgelucht en dankbaar omdat de broer ons alvast kwam halen. De man – die geen woord Frans spreekt – blijft achter bij de kapotte wagen. De broer zal diezelfde rit later op de avond nog eens herhalen. Hij zal de man vinden langs de kant van de weg, in een godvergeten dorp, zittend tussen de resterende bagage.

3 dagen later, een vervangwagen die blinkt tot in ‘t stad en we proberen te vergeten en te genieten. Niet zo moeilijk. Het buitenleven is begonnen: we stommelen ‘s morgens met koffie ons caravanneke uit als de zon nog te verdragen is en pas als de nacht donker genoeg is en de sterren ontelbaar, ploffen we neer in onze bedden. De broer, de schoonzus en de drie nichtjes worden ons dorp en de kinderen lijken minder van ons en meer van zichzelf. Zelfs de 2-jarigen trekken op eigen houtje naar de ballentrampoline en willen het niet geweten hebben dat we hen in de gaten houden. Ik geniet van al die lieve gezichtjes. Ze zijn overal en nergens, ik deel aaitjes en knuffels uit, luister naar verhalen, droog tranen en veeg snot weg. De schoonzus en ik naast elkaar, glimlachen om onze blije buitenkindjes en lezen meer dan we op een heel jaar deden. ‘s Avonds maken we een prachtige avondwandeling terwijl de zon ondergaat tussen de stille heuvels en het laatste waaraan we denken zijn mondmaskers en alcoholgel en het doet zoveel deugd.

En dan de hittegolf. We puffen de dagen door, werpen onze verhitte lijven in het zwembad en lezen nog wat meer. En zijn zo blij dat we hier zijn en niet in ‘t stad waar de hitte nu wel ondraaglijk zal zijn. We hebben schaduw, het zwembad en de kinderen lijken ons te sparen, misschien uit medelijden met onze rode, bezwete gezichten. En dan wandelen op het heetst van de dag. Later vertrokken dan gepland, de buggy’s al snel in wat struiken gedropt, de wandeling te avontuurlijk. De 2-jarigen worden op schouders, ruggen en armen meegezeuld tot we blij zijn dat we zo zweten omdat elk zuchtje wind wat verkoeling schenkt. ‘s Avonds laat, als het eindelijk wat afkoelt en de kinderen met zoute gezichtjes in slaap zijn gesukkeld, drinken we gin tonic en praten en plagen en huilen ook wel eens. De schoonzus ziet de schoonste vallende sterren maar wij zijn steeds te laat.

En ook nog wij in een eindeloos meer met zicht op verre, groene heuvels en ons afvragen wat we al die tijd in dat kleine zwembad op de camping hebben gedaan. De dagen kabbelen voorbij. En plots zijn de twee weken om. De wespen elke dag talrijker dus die laten we met plezier achter. En dan thuiskomen met de blinkende vervangwagen. Altijd weer blij worden van thuis komen. Hoe fijn het ook geweest is. De plantjes, de boekenkast, de badkamer en de koffiemachine. Zitten aan de keukentafel. De krakende trap en de zolderkamer. De kinderen die enthousiast alles herontdekken. Het zoontje verrast dat ons huis nog bestaat.

En nu. Eind augustus. Autoloos. Het stormt en regent en de herfst is er veel te vroeg. Ik droom de ondergaande zon, vallende sterren en warme avonden, de modderfabriek (-een héle middag!), zwarte knieën en kinderhandjes, ijsjes, en niet onderbroken worden bij het lezen. Ik droom de oudste nicht en haar brede lach en de gezellige babbeltjes. De 2-jarigen die het badje volplassen en dan heelder bekers inslikken. Het tweede nichtje en de dochter, twee handen op één buik soms. Complexe, vurige zieltjes. Voelen zo intens dat het soms te veel wordt. Licht ontvlambaar maar zo gevoelig. De schoonzus en haar humor, de broer en zijn weetjes. Het ongedwongen samen zijn. Ik droom familie. En de glooiende heuvels van de Morvan.

Plaats een reactie