Dat wat ze tijdens de eerste lockdown in het voorjaar nog niet helemaal onder de knie hadden, kunnen ze nu wel: samen spelen. De timing is perfect. Zij blij dat ze ongestoord kan commanderen, hij nog volgzaam, opkijkend naar die zus van hem, onder de indruk van die explosie van energie en taal.
Ze wervelen door ons huis, zij de leider, hij in haar kielzog. Wat ze zegt, zegt hij na, hij bestudeert nauwkeurig haar mond, hoe ze haar armen houdt, hoe ze stapt en imiteert dat zo goed en kwaad als hij kan. Zij helemaal in haar element. Ze beveelt, betuttelt en bemoedert. Hij ondergaat dat gewillig. Haar fantasie tomeloos, ongelooflijk wat ze allemaal meemaken in ons kleine huisje: ze worden aangevallen door zeerovers, haaien, opgeslokt door de stofzuiger, moeten op zoek naar de afdruk van de papa van een herfstblaadje, zij heeft allerlei krachten en kan die indien nodig met de juiste rituelen overdragen en weer afnemen van haar broer, ze betoveren ons, bevriezen ons, bevrijden ons, vallen aan met stokken en wc-papier. Ze zijn twee verdwaalde, uitgehongerde poesjes die miaauwend door het huis kruipen. Hij is een pasgeboren baby en het water is vergiftigd en als hij ervan drinkt zal hij doodgaan. “En als je doodgaat dan word je na een lange tijd aarde, en je wilt toch geen aarde worden hé?” dreigt ze. Ze is voortdurend aan het woord en hij knikt enthousiast terwijl hij achter haar aan draaft. Ze legt hem moeilijke concepten uit op zo’n duidelijke en eenvoudige manier dat ik soms denk dat hij het écht een beetje snapt. Ze leeft op het muurtje in de badkamer. Ze heeft een 5-tal zakjes verspreid in het huis. Zakjes vol geheimen. We mogen ze niet openen en proberen die wens te respecteren. Alleen als we een bankkaart of belangrijke sleutel missen, weten we dat we haar woede zullen moeten trotseren omdat het verloren attribuut zich ongetwijfeld in één van de die zakjes bevindt. Ook als er uit een bepaalde hoek van het huis een onbestemde stank opstijgt, weten we dat het tijd wordt om zo’n zak te lokaliseren en met de nodige bescherming onschadelijk te maken.
Ik hoor haar midden in hun spel: “en toen pikte jij mij”. “Neenee, niet piTSen, piKKen, weet je wat dat is pikken? Dat is als jij mij meepakt naar jouw huis terwijl ik eigenlijk niet van jou ben.” “Neeee Tobe, niet pitsen!! PiKKen!!”
Het lukt me (eindelijk!) best goed om mij op de achtergrond te houden. Niet simpel aangezien we ondertussen al bijna 10 dagen in quarantaine en dus in dezelfde leefruimte zitten en dat zonder tuin. Maar ik plooi wat was, leeg de vaatwasmachine, lees wat, drink koffie en doe alsof ik niets hoor. Ook niet de ruzie of het gehuil van de jongste. Hen gewoon laten doen en als er echt iets is, komen ze wel naar mij toe. Ik heb dat altijd moeilijk gevonden maar deze dagen gaat het verbazend goed. Ik hoor hen regelmatig zelf ruzies oplossen, gehuil dat stopt zonder dat er moet getroost of berispt worden. En ik slurp nog eens tevreden van mijn koffie.
Deze ochtend in de badkamer, ik hoor gestamp, geschreeuw, het zoontje begint luidkeels te roepen en te huilen. Even stilte. Dan komt hij aangerend: “Mamaaaaaaaaaaaa, Mira hele tijd stampen!” Als ik even poolshoogte ga nemen, verklaart de dochter: “Tobe probeerde mijn vel te scheuren!” Ze kijkt me vol verwachting aan. Blijkbaar wil ze meer verontwaardiging, dus ze gaat verder: “Hij probeerde echt mijn vel van mij af te scheuren mama.” Nog steeds niets. “Hij probeerde mijn lijf te scheuren! Hij wou mij kapot maken!” Ik probeer mijn glimlach te verbergen. Ze denkt na. Wat moet een kind hier nog verzinnen voor wat medeleven van haar moeder? “En toen zei hij: ik Mira stikken!” Ze gebruikt een gemeen heksenstemmetje als ze zijn stem imiteert en ik barst in lachen uit. “HIJ WOU MIJ LATEN STIKKEN, MAMA!!”
Zij reageert poeslief als ik vraag of ze nog een boterham wil: “Het is heel lief dat je dat vraagt mama, maar eigenlijk hoef ik er geen. Toch bedankt.” West-Vlaamse beleefdheid van de bovenste plank. Maar even later woest omdat ik een kruimelspoor (dat ze daar wel had gelegd zodat haar wolfje niet zou verdwalen hé!) heb op gestofzuigd. “Jij bent een domme pen! Jij bent een bil van mij!” En ik ben blij dat het (voor een keer) de ergste dingen zijn die ze kan bedenken.
Als ik hen lange tijd hoor stommelen in de badkamer, het verdacht stil is en ik even later iemand zacht hoor huilen, ga ik toch even kijken. Hij komt me tegemoet. “Nee mama, ikke alsof wenen. Kijk hè: weeee-eeee-eeee.” Ik geef hem zachte kusjes in zijn nek. Toegeeflijk drukt hij zijn voorhoofd tegen het mijne. Hij kijkt me aan en zegt zachtjes: “En.nu.oewegg.ggaan.” En als ik niet direct in actie schiet: “Gga.oewegg!”
Daar waar zij rond die leeftijd haar wil duidelijk maakte door explosieve, eindeloze woede-uitbarstingen, pakt hij de zaken meestal wat verfijnder aan. Hij komt vrolijk aangedarteld, op de toppen van zijn tenen, zijn gezicht vlak voor het mijne, houdt zijn hoofdje scheef gelijk een kokette diva en spreekt me aan met zijn hoge stemmetje: “fumptje kijken, affefieeeet?” Hij is zo een vrolijk jongetje, nooit lang boos, kan heerlijk schateren en heeft veel fantasie. Hij is altijd als eerste wakker en als zij dan eindelijk beneden is, komt hij enthousiast aangerend: “Miiiiraaaaa!” Zij woelt dan eens teder door zijn haar en glimlacht naar mij. Die blik waarmee ze me dan aankijkt, die zou eigenlijk verboden moeten worden tot ze 18 jaar is. Minstens.
