ik heb gedacht dat het perfect was op dat moment
en gevoeld dat het vluchtig en breekbaar
ik heb heel hard gelachen
ik heb luid geschreeuwd tegen hem, voor het eerst
daarna huilend gebeld naar haar, niet voor het eerst
ik heb gemist:
hen eens goed vast pakken en de kinderen tevreden in hun armen
de gezelligheid op een ander, de geuren in hun huizen,
de dekentjes en mijn voeten opgetrokken in haar zetel
vriendinnen, vertrouwd als zussen, te ver weg
een tafel vol lekkers en een heleboel mensen daarrond
ik heb hen zo veel gezien,
bewonderd:
dat starten en ontwaken
die explosie van groei, leven en licht terwijl alles rond hen stilviel
ik heb hen te veel gezien,
wanhopig:
om de strijd die zij altijd weer creëerde
en wij maar zwaaien met onze witte vlaggen
mijn hoofd tegen de muur, want zo ver over mijn grenzen
(zelfs een “dubbelefakjoe”, de ultieme belediging uit mijn kindertijd die ergens diep verborgen zat en ineens onbeheersbaar naar boven borrelde)
ik heb gezongen zachtjes naast hun warme lijfjes in bed
heel hard alleen in de auto terwijl tranen over mijn wangen
ik heb gevoeld
verslindende, verlammende angst en voor het eerst met iemand gepraat
geluk, in kleine beetjes en af en toe die heerlijke volle laag
verdriet en dat het nog rauw, om wat nooit meer zal en zo schoon was
tevredenheid om die beetjes geluk, dat lachen en dat groeien
schaamte om mijn ontevredenheid want zoveel meer geluk dan anderen
ik heb gevoeld
zijn ogen op mij gericht
vol bewondering, begrip, adoratie, liefde
en ook triest, ontgoocheld, verward, geërgerd
zijn handen, zijn adem, zijn huid
en ik heb boekjes gestapeld, kruimels samen geveegd, de stinkende schotelvod in de wasmachine
haartjes gekamd, nagels geknipt, vetvlekken van de keukenkast
ik heb kleren geplooid, handjes gewassen, mondmaskers op 60 °C
de slappe lach gehad
gedanst in onze keuken
in zijn achterwerk geknepen
herhaaldelijk
en ik zal dat ook doen
in tweeduizendeenentwintig
