soms heb ik genoeg
zie ik het overal
wordt het alleen maar meer
volle teugen en armen vol
en dan wil ik morsen
troosten
uitdelen
‘t is heel gewoon:
de pompoen met look en rode ui in de oven
een beetje parmezaanse kaas erover
geraspt
en dat raspen zo’n woord is
dat helemaal klinkt zoals het doet
het licht hier binnen dat de zachte paarse blaadjes streelt
en dat strelen ook zo’n woord is
een beetje dille bij de rijst en zijn handpalm
haar vurige, groene ogen en tijdens het wandelen
de kool- of pimpelmeesjes, ik weet het nooit zeker
reigers, een witte zelfs, een roodborstje, een eekhoorn en moeten die nu niet winterslapen en is dat wel een werkwoord?
als ik geluk heb, en ik had al twee keer geluk, de ijsvogel
de geur die uit de winkel gewaaid komt
waar de deur altijd open
en nog wat restjes noten muziek het plein op
de lachrimpels vanachter hun mondmaskers in de klas
een stem die zich nestelt in de verre hoeken van het huis
lekker waspoeder van de fietser voor mij
die een trui waar ik mijn neus in wil
met een kap waar ik mijn hand onder wil, want altijd het warmste plekje
zachte, ronde woorden zoals bedeesd, blozend en duizelen
‘t is niet eens poëzie
en een beetje banaal
maar ‘t is schoon
dus ik heb het uitgedeeld