Hier keek ik al de hele week naar uit. Donderdagochtend had ik een uurtje. Dit park, met die sneeuw en dat licht! Ik moest het zien.
Ik vergat natuurlijk weer 2 paar sokken te dragen dus na een poosje voelden mijn tenen als 10 wascostompjes (zo van die goedkope) die per ongeluk in mijn schoenen waren terecht gekomen. Het was -8°C en nog vroeg, dus ik kwam slechts enkele andere wandelaars tegen. Van die echte. Met Russische bontmuts en stevige stapschoenen, wellicht ook thermisch ondergoed en ongetwijfeld 2 paar sokken. Ze knikten me vriendelijk maar ook een beetje streng toe terwijl ze me haastig voorbij wandelden. Dat treuzelen van mij en wat foto’s maken met mijn gsm (niet eens een deftige camera) was misschien niet iets wat je op dit uur deed. Ik zag ook een man met hond en korte short. Hij droeg enkel een dikke trui en die short dus. Blote, harige benen daaronder. Zijn trui riep dat hij al 10 jaar straatvrijwilliger was en hij bekeek mijn lange broek, dikke sjaal, handschoenen en oorwarmers met zichtbare afkeuring.
Maar ik zag vooral het warme licht van de zon, de stralen die zich overal tussen de takken wurmden. Een buizerd in een boom vlakbij die me rustig gade sloeg. Een eekhoorn die, ongemakkelijk om zich heen kijkend, over de sneeuw rende. Alsof hij doorhad hoe zichtbaar hij nu was en zich naakt voelde onder mijn curieuze blik. Ik zag de bevroren vijver nog nooit eerder zo stil en sereen. Het leven weggestopt, verborgen onder die laag ijs, berustend. Het ijs op de rug, uitgestrekt en weerloos, met de buik bloot. Overgeleverd aan het spel van de zon en de kou. Het had geen keus, werd gebruikt, weerspiegelde ongewild de oranje gloed van de plagende zon. Intussen wachtend op de dag dat de zon aan kracht zou toenemen en het gewoon, zomaar ineens zou oplossen. Zonder meer.
Ik stapte wat sneller door, het uur bijna voorbij, mijn afspraak wachtte. De wasco’s werden weer tintelende tenen maar ik had het gezien. Ik had het allemaal gezien.
