Zo’n dag zonder kinderen.
En wat doen we dan?
Ik ben rond 4u opgestaan voor haar en dan om 6u voor hem en de dag is begonnen.
Ik rijd hen naar West-Vlaanderen en dan met lege auto terug naar huis.
Radio aan.
Er moeten geen rijstkoeken en drinkbussen aangereikt worden.
Stilte op de achterbank.
Geen gevallen knuffels opgeraapt.
(zo met één hand aan het stuur, onderuit gezakt, één hand achter me graaiend terwijl de dochter instructies geeft: ja, je bent er bijna, een beetje naar rechts nog, nee nog iets verder, … En dan gejuich als ik een stuk knuffel kan vastgrijpen)
Dat nu dus niet. Gewoon in alle rust naar de radio luisteren, een beetje meezingen en lachen met de mopjes van de presentator. Beetje praten tegen mezelf. En tegen de imaginaire interviewer die af en toe naast mij zit.
Overdreven lachen naar de chauffeur in de auto naast me.
Thuiskomen in een leeg en stil huis. Opgeruimd ook. Hun laarzen naast elkaar, op een rijtje.
En de man even later daar met onze lunch.
Samen eten aan de keukentafel.
Bijna onwennig tegenover elkaar, alleen wij twee, met tijd om te praten zonder onderbreken. Teveel halve zinnen, gestarte verhalen die nooit zijn afgemaakt tussen ons in.
Te veel om in te halen dus we doen geen moeite.
Ik een klopke dus zomaar even in de zetel gaan liggen in het midden van de dag. Zon op mijn gezicht. Vijf minuten wegdommelen terwijl de man zachtjes op zijn toetsenbord tokkelt. Wakker schrikken want plots een knie in mijn buik verwachten. Of snot tegen mijn wang.
Maar nog steeds dat leeg huis en die stilte.
Samen op de fiets nu.
Gewoon schoenen en jassen aan en vertrekken. Alsof het niets is, zeggen we verbaasd.
Rustig een museum doen. We hebben alle tijd.
Alles kunnen lezen, bestuderen, grappige weetjes delen, af en toe wat tegen elkaar aan leunen. Samen stil zijn.
Ik fiets alleen terug naar huis. Er zijn zo absurd veel vogels opeens. De avond valt, de lucht kleurt donkerblauw en dit parallelle leven is er opeens. Op de fiets zonder een kind in het stoeltje.
We eten weer, zachte muziek en rode wijn erbij. Het huis nog steeds opgeruimd. Wij herontdekken aarzelend hoe dat ook weer werkt. Zinnen afmaken. Daar op reageren. Vragen stellen. Antwoorden. Luisteren naar dat antwoord. Zo van die dingen.
’s Ochtends stommel ik de trap af. Wakker geworden van koerende duiven op ons dak.
En hun laarzen daar gewoon naast elkaar, op een rijtje.
Tijd om mijn koffie te proeven. Me mijn droom te herinneren. Te voelen dat de lente en waar komen toch al die vogels opeens vandaan.
En ik wil niet dat dit overgaat, ik wil dit leven altijd en ik kan niet wachten tot het weer verdwijnt.
De laarzen weer kris kras in de gang.
En snot op mijn wang.
De interviewer knikt begripvol. Een uitroepteken in zijn boekje.
