het is daar op haar bed
dat geurt naar
sluimerende slaap
bloemen
en wat vage restjes modder
in het vers krakende donker
terwijl haar ademhaling nog gejaagd
ze af en toe schrikt, kreunt,
haar hand omhoog vliegt
als een duiveltje-uit-een-doos
ze ‘ik wil niet slapen!’ roept
in haar slaap
het is daar aan haar voeten
dat de drukte van de dag
nog wat naschokt
in haar lijf
ze vertraagt
en ook mijn haasten en zuchten
mijn zenuwen en vluchten
uiteindelijk
lang genoeg genegeerd
afdruipen
wegglippen
via de kier onder de deur
want het is stil geworden
het is daar in die stilte
aan haar voeten
op het bed
dat ik luister naar niets
en de woorden in mijn hoofd
dan pas
schuw
tevoorschijn komen
zichtbaar worden
zich ordenen
het is dan als ik
op het bed van mijn
slapende dochter zit
dat gedichten ontstaan
zoals nu, ineens,
dit