hoe we daar zaten op de stoeprand
knieën omhoog
het rook naar vers gras en warm geluk
het was in jouw stad
waar die oude eik stond
ik had
je gepord en jij riep uitgelaten
dat je mijn gezicht zó mooi vond
de zon die ons naar elkaar toe scheen
het danste in mij
onze hoofden dicht bijeen
en ik kon maar niet geloven
dat jouw hand daar net
en we ‘s avonds bij elkaar in bed
dat je zo veilig en lief was
zorgeloosheid morste
en mij laagje na laagje
bloot pelde
wij zouden nu groeien
misschien wel blijven
we zijn er nog
en na een lange winter schijnt de zon
hier en ook verderop een kind
ik ruik vers gras en jij zucht:
dat je mijn gezicht toch zó mooi vindt
mussen kwetteren en wij doen
alsof de zorgeloosheid nog in voorraad
en soms is dat genoeg
want de winter was lang
en wij zijn er nog