dag jonge vrouw
met je broek net iets te kort
je zwarte legerschoenen en roze haren
je vel is bleek en je ogen donker
maar jij licht
want je danst een beetje
en de hielen van je schoenen
tikken ritmisch op de grond
en ik vind dat mooi
dag knappe man op de fiets
ik kijk iets te lang dus je glimlacht tevreden
je mondhoeken krullen zelfzeker omhoog
je neusvleugels iets wijder
en je wenkbrauwen schuin
je hele gezicht zegt:
“ja, kijk maar, ik ben echt heel mooi hé?”
en ik moet hardop lachen
want ’t is echt waar
maar dan nog
dag kleine meisje
achterop bij je mama op de fiets
ze draagt een rugzak en buigt naar voren
zo ver als ze kan
maar je kijkt me aan
zo van:
allemaal goed en wel maar
ik zit hier toch maar met een rugzak op schoot
dag slapende man
op die harde bank
je gezwollen gezicht in de ochtendzon
bloed op je wang en je lijkt nog zo jong
hoe vredig lig je daar
en ondanks de zware nacht
het harde leven dat jij kreeg
deed je toch je schoenen uit
zette die netjes naast elkaar
bij het bankje op de grond
want slapen doe je niet met schoenen aan
dag kindjes op jullie hurken
aan het einde van dat straatje
naast dat bloeiende struikje daar
druk in de weer met mijn kookpot
krijtjes pletten, blaadjes plukken en wroeten in de aarde
zeulen met een veel te grote gieter
roeren met stokken in een papje
dag jongetje
je ziet me en rent nu op me af
zo snel als je korte beentjes je kunnen dragen
dag meisje
je springt op en neer
jullie roepen:
mama, mama, mama!
steeds luider
alsof ik terugkom van een lange wereldreis
en ik heb me nog nooit ergens
zo welkom en geliefd gevoeld
dag lieve vuile modderkindjes
in mijn armen nu
wat was het druk in de Colruyt
wat zijn er veel mensen en verhalen
en wat ben ik blij om nu hier bij jullie
met jullie zwarte nagels, snottebellen,
luide stemmen en zachte wangen
thuis te komen