Het is zo’n ochtend.
Het zoontje was wakker tussen 1u30 en 3u30, raakte maar niet terug in slaap. De man had niets gemerkt. Zijn gesnurk overstemde wellicht alle andere geluiden. Dus ík zo’n 5x naar het zoontje. Had uiteindelijk, bloot op de koude vloer, voor hem gezongen. Van ‘Baby mine’, dat is ons troostlied. Ik hield zijn hand vast door de spijlen van zijn bedje. Hij wou niet lossen. De gelijkenis met de scène uit Dumbo was treffend. Alleen het koortje en de absurd hoge vioolbegeleiding ontbrak.
Het ontbijt verloopt moeizaam. 5 minuten voor we naar school moeten vertrekken, hoor ik de dochter iets zeggen over haar geheime zakje. En dat ik het nooit maar dan ook nooit van mijn leven zal vinden. Dat ze de beste verstopplaats ter wereld heeft gevonden. Ik registreer het niet echt want het zoontje is nog helemaal bloot. Zit vol bewondering zijn tepels te bekijken. Hij is toch zo trots op die tepels, toont ze graag aan de mensen bij wijze van kennismaking. “Kijk, ik heb tepels, toewee tepels!”
Op school huilt hij bij het afscheid. Klemt zich aan me vast, wil bij mij blijven, zegt dat hij zo moe is en thuis verder wil slapen. Mijn hart zakt tot achter mijn navel. Ik houd mijn tranen tegen. Dat ik het begrijp. Dat ik dat ook zou willen. Dat het nu niet kan want dat ik moet werken. En laat hem luid huilend achter in de armen van de juf.
Bezwaard fiets ik naar mijn werk. Het is eigenlijk mijn vrije dag. Maar er is een deadline en het kan enkel vandaag. Ik ben daar ambetant over. Een vrije dag is een vrije dag eigenlijk hé. Als dat afgehandeld is en ik terug huiswaarts fiets voel ik me zo triest. Denk aan de dochter die 5,5 jaar is en bijna naar het eerste leerjaar gaat. Die aan de juf vertelde hoe spannend ze het vindt, dat ze dat niet zal durven, niet zal kunnen, dat eerste leerjaar. En toen de juf vroeg of ze niet graag nieuwe dingen leert: “Neen, ik wil eigenlijk liever thuis met mijn broertje spelen.” Zo staat het in het boekje. Ze zal leren lezen, schrijven, rekenen en zwemmen. Veel druk. Veel verwachtingen. Ze vindt dat moeilijk. Ik vind dat moeilijk. Ik oefen het vertrouwen dat het goed komt. Zodat ze dat vertrouwen voelt en het 2 maanden kan groeien.
Een man in een geparkeerde auto gooit ineens zijn deur open. Ik slaak een kreet. Ik kan nog net op tijd uitwijken. De man roept mij kwaad na dat hij bijna een hartinfarct deed. DAT HÍJ BIJNA EEN HARTINFARCT DEED? Verbouwereerd fiets ik verder. Bedenk daarna pas wat ik terug had kunnen zeggen. Mij uitvoerig excuseren. Vragen of het wel ging en of ik misschien even met hem langs het spoed moest rijden. Dat het allemaal mijn fout was, natuurlijk, zomaar op het fietspad rijden met een fiets. Wat dacht ik toch. Fietsen in Antwerpen. Dat is toch puur automobilisten pesten. Ik houd nog wat tranen tegen, die van daarnet. Het is zo’n ochtend en ik voel me zo moe. Zwaar. Triest.
Thuis zie ik haar knuffel op de keukentafel. Met een onderbroek van het broertje en zijn kop in een kommetje. Ze deed dat vanmorgen. Heeft er waarschijnlijk iets over gezegd. Maar ik luisterde niet want rende haar blote broertje achterna. Hij wou blote tepels voor op school.
Ik zie nog iets anders. Een schuine bloempot. Half van de turnmat aan het glijden. Er zit iets tussen de mat. En ik herinner ik me haar woorden. Over de beste verstopplaats ter wereld. Ze was zo zeker. Ik veeg wat tranen van mijn wangen want het is zo’n ochtend. Straks haal ik hen van school. Hij zal moe en hangerig zijn, zij misschien weer schreeuwen en stampen. Maar ik toch een beetje lichter. Dat denk ik wel.

