
we schommelden traag de zomer in die nooit helemaal wou doorbreken
maar we deden toch van blote voeten op straat, de voordeur open met de beste buren en broekjes vol krijt
we sliepen in een tent met felle kleuren en kregen schemeravonden en dan pas hun bedjes in en wij dan nog wat staren naar de sterrenhemel maar als ik helemaal eerlijk toch iets te fris en iets te veel muggen en iets te moe om daar nog lang buiten naast jou
we werden wakker van loeiende koeien en oorverdovend gekwetter en het briesen van een paard en geruzie in hun tent want hij op haar deken en zij op zijn haar en ik had die nacht trouwens op hun potje geplast en voelde tevredenheid
en toen was er teveel regen en ik kreeg de beelden en koppen niet weg geschud en keek uit het raam en dan naar mijn huis en kinderen en kon het nooit allemaal tegelijk vasthouden en dacht aan hun verhalen over vluchten en was bang
we reden uren naar een plek waar het wat warmer en droger en moesten daar eerst bekomen van de lange rit en een moeilijk jaar en donkere gedachten en dat was toch iets te veel verwachten van zo’n zomerhuis met zwembad en ik las daar ook dat boek
dat huis kon die donkerte niet helemaal oplossen maar het werd wel lichter want we werden nu wakker van kwetterende nichtjes en zaten elke ochtend allemaal aan die grote ontbijttafel waar gepord en gemopperd en gelachen werd en af en toe een droom gedeeld en steevast melk gemorst en we dronken koffietjes uit vier tasjes op een rij tot de laatste druppel uit de thermoskan en dan het zwembad in
we wandelden in grotten en steden met ballonnen, bloemen en fonteinen en zaten aan riviertjes met kaasjes en druiven en de overstromingen nu wat verder weg en mijn angst minder
de meisjes gilden meestal te luid en dan gingen wij wat verder zitten en het jongetje speelde overal behalve in dat zwembad en liet op zijn moedigste dag zijn voeten wel eens in het water bungelen
en toen was er vuur, overal vuur, dat schreeuwde mijn telefoon als ik die ’s avonds bekeek en ik dacht weer aan vluchten en de angst lag nu naast me in bed en kleedde me uit en bleef liggen ook lang nadat ik dat schermpje had uitgezet en jij erbij was gekomen
we vonden de beste plek tussen de wijngaarden op een heuvel om de zon te zien zakken en David Bowie zong door het autoraam ‘as long as there’s sun, as long as there’s rain, as long as there’s fire’ en de kinderen ‘ik heb de zon zien zakken’ en het rook daar naar geluk
we kwamen terug en het regende en we haalden wat er uit de dagen te halen viel en dat was best veel en warm en er werd gedanst en gelachen en gevierd (en de angst bij mij op schoot)
ik zeg dag en zwaai en tot ziens en het is echt goed geweest en mijn zonnebril weer in het laatje linksboven in de bruine apothekerskast
morgen zal ik de angst (en telefoon) uit bed schoppen, opplooien en bij het strijkijzer leggen want dat is er wel maar we gebruiken het nooit en dan er is weer meer plaats voor jou en jij zal warm zijn en de lakens gewassen