je zat eerst nog op de fiets
het was herfst geworden en je fiets rammelde over de kasseien
je voelde iets mee rammelen ergens in je hoofd
maar je wou het niet lossen
het mocht niet lossen
en toen lag je daar, je gezicht ingelijst,
niemand om het te bewonderen
je staarde naar de grond
en het pluisje dat daar lag veerde af en toe geschrokken op
zweefde enkele centimeters naar links
je lijf lag daar op die tafel
zonder gezicht
haar handen streelden en wreven en knepen
rolden over je heen als golven op het strand
handen van een ervaren bakkersvrouw
die vertrouwden dat straks alles zou geuren naar vers,
naar nieuw en opnieuw en dat het belletje zou rinkelen
bij de eerste klant
je lijf zonder gezicht ontspande
toen gingen haar handen door je haren
koesterend
en jij voelde weer tot waar je reikte
was vergeten dat er zoveel van jou was
om te koesteren
en plots schokte er iets
het waren je schouders
en druppels vielen op het pluisje
dat nu geen kant meer op kon
en dat wat al zolang aan het rammelen was
kwam eindelijk los