Kontrabas

Ik vouw hun onderbroeken. Hoewel ik nog steeds twee stapeltjes maak, heeft dat weinig zin. Zij draagt bijna altijd zijn boxershorts. Ze vindt het fijn dat die zo ruim zitten. Hij daarentegen kiest regelmatig haar onderbroeken. Grauwig roze (ik sorteer mijn was niet) met gekleurde zebra’s erop. Of een glitterrandje. Hij vindt dat mooi.

Als ik hem help met zijn onderbroek, wil hij zijn rechterbeen niet opheffen. Die is kapot. Hij steekt zijn wijsvinger uit en begint te grommen, te boren en te schroeven. Zo, klaar. En ineens gaat zijn rechterbeen de lucht in en verdwijnt in het pijpje. Ik zing een liedje maar hij onderbreekt me streng. ‘Je liedje is op slot, mama. Volgende keer mag jij terug zingen, als je liedje weer open is.’

Hij loopt met zijn handen druk te bewegen en zoeft en zwaait. Gifarren redden van de monsters. Met zijn raket vliegen. Krokodillen doodmaken. Hij heeft veel meer fantasie dan zij op die leeftijd. Toen zij zo oud was bestonden haar dagen uit veel frustratie die steevast in driftbuien resulteerde en daarnaast heel veel vragen. Zij wou grip op haar leven, controle en kennis. Wilde alles zien, alles begrijpen, alles bepalen en voelde daarbij (te) veel en (te) heftig. Hem kan de realiteit niet zoveel schelen. Hij vraagt 1000x per dag ‘waarom’ maar het antwoord boeit hem niet, ’t is de vraag die hem amuseert.

Als ik voor het eerst in bijna nooit mijn strijkijzer en strijkplank nog eens bovenhaal, vraagt hij waarom ik mijn broek ga mixen. Hij komt vol verwachting kijken naar dat onbekende apparaat. Terwijl ik strijk, vraagt hij hoopvol wanneer ik ga beginnen en druipt teleurgesteld af als blijkt dat ik al bezig ben. En het dus maar dát is dat je met dat ding kan doen. Het maakt niet eens geluid.

De dochter praat aan de voordeur met een vriendinnetje. Ik hoor haar proesten om het woord “contrabas”. Daar zit kont in. Ze komt niet meer bij.

Met gestreken broek (de dochter merkt op dat er nog érg veel kreuken in zitten en dat ik het riempje beter ook gestreken had) vertrekken we naar de bibliotheek. Ze houdt haar pop vast, huppelt naast mij en tatert honderduit. In de bibliotheek gaat ze in een hoekje zitten met een stripverhaal en ik kan ongestoord mijn eigen boeken kiezen, dat is nieuw. We kiezen er ook samen een paar voor haar en haar broer en wandelen terug over de oude begraafplaats waar het prachtig wandelen is in de herfst.

We rapen okkernoten en kijken gefascineerd naar die berk die recht uit een graf groeit.
Ze vraagt me de naam voor te lezen van wie daar ligt. Ik zet me schrap voor een resem moeilijke vragen over de dood maar ze giechelt alleen. Billy. Daar zit bil in.

Er zijn werken in onze straat. Ze wijst naar een buis en vraagt waarom daar zoveel gaatjes in zitten. Ik zeg, zoals ongeveer 20x per dag, dat ik het niet weet en ze het straks maar aan haar vader moet vragen. “Ja, dat is omdat jij, hoe moet ik dat zeggen, ik wil niet zeggen dom want dat is niet zo lief, dus euhm, … Dat is omdat jij niet zo slim bent.” zegt ze, waarna ze nog een gedroogd appeltje in haar mond stopt. Ze checkt even hoe ik reageer. Als ik haar gespeeld verontwaardigd aankijk, lacht ze achter haar hand. “Gewoon een ietsiepietsie dom”, durft ze nu. Dat vraagt om een kietelaanval.

De volgende dag voel ik bij het hurken mijn broek scheuren. We zijn op wandel met de hele familie. Ik draag gelukkig een lange jas. Ik durf de schade niet op te meten dus de jas blijft aan, de hele dag. ‘s Avonds zie ik dat het niet meer te herstellen valt. De man wijst me er in het voorbijwandelen op dat ik dat riempje toch beter ook gestreken had. Dus de broek gaat uit, de vuilbak in en het strijkijzer terug in de diepe krochten van de kast.

Het zoontje komt kijken, zijn zus ook. Ze dragen ook geen broek. Uiteraard. Hij doet mijn liedje weer open. Ik zing van de boom staat op de berrug. Ze vallen in. Halihallo. Drie onderbroeken dansen door de keuken. Dat ziet er vast een ietsiepietsie, hoe zal ik het zeggen, dom uit. Maar ik hoor de man, die geamuseerd toekijkt, niet klagen.

Plaats een reactie