iets met water

Ze zitten samen in bad. Ze maken schuimbaarden (ik ben Sinterklaas! en ik ben Bart!), schuimsnorren en schuimborstjes. Ze worden steeds wilder en het water klotst over de rand. Tijd om het zoontje uit bad te vissen. Hij protesteert niet. Kijkt tevreden naar zijn vingers vol rimpels, die aantonen dat hij lang genoeg in bad zat. Hij kijkt eerst geconcentreerd, wrijft dan zijn vingers over elkaar en over mijn hand, houdt zijn hand voor de spiegel en zucht van contentement. 

Plots loopt hij bloot de badkamer uit. Onze slaapkamer door naar het bureautje waar hij aan het raam gaat staan. Een plekje waar ik hem de laatste tijd regelmatig vind. Van daaruit kan hij net ons vorige huis zien, dat zich enkele huizen verder aan de overkant bevindt. Ik hurk naast hem en we kijken samen. ‘Mis je ons andere huis?’ Hij knikt. ‘En ik mis mijn kleine bedje.’ Hij wijst naar het raam van zijn oude kamer, waar nu een ander spijlenbedje staat van een baby’tje dat net zo klein is als hij ooit was. “En onze kadbamer en de oeweecee in de kadbamer.” Ik begrijp hem. Het was een hele fijne badkamer. Altijd heerlijk warm. En het rook er lekker want de wasmachine stond daar ook. Ik had er veel planten want er was genoeg licht. Voor hen was het een extra speelruimte achter onze keuken waar ze groot werden. Waar hij eerst op zijn billen rondschoof, daarna zijn eerste aarzelende stapjes zette en hij het laatste jaar even wild als zijn zus danste, stampte en rondrende. 

Hij vindt het hier echt fijn maar dat kijken naar ons oude huis en wat mijmeren, dat kan hij niet laten. En hij is niet de enige. Dus ik blijf even naast mijn blote ventje zitten. Sla mijn armen om hem heen en kus zijn nek. Ik denk aan nummer negenenzeventig. Hoe magisch de eerste weken daar voelden, 7 jaar geleden. Het naar huis fietsen uit de drukke stad, tussen gejaagde auto’s en over gladde tramsporen. En dan dat smalle straatje met Franse allures – bloembakken en gevels vol kleur – inrijden en op het einde ons eigen huis. De kauwen die bij schemertijd rondvlogen, zich in grote groep kibbelend in een boom nestelden, zoekend naar de juiste tak om dan plots met honderden en oorverdovend gekwetter weer op te stijgen. Die eerste ochtend hoorde ik meerdere hanen kraaien en ik waande me op het platteland. Het rook naar het groen van het uitgestrekte park dat niet zo veel verder gekruld lag na te genieten van een dag vol zon en ik wist dat ik thuis was. Twee keer die voordeur binnenwandelen met een nieuw leventje. Hun eerste lachjes en wat zeiden ze ook alweer dat zo grappig was. Sommige herinneringen bleven al haken achter die chauffage in de badkamer, vonden de verhuis teveel gedoe. Andere kwamen met ons mee maar zullen ook terugkeren. Als ze voelen dat het kan, zullen ze wegglippen. Als we even niet opletten. Ze moeten niet ver. Ze zullen zich verschuilen onder de kasten in de keuken, achter de trap, tussen de gordijnen, bij de wc in de badkamer. Verdwijnen daar waar ze ontstonden.

Het zoontje krijgt kippenvel dus we gaan terug naar de dochter, die nog in het bad zit. Dat was er niet in de vorige badkamer. Ik moet er nog aan wennen dat het zo stil is als zij alleen in bad zit. In het vorige huis was er enkel de inloopdouche, wat zij nogal letterlijk nam. Ze rende er heen en weer onder het stromende water, schaatste, danste en nam duikvluchten… Converseerde, zong, miauwde en gromde intussen volop. Het klonk vaak alsof er zich een heel circus in de douche bevond. Maar in dit bad komt ze helemaal tot rust. Er gaat net genoeg water in zodat ze kan liggen met haar hoofd en oren onder water en haar gezicht er net boven. Zo ligt ze daar, zolang als we haar laten. In stilte. Met gesloten ogen. Zen. En zen is een woord dat zelden op mijn dochter van toepassing is. 

Ik laat haar nog even liggen terwijl ik het zoontje help met zijn pyjama. Ik herken dat effect van water. En hoe dat pas komt als mijn oren ook onder water zijn. Letterlijk afgesloten van het hier, van de mensen en de dingen. Ondergedompeld in een parallel universum waar zelfs mijn gedachten anders zijn en waar tijd of angst niet bestaat. De psycholoog vroeg me welke naam ik het zou geven. Welke vorm en kleur. Hoe groot en waar het zich bevond. En vooral, waar het zich niet bevond. Waar het niet kwam. Als ik zwem, zei ik, onder water. 

Even later zitten we beneden in de zetel onder warme dekentjes. Het zoontje koos ‘buurban en buurban’ en dat kijk ik graag mee. Ik ruik hun natte, versgewassen haren en geniet van hoe ze tegen me aan hangen. Ik kijk stiekem door het raam en zie een stukje van de witte gevel van nummer negenenzeventig en het nu kale voortuintje. De herinneringen die daar bleven kan ik zien vanaf hier: ik zie de kinderen spelen, felle kleuren van mijn bloemen en krijttekeningen overal, ik hoor gegil en watergespetter en ik ruik de barbecue. Ik hoor zachte muziek ‘s avonds en vuur dat knettert. En we lachen. Ik hoor ons lachen. Binnenkort wordt het lente en gaat het boompje daar weer prachtig bloeien. En van hieruit zal ik dat ook kunnen zien. 

Het is de volgende dag en ik voel me goed en dat is deze periode minder evident. Maar goed is beter als het van diep komt. Een gouden randje heeft het net als de zon die na drie dagen regen en storm op het natte raam schijnt. De druppels glinsteren net als de tranen op mijn gezicht. Ik ben vierendertig geworden vandaag, ook al gokte de dochter vanmorgen zestig. Ik heb besloten me te warmen aan de lieve wensen die binnendruppelen en ze woord voor woord te koesteren en te geloven. En te schrijven. Meer te schrijven. Herinneringen vast te pinnen voor ze ontsnappen. Bij deze. Vanmorgen lag ik met de man in het water. Met mijn oren onder water, mijn lichaam gewichtloos. Hij hield me vast zoals hij me de laatste weken veel heeft vastgehouden. Het voelde veilig. De storm gaat stilaan liggen en de winter loopt op z’n eind. Ik zit aan de andere kant van het huis nu en kijk naar de nieuwe tuin. Een echte tuin deze keer in plaats van een veredelde oprit. En ik zie de herinneringen al. Spelende en gillende kinderen, waterballonnen en felle kleuren van alle bloemen die ik wil planten. En ik hoor ons lachen. Luid lachen. 

Plaats een reactie