Saudade

Het zoontje heeft op mijn terugkomst gewacht. Beslist in een zeldzame vlaag van moed dat ik zijn losse tand er uit mag trekken. Een tand minder en bijna 2 uur huilen later (eindelijk weer wat ontladen in moeders armen) speelt hij, plots enkel in onderbroek en met oorwarmers op, in de tuin. Hij heeft een lange stok vast, zwaait wild in het rond terwijl hij heen en weer rent. Zoals altijd druk aan het praten tegen zichzelf of tegen een imaginair publiek, wie zal het zeggen. Hij is vorige week 6 geworden en er mocht absoluut niet voor hem gezongen worden. Feliciteren was wel toegestaan maar we moesten niet overdrijven. De twee beste cadeaus die hij gekregen had, waren de chocopot van oma en de lelijke, roze oorwarmers die ik voor een halve euro in de Kringwinkel vond. Zijn geluk kon niet op. 

Ik lig in de zetel met zicht op de tuin en de dochter heeft zich in mijn armen genesteld. De eerste jaren van haar leven had ik bijna dagelijks dat gevoel: die verwondering, dat ongeloof, hoe het toch mogelijk was dat dit mensje in mij was gegroeid, dat ze deels mij wás, zo broos, zo verbijsterend mooi, zoveel pure onschuld en ontroering in mijn armen. Het was soms bijna ondraaglijk.

Nu is ze acht en een prachtige, vurige, gevoelige wijsneus. Ze ligt tegen me aan, vindt geen goeie plek want mijn arm en schouder zijn te hard maar ze blijft toch liggen. En daar is het gevoel weer, nu ik haar een week niet gezien heb, die schok van ontroering en ongeloof, dat wij dit prachtige kind hebben gemaakt. Wisten wij veel dat we dit konden, dat er zoveel schoons kon groeien uit onze twijfels, ons verlangen, onze pijn, ons onvermogen. Uit ons.

Ik sluit mijn ogen, zie de smalle straatjes van Lissabon voor me, voel de honderden trappen die we beklommen in mijn kuiten, ik hoor de hartverscheurende Fado, het zangerige Portugees hangt nog rond me en ik proef de zoete pastéis de nata op mijn tong. Ik heb alles weer gretig in mijn hart gesloten en dan is gemis onvermijdelijk.

Het zoontje komt binnen. Hij neuriet, duwt zijn voorhoofd tegen het mijne. “Geen zoentjes geven!”, roept hij al bij voorbaat. Hij kent me, hoezeer ik zijn wens (NOOIT OF TE NIMMER ZOENTJES GEVEN) ook probeer te respecteren, dat smoeltje zoenen gaat vanzelf, dat is een reflex, geen bewuste handeling. Ik bekijk hem van dichtbij, opeens staat zijn neus vol sproeten, net zoals het park opeens groen geworden is en de tulpen en de azalea’s in bloei staan. Of hoeveel er kan veranderen in één week. Sproeten waar ik instant waanzinnig veel van hou, en oh wat valt het me zwaar dat ik ze niet mag bedelven onder mijn zoenen.

Hij zucht blij: mama is terug. Ik ben tevreden en weemoedig. Ik koester wat ik heb, mis wat voorbij is en verlang naar wat ik nog niet ken. Geen woord dat ik beter denk te begrijpen dan saudade. 

Plaats een reactie