welkom in de lente

Welkom in de lente, zegt de yogaleraar. Een vrouw zit al op haar matje, de voor- en achterkant blijft opgekruld. Er is net genoeg plek voor haar, pal in het midden. Het deert haar niet. Het is een prachtig zicht: de mat fel roze, zij, een rijzige, blonde vrouw, de ogen gesloten, sereen. Ze ziet eruit alsof ze elk moment zal opstijgen op haar vliegend tapijt. 

Even later staan we allemaal te springen. Hier in die sporthal, verlicht door 16 TL-lampen (ik heb ze geteld toen ik in het hier en nu moest zijn), staan opeens 23 volwassen lichamen te springen. Zo gaat het elke week en het is mijn lievelingsmoment. De oude, lange man met knokige beenderen, de vrouw van de roze mat die toch niet opgestegen is, de man met de norse blik en rode muts, de twee vriendinnen, het oudere koppel, de vrouw met de mooie, grijze krullen, de jonge, schuchtere man steeds volledig in het zwart gekleed, de dame die straks bij elke asana luid zal zuchten en kreunen, al die lichamen stuiteren nu in het rond. Haren vliegen alle kanten op, grote, stevige of slappe, rimpelige borsten veren op en neer, armen slingeren langs schokkende lichamen, navels dansen in de losse huid van trillende buiken, voetzolen landen en schieten weer de lucht in. Het heeft iets aandoenlijks, iets ontroerends en iets diep verbindends. Opeens zie ik het, al die mensen die al springend steeds meer loskomen van hun twijfels, pijn, hun volhouden, verdriet, succes, hun woeste verlangens, vreugde, falen, hun gemis, hoop, hunkeren, hun verlies, spijt, vertrouwen, rust, hun groei, wanhoop, onstuimigheid, machteloosheid, hun eenzaamheid, zoeken, hun intense tevredenheid ook, steeds wilder, steeds kinderlijker, op dat matje, onder dat TL-licht. Ik wil naar hen toe stuiteren, roepen, oh jij ook? Ik ook! En hen dan al springend omhelzen. Ik wil samen de sporthal uit rennen. Ik wil met hen zwemmen in een ijskoud meertje. Ik wil in hun armen huilen en samen de slappe lach hebben. Ik wil onder een deken naar de sterren staren. Ik wil pizza’s beleggen en met veel te volle magen op de trampoline. Ik wil een berg afrennen. Heel hoog schommelen en dan springen. Ik wil met onze fietsen door de wijk racen. Ik wil kikkervisjes vangen. Ik wil met hen languit in het gras liggen en dan alleen maar onze ademhaling horen vertragen en die bedwelmende geur van gras ruiken. Ik wil dat kind zijn dat lag te slapen ergens in de buurt van mijn hart en wakker werd door het springen. Ze telt af naar een eindeloze zomer. 

Maar het is pas lente, we houden op met springen en een 37-jarige vrouw met twee dikke, verticale rimpels tussen haar wenkbrauwen als ze fronst, bij haar ogen fijne lijntjes als ze lacht en grijze haren die stevig in opmars zijn, landt weer in mijn lichaam, voorzichtig, ze wil me niet bruuskeren. En met haar, landen ook de twijfels, het falen, de verlangens, het gemis, de groei en hoop, het zoeken. Ze nestelen zich in alle hoekjes van mijn lijf en ik vind het niet erg, plaats genoeg. Het kind en de geur van gras leg ik weer te slapen. Voel nog even na, zegt de yogaleraar. En dat doe ik, een laatste blik op het alweer indommelende kind. De blonde vrouw knipoogt vanop haar vliegend tapijt en ik meen wat sprietjes gras in haar haren te zien.

Plaats een reactie