Vier september, de stilte hangt weldadig in de keuken. Ik drink koffie, zie hoe in de tuin de vroege ochtend zich presenteert, zich niet bewust van haar toeschouwer. De ramen van de serre zijn beslagen, mezen, vinken, putters bij de rozenbottelstruik. De dag die al wat licht (het mooiste) vooruit heeft gestuurd. Als een aankondiging. Ik zie de vroege ochtend. Anders dan de voorbije weken, toen we rond dit uur nog sliepen en die vroege ochtenden skipten. Bloot en opgekruld, de plakkerige lakens ergens in de nacht van ons afgeworpen. Tijdens die zomermaanden de dag wat vooruit geduwd, opgeschoven, waardoor de ochtend moest beginnen zonder toeschouwers en er ‘s avonds laat nog kindervoeten de trappen op en af renden.
Ik open een nieuwssite, het is sterker dan mezelf. Ik schrik, word triest, boos, bang zoals steeds. Dit leven, deze overvloed, dit geluk: zo fragiel. Ik wil niet verder lezen. Niet afdalen, niet de duisternis in die als een donkere wolk deze frisse septemberochtend bedreigt. Liever wil ik uit het raam kijken nu. De ochtend beleven. Over een half uur zal ik boven een wekker horen afgaan. Een rolluik dat wordt opgetrokken, gestommel in de badkamer. Het zoontje zal aangekleed en fris beneden komen. Zich meteen op mijn schoot nestelen. Alsof hij me gemist heeft, de hele nacht. Misschien vertelt hij een droom. De dochter zal nog even blijven worstelen met de slaap tot we nog eens en nog eens roepen. Een gefrustreerde brul zal door het huis klinken. Ze zal met ongekamde haren en een donkere blik de keuken binnenstampen. Het zal niet lang duren. Als wij onze mond houden op het juiste moment en haar herinneren aan iets leuks later vandaag, zal ze opklaren. De man zal meteen druk in de weer zijn. Koffie zetten, in de koelkast rommelen, boterhammen smeren. En ik zal me een beetje schuldig voelen dat ik hier al zolang zit. Dat ik dat eigenlijk al had kunnen doen. Maar dan mijn zoon zijn lijfje tegen me aangedrukt voelen en blij zijn dat ik hier zat, dat mijn schoot het eerste was dat hij zag.
Maar het is nu nog stil. Ik ben nog alleen en kijk uit het raam. De vroege ochtend presenteert zich, doet zo z’n best en het is intiem en zacht en ik zou me diep gelukkig kunnen voelen maar krijg de duisternis niet goed weggeduwd. De ochtend, de rust, dit leven: zo fragiel. Zo dankbaar ben ik opeens dat straks die wekker gaat. Zo verlangend naar de stilte die zal oplossen. De duisternis die zal wegtrekken. Verlangend naar de liefde die, samen met verwarde haren, rammelende borden, dromen die opgedist worden, plannen die gemaakt worden, onze keuken zal binnenrollen en opstuiven en rond dwarrelen als een stofwolk. Opeens voelt de keukentafel zo leeg. Jeuken mijn armen van leegte, ben ik één en al ongeduld. Zo graag wil ik nu vasthouden wat ik heb. Hen ruiken, horen, voelen. Mezelf ervan verzekeren dat ze er nog zijn. Dat geen enkele psychopaat met macht hen van me zal wegscheuren. Deze vrede, deze rust, dit geluk aan diggelen zal slaan. Ik ben soms zo dankbaar, ik ben soms zo bang.
De wekker gaat af. Ik ben soms zo dankbaar, ik ben soms zo bang.
Weeral heel mooi geschreven. Het zijn herkenbare gevoelens : machteloos en boos om wat er in de wereld gebeurt, tegelijk beseffen wat er allemaal is en hoe belangrijk dat is en hoe je daar kan en mag van genieten…
LikeLike