Een stralende toekomst

Na zo’n 6 maanden lesgeven met mondmasker moet ik toegeven: het is nog steeds vreselijk irritant maar het went ook wel een beetje. En, optimistisch als ik ben, heb ik zelfs – op vraag van Erika Vlieghe – enkele voordelen ontdekt:

  • Blozen. Je ziet het met mondmasker amper als iemand bloost. Blijkbaar vinden mijn hersenen dat zo geruststellend dat blozen onder dat mondmasker helemaal niet meer voorkomt. Als dit mondmaskertijdperk ooit voorbij is, moet ik dus “gewoon” een manier vinden om mijn hersenen te overtuigen dat mijn gebloos niet zichtbaar is, en dan zal ik voor eeuwig en altijd van deze irritante eigenschap verlost zijn. 
  • Koortsblaren. Het was lang geleden maar ik had gisterenochtend weer prijs. Je kent het wel, zo’n branderige, brokkelige koortsblaas, werkelijk een prachtig zicht waar mijn cursisten dan 3 uur lang moeten op zitten zien. Maar nu dus, mooi verborgen achter mijn prachtige mondmasker. (Ik wil optimistisch zijn, dus zet dit maar even tussen haakjes: dat betekent helaas wel 3 uur lang zo’n stofje dat tot bloedens toe over de koorstblaas schuurt)
  • Dingen die uit je neus hangen. Niets is zo irritant als naar een leraar/spreker/gesprekspartner… te moeten kijken bij wie een brokje/druppel/snotsliert aan de neus bungelt. Ik check dan ook altijd zorgvuldig mijn neusgaten voor ik aan mijn les begin. Dat moet nu dus niet meer. Ik kan dus ‘s ochtends een volle minuut langer slapen! En mijn kinderen houden daar ook altijd rekening mee! 

Hierbij helpt het mondmasker helaas niet:

  • Tandpastavlekken op mijn kleren. El-ke keer op-nieuw. Om pas in de pauze te zien, de vlek er dan met water uit te proberen wrijven waardoor ik er de rest van les uitzie alsof ik aan het lacteren ben. En ik heb al genoeg gelacteerd in mijn leven! 
  • Ladders in mijn panty’s. 
  • Okselvijvers.
  • Struikelen over de poten van het bord. En over de stoel die naast het bord staat. En daarna terug over de poten van het bord. En botsen tegen de scherpe hoek van de tafel omdat mijn lichaam al iets te vroeg naar rechts werd gestuurd, buiten mijn wil om. (Algehele lompheid eigenlijk.)
  • Mijn fles water die op de grond dondert nadat ik er met mijn achterwerk tegen bots, el-ke les. Waardoor mijn cursisten zich iedere keer rot schrikken.

Zei ik al dat ik optimistisch ben? Ik zie het namelijk ook helemaal goed komen.

Ik voorspel dat er een virus komt dat zich ook via onze poriën zal verspreiden. We zullen ons dan in een soort van ruimtevaartpakken moeten voortbewegen. Een mondmasker zal tegen dan pure nostalgie zijn. En dat pak heeft niet alleen dezelfde voordelen als het mondmasker, nee, beter nog, het zal mijn andere vervelende euvels ook verhelpen!

Alleen die algehele lompheid. Die zal blijven. Maar iedereen zal er dan mee worstelen, gezien de ruimtevaartpakken. En ik zal een voorbeeld worden van hoe je lomp én gelukkig kan zijn. Workshops en lezingen geven. Op (ingepakte) handen gedragen worden (en af en toe op de grond vallen). Uiteindelijk tot koningin gekroond! 

Erika had gelijk. We moeten stoppen met al dat zeuren, er wacht ons (mij althans!) een stralende toekomst. 

In het Oude Badhuis (deel 2)

Het Oude Badhuis in de Veldstraat. Ik ga er nu enkele weken zwemmen. Jaren geleden ging ik er ook een paar keer zwemmen en bedacht toen een verhaal voor ons toenmalige project ‘De Bibliotheek van Babel’. Dat bestaat niet meer, maar het verhaal wel nog en het is, al zeg ik het zelf, één van mijn betere. Lees het hier.

Nu, zo’n 8 jaar later, ga ik dus weer wekelijks zwemmen en tijdens het zwemmen gisteren bedacht ik hoeveel ik na enkele zwembeurten al heb bijgeleerd. En ik wil het jullie niet onthouden. Het is namelijk zo, dat je als nieuwkomer in de wereld van de amateurzwemmers nogal snel opvalt. Of ik had in ieder geval dat gevoel, maar dat kan ook aan mij liggen.

Ik ontdekte dit alvast:

Zwemmers maken geen oogcontact: niet bij het binnenkomen, niet in het zwembad en zeker niet bij het douchen. Waarom dat zo is, geen idee. Maar ik moet toegeven dat het onder de douche toch een paar keer erg ongemakkelijk was die eerste keren, aangezien de meeste mannelijke zwemmers die naast me stonden, zich blijkbaar erg uitgebreid en óveral wilden wassen bij het douchen. Wegkijken is dan ook een kunst die ik intussen (gelukkig) helemaal onder de knie heb.

De kleedhokjes in het Oude Badhuis kunnen op slot en fungeren dus ook als lockers. Handig. Minder handig is het als je een kleedhokje kiest met een losse sleutel zonder bandje. En pas beseft dat je die sleutel nergens kwijt kan als je in het zwembad wil springen. En dan teruggaat naar je kleedhokje om te beseffen dat je het nummer niet kent. Want dat staat op het bandje, dat er dus niet is. Waardoor je – terwijl mensen zich aan het omkleden zijn – met die sleutel een 10-tal deuren moet uitproberen, intussen verontschuldigingen mompelend, alvorens je eigen hokje terug te vinden. En je daarna nog al je spullen moet verhuizen naar een vrij hokje mét bandje dat zich dan blijkbaar helemaal op het einde van de gang bevindt. Op zich best handig dat niemand je echt aankijkt tijdens dat proces.

Zet je duikbril nooit af aan de diepe kant van het bad. Die daarna terug opzetten vereist 2 handen, en het is onmogelijk om op dat smalle boordje te blijven staan als je geen handen vrij hebt om je vast te houden. Waardoor je dus na een derde keer in het water te belanden, met duikbril vol water aan je baantje terug moet beginnen alsof dat de bedoeling was.

Als je op een regenachtige avond gaat zwemmen in coronatijden kan het gebeuren dat je opeens helemaal alleen in het zwembad bent. Dat is een nogal bevreemdende ervaring. Of dat was het toch voor mij. Lichte euforie veranderde al snel in een zeer ongemakkelijk gevoel onder de blik van de ongetwijfeld al vreselijk verveelde badmeester, die nu enkel nog mij en mijn onnozele schoolslag had om naar te kijken. En toen ik merkte dat elk hoestje, elke plons en elk verslikgeluid door mij en enkel door mij geproduceerd werd en ook nog eens serieus galmde. (Het enige pluspunt voor de arme man was dat de kans op verdrinking bij mij iets groter was dan bij de indrukwekkende vlinderslagzwemmer die net het bad had verlaten). Ik voelde me dus eerst opgelucht toen de badmeester plots ook verdween. Om daarna (vanaf de diepe kant) toch net iets sneller terug te zwemmen met de plotse gedachte dat het zwembad zou sluiten en ze mij vergeten waren. Maar het zwembad sluit dus écht nog niet en ineens is daar een volgende shift en zwem je weer gezellig tussen andere intimiderende crawlzwemmers die geen oogcontact maken en dus je intens dankbare blik moeten missen.

Het strompelen richting douche na een uur intensief zwemmen, betekent niet dat je jezelf kapot gezwommen hebt. Het is iets met de zwaartekracht. Het is dan ook een kunst om zonder op je gezicht te gaan de douche te bereiken. Als je bij het uittrekken van je duikbril een zoete pijn voelt en de afdruk er na een uur nog steeds instaat, spande je duikbril wellicht íets te hard.

Wat ik ondertussen nog NIET heb ontdekt: Hoe haal je de persoon in die net iets te traag voor je zwemt? Ik heb geprobeerd: er als een onnozelaar rond beginnen zwemmen of halverwege het baantje rechtsomkeer maken zodat je plots voor die persoon zwemt. Geen van deze opties werd in dank afgenomen (hoewel dat moeilijk in te schatten is zonder oogcontact natuurlijk). Ik heb overwogen: eens diep ademhalen en er onderdoor zwemmen, maar de schrik om iets te vroeg terug boven water te komen heeft me gered van dit dwaze plan. Wie oh wie heeft het antwoord? Laat het me weten!

neergelegd

je was niet moe
je lijfje onrustig
ik
na zo’n vijf keer op en af
wél moe
had me erbij neergelegd
zag je in streepjes

jij stil nu – dat moest
maar ik zag je
eeuwig bewegen
benen de lucht in,
de knuffel liet je
alle hoeken van je bed zien
krassende nagels
luidruchtig gesmak
slaap nog ver weg

ik onderdrukte ergernis
focuste op je zachte lokken
die ik in gedachten aaide
luisterde naar je ademhaling

verbaasd plots
dat er nog leven was in deze kamer:
mijn god!
mijn kind
mijn prachtige kind

via
los van 
altijd deel van
mij

maar het was nogal veel
leven
op dit uur
ik zuchtte, geeuwde, wist
nog even volhouden
en dan is de slaap daar
ineens

ik had gelijk
ik zag het niet aankomen
voor ik er erg in had
sliep ik 

en wat doen we dan

Zo’n dag zonder kinderen.
En wat doen we dan?

Ik ben rond 4u opgestaan voor haar en dan om 6u voor hem en de dag is begonnen.
Ik rijd hen naar West-Vlaanderen en dan met lege auto terug naar huis.
Radio aan.
Er moeten geen rijstkoeken en drinkbussen aangereikt worden.
Stilte op de achterbank.
Geen gevallen knuffels opgeraapt.
(zo met één hand aan het stuur, onderuit gezakt, één hand achter me graaiend terwijl de dochter instructies geeft: ja, je bent er bijna, een beetje naar rechts nog, nee nog iets verder, … En dan gejuich als ik een stuk knuffel kan vastgrijpen)

Dat nu dus niet. Gewoon in alle rust naar de radio luisteren, een beetje meezingen en lachen met de mopjes van de presentator. Beetje praten tegen mezelf. En tegen de imaginaire interviewer die af en toe naast mij zit. 
Overdreven lachen naar de chauffeur in de auto naast me.

Thuiskomen in een leeg en stil huis. Opgeruimd ook. Hun laarzen naast elkaar, op een rijtje.
En de man even later daar met onze lunch.
Samen eten aan de keukentafel.
Bijna onwennig tegenover elkaar, alleen wij twee, met tijd om te praten zonder onderbreken. Teveel halve zinnen, gestarte verhalen die nooit zijn afgemaakt tussen ons in.
Te veel om in te halen dus we doen geen moeite. 

Ik een klopke dus zomaar even in de zetel gaan liggen in het midden van de dag. Zon op mijn gezicht. Vijf minuten wegdommelen terwijl de man zachtjes op zijn toetsenbord tokkelt. Wakker schrikken want plots een knie in mijn buik verwachten. Of snot tegen mijn wang.
Maar nog steeds dat leeg huis en die stilte. 

Samen op de fiets nu.
Gewoon schoenen en jassen aan en vertrekken. Alsof het niets is, zeggen we verbaasd. 

Rustig een museum doen. We hebben alle tijd.
Alles kunnen lezen, bestuderen, grappige weetjes delen, af en toe wat tegen elkaar aan leunen. Samen stil zijn. 

Ik fiets alleen terug naar huis. Er zijn zo absurd veel vogels opeens. De avond valt, de lucht kleurt donkerblauw en dit parallelle leven is er opeens. Op de fiets zonder een kind in het stoeltje.

We eten weer, zachte muziek en rode wijn erbij. Het huis nog steeds opgeruimd. Wij herontdekken aarzelend hoe dat ook weer werkt. Zinnen afmaken. Daar op reageren. Vragen stellen. Antwoorden. Luisteren naar dat antwoord. Zo van die dingen.

’s Ochtends stommel ik de trap af. Wakker geworden van koerende duiven op ons dak.
En hun laarzen daar gewoon naast elkaar, op een rijtje. 
Tijd om mijn koffie te proeven. Me mijn droom te herinneren. Te voelen dat de lente en waar komen toch al die vogels opeens vandaan.

En ik wil niet dat dit overgaat, ik wil dit leven altijd en ik kan niet wachten tot het weer verdwijnt.
De laarzen weer kris kras in de gang. 
En snot op mijn wang.
De interviewer knikt begripvol. Een uitroepteken in zijn boekje. 

wascotenen

Hier keek ik al de hele week naar uit. Donderdagochtend had ik een uurtje. Dit park, met die sneeuw en dat licht! Ik moest het zien. 

Ik vergat natuurlijk weer 2 paar sokken te dragen dus na een poosje voelden mijn tenen als 10 wascostompjes (zo van die goedkope) die per ongeluk in mijn schoenen waren terecht gekomen. Het was -8°C en nog vroeg, dus ik kwam slechts enkele andere wandelaars tegen. Van die echte. Met Russische bontmuts en stevige stapschoenen, wellicht ook thermisch ondergoed en ongetwijfeld 2 paar sokken. Ze knikten me vriendelijk maar ook een beetje streng toe terwijl ze me haastig voorbij wandelden. Dat treuzelen van mij en wat foto’s maken met mijn gsm (niet eens een deftige camera) was misschien niet iets wat je op dit uur deed. Ik zag ook een man met hond en korte short. Hij droeg enkel een dikke trui en die short dus. Blote, harige benen daaronder. Zijn trui riep dat hij al 10 jaar straatvrijwilliger was en hij bekeek mijn lange broek, dikke sjaal, handschoenen en oorwarmers met zichtbare afkeuring. 

Maar ik zag vooral het warme licht van de zon, de stralen die zich overal tussen de takken wurmden. Een buizerd in een boom vlakbij die me rustig gade sloeg. Een eekhoorn die, ongemakkelijk om zich heen kijkend, over de sneeuw rende. Alsof hij doorhad hoe zichtbaar hij nu was en zich naakt voelde onder mijn curieuze blik. Ik zag de bevroren vijver nog nooit eerder zo stil en sereen. Het leven weggestopt, verborgen onder die laag ijs, berustend. Het ijs op de rug, uitgestrekt en weerloos, met de buik bloot. Overgeleverd aan het spel van de zon en de kou. Het had geen keus, werd gebruikt, weerspiegelde ongewild de oranje gloed van de plagende zon. Intussen wachtend op de dag dat de zon aan kracht zou toenemen en het gewoon, zomaar ineens zou oplossen. Zonder meer.

Ik stapte wat sneller door, het uur bijna voorbij, mijn afspraak wachtte. De wasco’s werden weer tintelende tenen maar ik had het gezien. Ik had het allemaal gezien.

raceje

we gingen fietsen in het park
de sneeuw bleef niet liggen
dus we wilden proeven
en voelen bovenal

we keken naar boven
zagen witte pijltjes
vliegensvlug en niet te tellen
een zachte winterse aanval

frisse vlokjes tussen onze wimpers
in mijn neusgaten
eentje smolt (‘echt lekker!’)
op zijn uitgestoken tong

hij zei: ‘mama Tobe raceje doen?’
telde alvast af ‘1, 3, 5 start!’
hij zat op de fietsstoel vooraan
echt eerlijk was het niet
dus hij won

’t is niet eens poëzie

soms heb ik genoeg
zie ik het overal
wordt het alleen maar meer
volle teugen en armen vol
en dan wil ik morsen
troosten
uitdelen

‘t is heel gewoon:

de pompoen met look en rode ui in de oven
een beetje parmezaanse kaas erover
geraspt
en dat raspen zo’n woord is
dat helemaal klinkt zoals het doet
het licht hier binnen dat de zachte paarse blaadjes streelt
en dat strelen ook zo’n woord is
een beetje dille bij de rijst en zijn handpalm
haar vurige, groene ogen en tijdens het wandelen
de kool- of pimpelmeesjes, ik weet het nooit zeker
reigers, een witte zelfs, een roodborstje, een eekhoorn en moeten die nu niet winterslapen en is dat wel een werkwoord?
als ik geluk heb, en ik had al twee keer geluk, de ijsvogel
de geur die uit de winkel gewaaid komt
waar de deur altijd open
en nog wat restjes noten muziek het plein op
de lachrimpels vanachter hun mondmaskers in de klas
een stem die zich nestelt in de verre hoeken van het huis
lekker waspoeder van de fietser voor mij
die een trui waar ik mijn neus in wil
met een kap waar ik mijn hand onder wil, want altijd het warmste plekje
zachte, ronde woorden zoals bedeesd, blozend en duizelen

‘t is niet eens poëzie
en een beetje banaal
maar ‘t is schoon
dus ik heb het uitgedeeld

tweeduizendtwingtig

ik heb gedacht dat het perfect was op dat moment
en gevoeld dat het vluchtig en breekbaar
ik heb heel hard gelachen
ik heb luid geschreeuwd tegen hem, voor het eerst
daarna huilend gebeld naar haar, niet voor het eerst

ik heb gemist:
hen eens goed vast pakken en de kinderen tevreden in hun armen
de gezelligheid op een ander, de geuren in hun huizen,
de dekentjes en mijn voeten opgetrokken in haar zetel
vriendinnen, vertrouwd als zussen, te ver weg
een tafel vol lekkers en een heleboel mensen daarrond

ik heb hen zo veel gezien,
bewonderd:
dat starten en ontwaken
die explosie van groei, leven en licht terwijl alles rond hen stilviel

ik heb hen te veel gezien,
wanhopig:
om de strijd die zij altijd weer creëerde
en wij maar zwaaien met onze witte vlaggen
mijn hoofd tegen de muur, want zo ver over mijn grenzen
(zelfs een “dubbelefakjoe”, de ultieme belediging uit mijn kindertijd die ergens diep verborgen zat en ineens onbeheersbaar naar boven borrelde)

ik heb gezongen zachtjes naast hun warme lijfjes in bed
heel hard alleen in de auto terwijl tranen over mijn wangen

ik heb gevoeld
verslindende, verlammende angst en voor het eerst met iemand gepraat
geluk, in kleine beetjes en af en toe die heerlijke volle laag
verdriet en dat het nog rauw, om wat nooit meer zal en zo schoon was
tevredenheid om die beetjes geluk, dat lachen en dat groeien
schaamte om mijn ontevredenheid want zoveel meer geluk dan anderen

ik heb gevoeld
zijn ogen op mij gericht
vol bewondering, begrip, adoratie, liefde
en ook triest, ontgoocheld, verward, geërgerd
zijn handen, zijn adem, zijn huid

en ik heb boekjes gestapeld, kruimels samen geveegd, de stinkende schotelvod in de wasmachine
haartjes gekamd, nagels geknipt, vetvlekken van de keukenkast
ik heb kleren geplooid, handjes gewassen, mondmaskers op 60 °C
de slappe lach gehad
gedanst in onze keuken
in zijn achterwerk geknepen
herhaaldelijk

en ik zal dat ook doen
in tweeduizendeenentwintig

vijf

Ze is 5 geworden vandaag.

Oh wat weet ik het nog goed. Hoe ze, een paar minuten oud, tussen mijn borsten lag in dat bad. Nat, glibberig, ze huilde even, zocht mijn tepel. En meteen werd concreet wat ik me de voorbije 9 maanden niet had kunnen inbeelden, hoe hard ik ook geprobeerd had. Ze was er echt. Van vlees en bloed. Een minimensje.

Enkele uren later gebeurde nog iets waar ik afgelopen 9 maanden niet op had durven hopen. De kinderarts liet haar nogal ruw schrikken om één of andere reflex te testen en de mamabeer werd wakker. Daar lag een minimensje. ík was haar mama.

Ik vond haar zo puur. Zo echt. Ze was niets anders dan wat we zagen die eerste maanden. Ze was pijn, ze was honger, ze was moe, ze was slaap. Niets aan haar was fout. Niets was pretentie. Niets namaak. Niets was proberen of manipuleren of te hard je best doen. Er was geen maar, geen of, geen dus.

Ze was pure onschuld. Dat lijfje en die plooitjes, dat huilen en kirren. Er bestond geen schuld. Niets, maar dan ook niets ter wereld was haar schuld. Nog nooit had ik dat gezien. En pure weerloosheid. Ik kon die gedachte soms bijna niet verdragen.

Ze groeide op en wat we zagen was fantastisch en soms slikken. En regelmatig de handen in de steeds grijzer wordende haren. Maar ook een wonder, elke dag weer. Ze is nog steeds mini maar vooral zoveel mens. Ik ken niemand die zo goed weet wat ze wil en die zo moeilijk op andere gedachten te brengen is. Ik ken niemand die zo intens voelt en beleeft. Alles voor de volle 100%. Ze kan spuwen als een draak en spinnen als een kat. Ze doet niets wat ze niet wil, om te paaien, uit schrik of uit verwachting. Ze heeft de weerloosheid van zich afgeschud, zo snel als ze kon. Vond het zelf ook moeilijk om te verdragen denk ik soms.

Soms wou ik dat ze anders was. En daarna vind ik dat verschrikkelijk. Soms willen we haar kneden. Maar ze laat zich niet kneden. Ze hoeft niet gekneed te worden. Ze is niet van ons. Ze is zichzelf. En ze is het mooiste wat ik ooit heb gezien.

bil van mij

Dat wat ze tijdens de eerste lockdown in het voorjaar nog niet helemaal onder de knie hadden, kunnen ze nu wel: samen spelen. De timing is perfect. Zij blij dat ze ongestoord kan commanderen, hij nog volgzaam, opkijkend naar die zus van hem, onder de indruk van die explosie van energie en taal.

Ze wervelen door ons huis, zij de leider, hij in haar kielzog. Wat ze zegt, zegt hij na, hij bestudeert nauwkeurig haar mond, hoe ze haar armen houdt, hoe ze stapt en imiteert dat zo goed en kwaad als hij kan. Zij helemaal in haar element. Ze beveelt, betuttelt en bemoedert. Hij ondergaat dat gewillig. Haar fantasie tomeloos, ongelooflijk wat ze allemaal meemaken in ons kleine huisje: ze worden aangevallen door zeerovers, haaien, opgeslokt door de stofzuiger, moeten op zoek naar de afdruk van de papa van een herfstblaadje, zij heeft allerlei krachten en kan die indien nodig met de juiste rituelen overdragen en weer afnemen van haar broer, ze betoveren ons, bevriezen ons, bevrijden ons, vallen aan met stokken en wc-papier. Ze zijn twee verdwaalde, uitgehongerde poesjes die miaauwend door het huis kruipen. Hij is een pasgeboren baby en het water is vergiftigd en als hij ervan drinkt zal hij doodgaan. “En als je doodgaat dan word je na een lange tijd aarde, en je wilt toch geen aarde worden hé?” dreigt ze. Ze is voortdurend aan het woord en hij knikt enthousiast terwijl hij achter haar aan draaft. Ze legt hem moeilijke concepten uit op zo’n duidelijke en eenvoudige manier dat ik soms denk dat hij het écht een beetje snapt. Ze leeft op het muurtje in de badkamer. Ze heeft een 5-tal zakjes verspreid in het huis. Zakjes vol geheimen. We mogen ze niet openen en proberen die wens te respecteren. Alleen als we een bankkaart of belangrijke sleutel missen, weten we dat we haar woede zullen moeten trotseren omdat het verloren attribuut zich ongetwijfeld in één van de die zakjes bevindt. Ook als er uit een bepaalde hoek van het huis een onbestemde stank opstijgt, weten we dat het tijd wordt om zo’n zak te lokaliseren en met de nodige bescherming onschadelijk te maken.

Ik hoor haar midden in hun spel: “en toen pikte jij mij”. “Neenee, niet piTSen, piKKen, weet je wat dat is pikken? Dat is als jij mij meepakt naar jouw huis terwijl ik eigenlijk niet van jou ben.” “Neeee Tobe, niet pitsen!! PiKKen!!”

Het lukt me (eindelijk!) best goed om mij op de achtergrond te houden. Niet simpel aangezien we ondertussen al bijna 10 dagen in quarantaine en dus in dezelfde leefruimte zitten en dat zonder tuin. Maar ik plooi wat was, leeg de vaatwasmachine, lees wat, drink koffie en doe alsof ik niets hoor. Ook niet de ruzie of het gehuil van de jongste. Hen gewoon laten doen en als er echt iets is, komen ze wel naar mij toe. Ik heb dat altijd moeilijk gevonden maar deze dagen gaat het verbazend goed. Ik hoor hen regelmatig zelf ruzies oplossen, gehuil dat stopt zonder dat er moet getroost of berispt worden. En ik slurp nog eens tevreden van mijn koffie.

Deze ochtend in de badkamer, ik hoor gestamp, geschreeuw, het zoontje begint luidkeels te roepen en te huilen. Even stilte. Dan komt hij aangerend: “Mamaaaaaaaaaaaa, Mira hele tijd stampen!” Als ik even poolshoogte ga nemen, verklaart de dochter: “Tobe probeerde mijn vel te scheuren!” Ze kijkt me vol verwachting aan. Blijkbaar wil ze meer verontwaardiging, dus ze gaat verder: “Hij probeerde echt mijn vel van mij af te scheuren mama.” Nog steeds niets. “Hij probeerde mijn lijf te scheuren! Hij wou mij kapot maken!” Ik probeer mijn glimlach te verbergen. Ze denkt na. Wat moet een kind hier nog verzinnen voor wat medeleven van haar moeder? “En toen zei hij: ik Mira stikken!” Ze gebruikt een gemeen heksenstemmetje als ze zijn stem imiteert en ik barst in lachen uit. “HIJ WOU MIJ LATEN STIKKEN, MAMA!!”

Zij reageert poeslief als ik vraag of ze nog een boterham wil: “Het is heel lief dat je dat vraagt mama, maar eigenlijk hoef ik er geen. Toch bedankt.” West-Vlaamse beleefdheid van de bovenste plank. Maar even later woest omdat ik een kruimelspoor (dat ze daar wel had gelegd zodat haar wolfje niet zou verdwalen hé!) heb op gestofzuigd. “Jij bent een domme pen! Jij bent een bil van mij!” En ik ben blij dat het (voor een keer) de ergste dingen zijn die ze kan bedenken.

Als ik hen lange tijd hoor stommelen in de badkamer, het verdacht stil is en ik even later iemand zacht hoor huilen, ga ik toch even kijken. Hij komt me tegemoet. “Nee mama, ikke alsof wenen. Kijk hè: weeee-eeee-eeee.” Ik geef hem zachte kusjes in zijn nek. Toegeeflijk drukt hij zijn voorhoofd tegen het mijne. Hij kijkt me aan en zegt zachtjes: “En.nu.oewegg.ggaan.” En als ik niet direct in actie schiet: “Gga.oewegg!”

Daar waar zij rond die leeftijd haar wil duidelijk maakte door explosieve, eindeloze woede-uitbarstingen, pakt hij de zaken meestal wat verfijnder aan. Hij komt vrolijk aangedarteld, op de toppen van zijn tenen, zijn gezicht vlak voor het mijne, houdt zijn hoofdje scheef gelijk een kokette diva en spreekt me aan met zijn hoge stemmetje: “fumptje kijken, affefieeeet?” Hij is zo een vrolijk jongetje, nooit lang boos, kan heerlijk schateren en heeft veel fantasie. Hij is altijd als eerste wakker en als zij dan eindelijk beneden is, komt hij enthousiast aangerend: “Miiiiraaaaa!” Zij woelt dan eens teder door zijn haar en glimlacht naar mij. Die blik waarmee ze me dan aankijkt, die zou eigenlijk verboden moeten worden tot ze 18 jaar is. Minstens.