over je pijn

het ene moment – zo lijkt het – in het eindeloze water
de zon verwarmt onze schouders en er zijn zachte bergen
we grijpen elkaars handen en gezichten
onze lichamen vinden elkaar ook als de zwaartekracht ze lost
we zuchten tevreden dat er soms bijna teveel liefde lijkt
‘dit is zo goed dat het pijn doet’ zing ik
en hetzelfde water loopt tussen mijn lippen en streelt jouw kin

het volgende moment – zo voelt het – naast elkaar en jij schokt eindeloos
je rug met mijn tranen als een Berlijnse muur tussen ons in
en ik grijp naar je handen en gezicht
je pijn wil ik vangen met mijn lichaam
omdat teveel liefde ook teveel verdriet betekent
ik wil troostend voor je zingen dat het pijn doet
en mijn tranen lopen langs mijn lippen en jouw tranen landen bij je kin

mijn lief
je loopt nu rond met ogen en mondhoeken zwaar van verdriet
mijn blik volgt en ziet:
je valt zoveel mogelijk terug op jezelf
als een overlevingsinstinct
tot je struikelt in mijn richting
en mijn hart weent en ik reikhals en kan je buik grijpen en kussen
voor je zingen en met je vrijen
maar ik kan je pijn niet helemaal vangen met mijn lichaam

 

mooi hé

Vandaag is zo’n dag en het is lang geleden. Geluk. Ik moet het opschrijven en ik moet opletten want als ik het opschrijf kan het weer weg zijn. Er is zon en groen, er zijn straks mensen maar ze zijn nog ver genoeg, er is muziek, er is een mooie fluitende man, een dag vrijheid. Er is in mijn hoofd al een gerecht, straks ook op ons bord. Ik ruik het al en proef die zon. En dat groen toch altijd gelukkiger maakt. Mij toch. Blij met weinig. Een terras met wat plantjes. Is beter dan een terras zonder. Of zonder terras. Stel je voor.

Er is hier een kerk in de straat. Elke zondagochtend lokt zij ons met haar klokgelui, al 3 jaar lang. We zijn er nog niet geweest. Maar ik hou van het gelui. Ik voel dan ook geluk. En ik vind het veilig, dat ze blijft lokken. Niet opgeeft, niet aandringt. Elke zondag lokt ze, nodigt ze uit, dat staat vast. Daarover bestaat geen twijfel. Dat troostende klokgelui. En misschien, op een dag, zal ik eens binnengaan. Op zoek naar dat gevoel dat me zoekt. Waarschijnlijk ga ik nooit binnen. Ik heb geen vraag die uit woorden bestaat. Ik heb een verlangen, dat niet te bevredigen lijkt. Ik koester dat verlangen, ben blij dat het niet bevredigd kan worden anders ben ik het kwijt. Ik zie zoveel moois. Ik ben heel vaak ontroerd. Ik voel dan verdriet maar altijd met liefde. En dat is toch genoeg? Ontroering, moois, verdriet, liefde en verlangen. Mooi hé.

De onderbuurvrouw

Toen ik de deur achter me dichtsloeg en de trap afging, kwam de onderbuurvrouw even kijken. “Zijt ge weer alleen, meiske?” Ze keek me met haar zachte, lieve ogen vol medelijden aan. De onderbuurvrouw, die zelf alleen en oud was maar boodschappen deed voor ‘de oude mensen’.  “Het moet toch wat zijn, zo hele dagen alleen in hun appartementje, door het raam aan het zien. Niemand om eens mee te klappen. Och, ik heb daar zo’n compassie mee.” Ze leek er geen erg in te hebben dat ze zich in precies dezelfde situatie bevond. Het ontkennen was haar remedie, want ze voelde zich zelden oud of eenzaam.

Terwijl ze me aankeek, vulden mijn ogen zich met tranen. Hoe kon het toch verdorie, dat deze vrouw die ik niet eens zo goed kende, meer van me wist dan mijn eigen vrienden of familie. Ze opende de deur voorzichtig en knikte uitnodigend. Terwijl de tranen over mijn wangen rolden, stapte ik naar binnen. In haar vertrouwde groene zetel, met een kopje koffie en een koekske, zat ik te snikken. Het was de laatste dagen, na die ene avond waarop zo luid werd geschreeuwd, erg stil geweest, zei ze. “Meiske toch”. Ze had gelijk, ik was weer alleen. Hij was vertrokken met slaande deuren. Gisteren was hij nog één keer langs geweest, bewust op een moment waarop ik er niet was. Ik wist het omdat zijn gitaar weg was en omdat hij had opgeruimd, dat had hij niet kunnen laten.

De onderbuurvrouw had weer alles gehoord. Het was hetzelfde verhaal, altijd weer opnieuw. In het begin hoorde ze gelach, enthousiast gehol op de trappen, gehijg en mijn enthousiaste, opgewonden gilletjes. Ze hoorde mijn geluk en passie en ze hield haar hart vast. “Ge laat ze te snel binnen meiske. Ge moogt zo rap niet zijn.” Terwijl ze hoorde hoe gelukkig ik was, wist ze al dat het niet zou blijven duren en kocht alvast koekskes voor bij de koffie. Ze hoorde steeds vaker harde woorden. Af en toe een deur die dichtsloeg. Dan een hoogtepunt aan geschreeuw, hoe later in de nacht hoe heftiger. En uiteindelijk de week stilte en de vraag: “Zijt ge weer alleen, meiske?”.

Ze kwam naast me zitten en zuchtte. “Zeg het eens meiske, vertel het eens.” En ik vertelde. Ik vertelde haar wat ik nooit iemand verteld had, behalve hem. Dat ik enkel kon slapen met een mannenlijf naast mij. Dat de spoken van mijn jeugd me enkel dan met rust lieten. Een mannenlijf, het maakte niet uit wie het was, was voldoende om mij te doen slapen. Dus ik haalde ze binnen, zo snel als ik kon. Ik zocht de wanhopigen die gemakkelijk te overtuigen waren. Ik zei dat dit liefde was en waarom zouden we dan nog wachten. En ik kreeg een warm lijf in mijn bed. Voor weken, soms maanden. En ik sliep.

Nu was ik weer alleen en had een week van slapeloze nachten achter de rug. Mijn moeder had het ook. In het land van mijn geboorte geloofden ze dat het een dode was. Een dode die bij het inslapen op je kwam zitten en je probeerde te wurgen. Mijn moeder werd soms wakker in de nacht en kon niet bewegen. Haar armen, haar benen, haar hele lichaam verlamd. En rond haar nek twee handen, steeds strakker waardoor ze niet kon ademhalen. Ze zag de dode, voelde zijn handen en hoorde hem fluisteren in haar oor. Toen ik er nog in geloofde, zag ik het ook.

Nu waren het bij mij enkel de stemmen, maar het was nog steeds verschrikkelijk. Ik werd wakker en hoorde duizenden stemmen fluisteren, oorverdovend fluisteren. Ik was doodsbang maar kon niets doen, ik kon niet bewegen, ik kon mezelf niet wakker schudden. De angst daarvoor hield me vele nachten wakker. Ik was bang om in te slapen, bleef liever een hele nacht op dan die stemmen van de dood in mijn oren. Die verlamming, die machteloosheid, dat afwachten tot het zou overgaan.

Deze keer was het anders geweest. Hij had zich niet zo snel laten overtuigen, hij was niet wanhopig maar wel erg verliefd. Ik wilde hem in mijn huis, niet enkel om te slapen maar ook om met hem wakker te zijn. Hij was niet spraakzaam maar aanwezig. Ik kon hem ruiken, voelen en proeven. Waarom zou ik in slaap willen vallen zolang hij in de buurt was? Ik wilde van alle momenten genieten met hem, voor zolang het zou duren.

Ik had hem zelfs verteld over mijn nachten wanneer ik alleen was en wat mij teisterde, hij was de eerste. Hij had mijn voorhoofd gekust en beloofd dat hij ze zou weghouden, de doden. Dat hij me met zwaard en schild zou verdedigen. Hij had me in mijn slaap horen praten in mijn moedertaal en was nog verliefder geworden. Ik had een keer gekwijld op zijn kussen en hij had daarvan gehouden.

“Hij is deze keer lang gebleven hé meiske. En ge waart zo rustig samen. Als hij voor u zong, kreeg ik kippenvel. Mijnen Julien kon dat toch niet hoor, zo zingen. Hij deed het wel eens, maar ’t was altijd vals.” Doodvermoeid rustte mijn hoofd tegen de onderbuurvrouw haar arm, die ze rond mij geslagen had. Ik voelde hoe ook dit lichaam genoeg zou zijn om in een diepe, bodemloze slaap te vallen. De onderbuurvrouw zette zich voorzichtig wat gemakkelijker in de zetel en geeuwde.

Ik hoorde de stemmen op de radio en het getsjilp van de kanarie eerst luid om daarna op de achtergrond te verdwijnen. Ik hoorde niet hoe beneden de voordeur openging. Ik hoorde zijn aarzelende voetstappen op de trap niet. Ik hoorde niet hoe hij een verdieping boven mij op de deur klopte en zijn sleutel gebruikte om binnen te gaan. Ik hoorde zijn gerommel in de keuken niet. Ik hoorde het gesnurk van de onderbuurvrouw niet. Ik sliep.

lang gewacht

Ik heb lang gewacht. Nog nooit zo durven hopen. Ik heb het gevoeld, de nacht die zich om mijn oren krulde en rustte in mijn nek. Het getintel van de lucht, de dagdeeltjes die ploften en oplosten en zwarte gaten achterlieten. De geur van restjes gras tussen mijn kleren. Nog nooit heb ik zo durven hopen als toen. 

We joegen op elkaar op diezelfde plaats. Onze naakte lichamen die gleden en streelden en kronkelden van genot en angst. De geur van restjes jij tussen mijn kleren. Je waarschuwde me: je tikte op mijn blinde rug, schudde mijn dove armen en kuste wanhopig mijn verlamde lippen. Ik blind, doof, verlamd, jij zag alles, de volle driehonderdzestig graden, van de striemen op mijn rug tot het pompen van mijn hart. Ik was niet meer aanwezig, overgeleverd aan je sterkte, je hitte, je energie, je mannelijkheid, week was ik, in jouw dienst. En dus kwam ik steeds terug, koortsachtig verlangend naar je geur. Altijd weer op diezelfde plaats, waar alles oneindig was, waar de nacht enkel voor ons was uitgevonden. 

En toen ik op een keer niet meer blind was en zag wat je wou tonen, loste ik – liep ik leeg – viel ik pijlsnel naar beneden. Jij kon me niet vangen, mocht niet dus ging ik stuk op diezelfde plaats. Jij kwam je prooi aanschouwen en verdween, jouw kapotte kleine jongen achterlatend. Je verdween en nooit was ik eenzamer. Slechts het wegstervende klokgelui in een spookdorp, door niemand gehoord, door niemand opgemerkt. Toen weende ik omdat ik mijn moeder niet meer had. Omdat ik haar troostende moedermelk wilde proeven op mijn tong, omdat ik wou rusten op haar sterke onderarm, gewiegd worden tegen haar borsten. Maar de nacht was donker en ik was alleen en de dood dichtbij. 

Nog een keer kwam ik bij je bed. De lucht in de kamer was dik en mistig en ik kon niet ademhalen, maar daar doorheen priemden je ogen. Overgeleverd aan een woest verlangen om te gaan met jou, sloot ik de deur en liet je achter. 

Ik heb lang gewacht. Nog nooit zo durven hopen. Het was de enige mogelijkheid: mijn hoofd, lichaam, handen vol hoop. De enige mogelijkheid om op diezelfde plaats te staan, te hurken, te wachten. Alle hoop die ik had kunnen vinden, verzameld op die plek. Gestapeld, goed in het zicht. Maar je scheurde zonder aarzeling weg en in stukjes. Je danste weg met onze nacht als een laken over je schouders gedrapeerd. Jouw schouders. Onze nacht. 

Ik ben op diezelfde plek. Ik ween om mijn moeder, kleed me uit en bedek me met scherven hoop. Een bereidwillige prooi zonder jager. 

zwart-witte minaars

Zwart-wit was onze liefde. Drie kinderen met lachjes en een mooie vrouw had je. Met volle lippen, groene ogen, blozende wangen, vuurrood haar, ronde vormen en hoge hakken. Jij de charmante, zwierige man die het gemaakt had in het leven. 

Zwart-wit was onze fictie. En jij, de zwart-witte minnaar. Eerst in pak. Je hoed die voor een eeuwige schaduw op je gezicht zorgde die zelfs bleef als je hem afzette. Jij zonder pak. Een deftig kuchje om aandacht. Bloot bij mijn raam. Geen licht behalve dat van de straatlantaarns dat van jou een schim in sepia maakte. Je gespierde schouders en de zachte lijn naar beneden. Je droeg niets dan een sigaret. Rook die rond je lichaam cirkelde. Eerst rustig dalend en dan terug langs je geslacht en navel het raam uit. Je stevige billen enkel nog twee witte rondjes en beneden zachte hielen die op de grond steunden, alles daarrond schaduw. 

Dus ik, nog naamloos, de zwart-witte minnares. Voorzichtig uit mijn nachtkleed gestapt. Gewichtloos neergestreken te midden van een nietsvermoedende rimpelloze vlakte. Nieuwsgierig verkend en gestreeld nu door de opgeschrikte golfjes water. Een bijna doorschijnende huid die glooide naar de donkere, aarzelende tepels die op het water dansten. Daaronder borsten als voorzichtige bergjes wit zand die bij de vroegste vloed zouden wegspoelen en verdwijnen. Tenen gekromd tegen de bleke badrand. Mijn kleurloos gezicht met gesloten ogen omkaderd door de stuurloze, pikzwarte haren die niet wisten waarheen nu de zwaartekracht geen effect meer op hen had. 

We waren zwart-witte minnaars die in de schaduwen van de stad zochten naar de fictie van het donkere maar tegelijk broze en lichte dat we niet vonden in de dag. Die in elkaars bleke plooien en oncontroleerbaar zwart de werkelijkheid vonden die zich enkel kon afspelen in de nacht.  

De drie kinderen met de lachjes en de plots naamloze blozende vrouw met het rood werden dan zonder meer de fictie.

Jacques

Hij goot het laatste restje wijn naar binnen en vulde zijn glas opnieuw. Door het raam zag hij zijn rosse kat geconcentreerd naar het gekliefde brandhout turen. Het was de dag voor Kerstmis en het begon al te schemeren. De schuur was zowat de enige plek in de omgeving waar geen dikke laag sneeuw lag. De kat wachtte geduldig op de minste beweging die zou verraden waar de veldmuis zich verstopt had. Net toen ze zich schrap zette om te springen, hoorde hij dat er op de voordeur werd geklopt. Hij verwachtte geen bezoek, maar moest onvermijdelijk aan Jacques denken. En aan zijn woorden. ‘Stop nu met janken. Wij zullen elkaar terugzien, vriend. We zullen onze laatste jaren samen slijten en ze mogen ons dan samen begraven.’

Lekker wijntje, beter dan de vorige fles die hij net soldaat had gemaakt. Hij schonk nog eens vol. Slechts enkele maanden had hij nog te leven, dat wist hij sinds kort. Hij had zijn vriend ondertussen 15 jaar niet meer gezien. Jacques lachte hem charmant toe vanop het dressoir. Een echte casanova was hij met kraaienpootjes bij zijn blauwe ogen en een brede mond waarvan de hoeken speels omhoog krulden. Hij begreep waarom zoveel vrouwen voor hem vielen, hij was ook zo vaak voor Jacques gevallen. Hij kon nooit lang kwaad op hem zijn als hij weer eens een liefje had ingepikt. Zijn woede verdween als sneeuw voor de zon van zodra Jacques hem verontschuldigend toegrijnsde. ‘Vriend, ’t zijn maar vrouwen. Je laat die toch niet tussen ons komen?’

Ach, het kon onmogelijk Jacques zijn, dat wist hij wel. Misschien had hij zich het geklop ingebeeld. Het was behalve die ene klop verder stil gebleven. Daar had hij nooit aan kunnen wennen, de stilte van dit huis, dit land. Soms dacht hij dat het hem langzaam gek maakte. De fles was leeg. Tijd voor een glaasje van zijn favoriete whisky. Lagavulin, hij had vorige week nog een fles cadeau gekregen van zijn huisdokter. Tegen de pijn.

Hij vulde zijn glas gul. Hij moest eigenlijk zuinig zijn met deze dure fles, maar vanavond had hij nood aan gezelschap. Nood aan Jacques. Met de whisky kwam zijn vriend tot leven. Hij herinnerde zich nu zijn stem, zijn lach, zijn bruuske bewegingen en zijn geaarzel. Toen ze beiden weer alleen waren, hadden ze vele avonden doorgebracht op zijn terras met een fles whisky tussen hen in. Na het ledigen van zo’n fles hadden ze vaak op mekaar geschreeuwd of zelfs gevochten. De alcohol maakte dat zijn tranen van spijt en ontroering dan iets te vlot vloeiden waardoor Jacques ongemakkelijk werd. Jacques had een hekel aan zijn gevoeligheid en had hem een keer van zijn stoel geduwd zodat hij zou ophouden. Er was veel kapot gegaan in zijn leven, maar hij had nooit gedacht dat dit ook zou verdwijnen.

De dokter had goede smaak. Ze hadden elkaar beter leren kennen nu hij zo ziek was. Hij zag verder weinig mensen. Maar hij had respect voor de dokter, een zwijgzame man die op hem mopperde als hij te emotioneel of ongerust werd. Dat wist hij wel te appreciëren.

Wat als het toch Jacques was geweest aan de deur daarnet? Wat zou hij doen als hij echt aan de andere kant van de deur stond te wachten? Hij was soms zo kwaad op hem. ‘Verdomse vriend!’ zou hij schreeuwen. ’Verrader! 15 jaar heeft het geduurd voor je kwam! En je belofte, vergeet het maar. Ik ga dood, verdomme!’ Jacques zou hem willen omarmen maar hij zou het niet toelaten. Ze zouden nog een keer vechten, in de sneeuw voor de deur. Hij en zijn verrader.

Zijn ogen vulden zich met tranen bij de gedachte en hij verslikte zich in zijn whisky. Hij hoorde geschuifel bij de voordeur. Zijn hoofd gonsde. ‘Vriend.’ Zijn hart ging tekeer. Hij keek naar zijn oude handen, ze trilden en hij kreeg ze niet onder controle. Hij goot een laatste slok whisky naar binnen en stond recht.

Moeizaam opende hij de voordeur. De koude beet hem toe. Een dode muis lag als vroeg kerstcadeau voor zijn voeten. Hij staarde naar de witte velden, het ijzige, oneindige, afstandelijke winterlandschap en voelde zich eenzamer dan ooit. Hij stapte naar buiten op zijn sloffen en liet de voordeur dichtvallen. Het huis liet hij achter zich en hij wandelde tientallen minuten. Hij voelde steeds minder van de koude en het deerde hem niet dat hij moeilijk zuurstof kreeg. Het werd stil in zijn hoofd en een soort rust kwam over hem.

‘Vriend.’ Hij stond stil en hijgde. Voorzichtig hurkte hij neer in de natte sneeuw, zijn oude knieën kraakten. Hij ging languit liggen. Armen en benen wijd open. Een sneeuwengel, zoals hij als kind had geleerd van zijn moeder. Hij hoorde haar zingen. Tranen stroomden over zijn wangen. ‘Stop met janken.’ Rechts van hem lag Jacques met fonkelende ogen en een brede grijns, armen en benen wijd. Zijn hart bedaarde, hij sloot zijn ogen. ‘Vriend.’

Het was donker geworden. De kat miauwde zachtjes en krulde zich tegen het roerloze lichaam van de oude man.

bijna-zussen

Er zijn nooit zussen geweest. Wel altijd bijna-zussen. We deelden alles, belandden steeds weer in elkaars armen: snikkend, gierend, opgelucht. Elkaars armen, de enige plaats waar we begrepen werden. Onze huizen slechts enkele straten van elkaar verwijderd. In elkaars keukens. Bij elkaars moeders. Op de bankjes, bij de bomen, in de hoekjes van wat ons territorium was. Het gebied tussen de huizen was van ons. De bijna-zussen. We hoefden niet ver te rennen als we elkaar nodig hadden. We gaven boekjes rond waarin we onze diepste gedachten en vertwijfelingen neerschreven. We botsten tegen elkaar op, geloofden andere dingen, ervaarden het leven verschillend maar toch kenden we elkaar, de bijna-zussen. We bevestigden elkaar zoveel als dat nodig was, diezelfde bevestiging zouden we later eisen van de mannen die geen flauw idee hadden van hoe we elkaar verwend hadden. De bijna-zussen, altijd binnen handbereik.

Nu scheiden meer dan enkele straten ons. Een lange treinrit. Er is een baby en ik heb altijd gedacht dat ik dag in dag uit bij de baby’s van mijn bijna-zussen zou zijn. Omdat wij zo hecht, zo veel waren en dat zo zou blijven. De baby is prachtig maar een lange treinrit van me verwijderd. De bijna-zussen veranderen, leven, hebben lief en lijden en zijn niet meer binnen handbereik. Ik mis mooie momenten, trieste momenten, ik mis de gesprekken die voor een nieuwe wending zorgen. Ik ben er zo vaak niet bij.

Maar ach wat is een treinrit. Ze zijn slechts een treinrit verwijderd. Ik mis belangrijke momenten maar ben er ook zo vaak wel bij. De belangrijkste, daar ben ik bij. Ik hield de baby vast toen ze slechts enkele uurtjes in deze wereld was gegleden. Ik voelde haar warm lichaampje en zag haar trillende oogleden voorzichtig licht en donker in haar leven binnenlaten. Ik plakte de deuren en ramen van de nieuwe woonst af. Zag de nieuwe liefde waar we allemaal zo naar hadden uitgekeken en zag dat het goed was. Ik was erbij. En nog steeds botsen we tegen elkaar op, geloven we verschillende dingen en ervaren we het leven anders. Nog steeds kennen we elkaar.

En plots zijn er ook zussen. Schone zussen.
Een broer zorgde voor een zus die voor een nichtje zorgde. Een wijze zus die snel begrijpt en op weg helpt. Een mooie zus die een perfecte start maakte als vriendin. Slechts enkele straten van mij verwijderd. Een zus die zichzelf goed kent en sterk in het leven staat. Die onzekerheden en twijfels kan relativeren en vooruit kijkt in plaats van achteruit. Een zus naar wie ik opkijk.

Een lief zorgde voor vier zussen. Een kleine speelse zus met wie ik rondjes door de woonkamer dans. Met wie ik door de tuin ren en liedjes zing en wiens lieve handen vol vertrouwen in de mijne rusten. Een zus van wie ik hoop dat ze lang zo onbezorgd, speels en kinds zal blijven. Een andere zus die langzaam vrouw wordt maar dat ziet ze zelf nog niet helemaal. Een prille schoonheid, zich daar niet van bewust, die woelige jaren voor zich heeft. Ik hoop dat haar mooie ogen mooie dingen zullen zien en ik hoop dat ik erbij mag zijn als ze minder mooie dingen ziet. Dat ze me zal vertrouwen en dat ik haar vriendin kan zijn. Er is ook de ontzettend moedige zus die al twee keer moeder is. Ze toont zo eerlijk haar zwaktes waardoor ik zie dat ik ondanks de compleet verschillende achtergrond meer op haar lijk dan ik had kunnen denken. Ik hou van haar zwaktes omdat ze haar zo menselijk maken. Zo echt. Ze heeft daarnaast ook zoveel sterktes die haar de mooie vrouw maken die ze is. Ze is de zus die haar eigen bijna-zussen nooit ziet omdat ze aan de andere kant van de wereld wonen. Ze kijkt naar me en wil me kennen en ik wil haar ook graag kennen en haar vriendin zijn. En dan de vierde zus, ook al moeder van twee, één van de meest integere personen die ik ken. Ze ziet mensen, oordeelt zelden en heeft zoveel ongecompliceerde liefde voor de mensen die haar dierbaar zijn. Haar eenvoud maakt haar ontzettend mooi en geeft haar een soort ongewone wijsheid.
Bijna-zussen, de allerliefste, slechts een treinrit ver. Schone zussen, talrijk, dichtbij of verder weg.

De vrouwen in mijn leven.

in het Oude Badhuis

Nog één keer. Hij zou nog één laatste baantje zwemmen. Dat laatste baantje, daar genoot hij altijd het meeste van. Hij concentreerde zich dan op elke beweging, op zijn hand die bij elke slag het water in tweeën spleet, op de tientallen luchtbelletjes die zich langs zijn huidplooien naar de oppervlakte bewogen en op de gewichtloosheid van zijn anders zo logge lichaam. Het had zowat hetzelfde effect als een 15-tal biertjes op vrijdagavond. Het totale plaatje dat op de achtergrond verdween en de details die werden uitvergroot. Details die hem ontroerden.

In het water waren dat de belletjes, de grote klok die hij zag bij elke hap naar lucht: eerst troebel, dan één tel scherp alvorens hij terug onder water verdween. De overijverige badmeester die heen en weer rende, mensen ter orde floot en flirtte met zijn 10 jaar jongere collega. De afwisselend samengeknepen en ontspannen bilspieren van de vrouw die voor hem zwom.

In het café was het de muziek die na een zeker percentage aan alcohol recht door zijn hart sneed. De oude vrouw die god-weet-waarom zo laat nog eenzaam aan een tafeltje zat, starend naar haar glas dat al uren leeg was. Het meisje met de perfecte borsten achter de bar, gepiercet en getatoeëerd, hemelsblauwe ogen en een zachte blik. Ze ontroerde hem en hij wilde haar graag meenemen naar huis. Bij het wakker worden: die borsten, die ogen!

Nog één keer. Eén allerlaatste baantje. Straks moest hij zich uit dat water hijsen. Zich in zijn kleren wurmen in de veel te warme ruimte. Het zweet zou langs zijn gezicht stromen en alle details en ontroering zouden verdwenen zijn. Enkel het totale plaatje zou te zien zijn, het onontkoombare totale plaatje. Maar dat moest nu nog niet. De klok schoot voorbij, de badmeester floot naar een rennend jongetje, zijn armen droegen zijn lichaam als vleugels op het water. De vrouw voor hem: bij elke slag met haar benen spanden haar billen zich op om daarna trillend te ontspannen, nog even na te deinen en zich daarna weer op te spannen. Prachtig vond hij het. Hij drukte zijn duikbril dichter aan en zwom haar achterna. Pure ontroering maakte zich van hem meester en hij moest, hij zou voelen. Waarom zou het totale plaatje moeten bestaan als dit prachtige detail er was? Doelbewuster dan ooit, de krop der ontroering nog in zijn keel, voelde hij haar zachte maar stevige bil ontspannen in zijn handpalm. Perfectie.

mādarloos

mādar, ik deed je pijn
ik heb me van je afgesneden en verlaten
je kleinkinderen door jouw hart gedragen, gezoogd en gesust
weggerukt
ik ben vertrokken naar het land van de beloftes en je zwaaide niet
je trillende hand op je hart vroeg
hoe moet ik verder

mādar, je doet me pijn
je hebt me afgesneden en verlaten
en je kleinkinderen die nog knikkebollend rustten in je hart
dat vandaag koud geworden is
je bent vertrokken zonder te wachten op mijn komst
zonder mijn hart bij jouw hart
mādar hoe moet ik verder

ik heb jou niet kunnen brengen mādar
niet kunnen dragen en sussen en wiegen op je weg
je magere handen hielden op met trillen
voor ik ze kon grijpen, strelen, kussen

mādar je doet me pijn
je kon niet op mij wachten
je gleed uit je lichaam voor je er erg in had
het land van de beloftes is nu zonder troost
zonder jouw gezang, gewieg, jouw strelen

mādarloos en de woorden die je in mijn mond legde kwijt

voor Bidar

Barry

Een zacht windje waait door onze haren terwijl we op onze hurken zitten en met steentjes mieren doodduwen. Mijn haar wordt te lang, dat zei oma gisteren nog. Ik hou ervan het even uit mijn gezicht te blazen en het daarna koppig terug te voelen glijden. Mijn T-shirt ruikt naar het wasproduct van oma. Ik vind dat best. Dat van moeder rook je nauwelijks omdat ze er te weinig van gebruikte. Ook Barry ruikt nu lekker en voor het eerst heeft hij veel sproeten in zijn gezicht. De dode mieren worden een smeerboel dus we besluiten sprinkhanen te gaan vangen in het veldje achter oma’s huis.

Eind augustus is het en we moeten bijna terug naar school. Tenminste, dat hopen we. Eigenlijk weten we nog steeds niet wat er nu gaat gebeuren. Oma zegt dat zij alles zal regelen, dat wij zoveel mogelijk moeten buiten spelen. Barry ligt op zijn buik in het hoge gras en wacht tot een sprinkhaan nadert. Ik denk dat Barry een beetje kapot gegaan is toen het gebeurde en heb geen idee hoe ik hem kan repareren. Oma lijkt het ook niet te weten.

Maar vandaag is een goeie dag. Hij is al de hele dag uitgelaten en daarnet wandelden we met de armen over elkaars schouders geslagen langs het water. Barry’s initiatief. Bijna zoals vóór het gebeurde, toen we samen vochten tegen de grote jongens, huilden in onze kamer bij mama en lachten om de mopjes van de kalender. Toen we met een oud zakmes bloedbroeders voor het leven werden. De ontstoken vinger maakte het des te echter.

Dat is de laatste weken wel anders. In het begin kroop ik bij hem in bed en hield hem vast tot hij wakker werd uit zijn nachtmerrie, bedaarde en nog nasnikkend terug in slaap viel. Hij liet het toen nog toe. Later werd hij woedend als hij me zag bij het wakker worden. Ik mocht hem niet vasthouden, moest vanuit mijn bed toekijken hoe hij vocht met wat hem elke nacht teisterde. Hij heeft moord en brand geschreeuwd tot oma toestemde om hem alleen te laten slapen. Ik word nu enkel ’s morgens nog geconfronteerd met mijn bleke, kleine broer met donkere kringen onder de ogen, die, terwijl iedereen nog sliep, zijn beddengoed al in de wasmachine heeft gestopt.

Maar vandaag is het een goede dag. Barry heeft een sprinkhaan gevangen en schatert omdat het beestje hem kietelt, zo tussen zijn samengeklemde handen. We willen hem zien! Voorzichtig opent Barry zijn handen. ’t Is een prachtexemplaar: bijna fluogroen en wel 6 centimeter groot. We wachten op de plotse sprong die het beest elk moment kan maken. Het dier blijft echter zitten op Barry’s hand, staart ons met zijn uitpuilende oogjes aan. De seconden lijken uren, de sprinkhaan verroert zich niet. Barry fluistert. ‘Je moet niet bij mij blijven, ik moet alleen zijn …’  Pas als een traan recht op zijn kleine kopje landt, kruipt de sprinkhaan – met tegenzin, zo lijkt het wel – naar de rand van Barry’s hand, om na enig aarzelen met een grote sprong tussen de grashalmen te verdwijnen. Ik leg mijn hand op Barry’s schouder. Hij laat het toe. Geluidloos huilt hij en trekt mijn arm verder om zich heen.

’s Avond klopt hij op mijn kamerdeur. Ik hoopte al dat hij zou komen. Later in de nacht word ik wakker van een klein, warm jongetje dat tegen me aan komt liggen, wiens haarpieken in mijn neus kriebelen. Ik houd hem vast en huil in zijn nek.

‘Niemand moet alleen zijn.’