Hoe ik leef

Het is goed zo.

Ik fiets onder bruggen, met wind die huilt en trekt en draait en die ik bejubel in mijn rug of aan het water of als ik binnen zit en die ik vervloek als ik de energie niet vind er tegenin te gaan en ik me zo leeg en machteloos voel, dat kan alleen de wind met me doen. De herfst is mijn beste. Alleen de herfst krijgt mij aan het dansen en op mijn knieën, zuigt mij leeg en vult mij weer, jaagt mij naar buiten en trekt me weer naar binnen, en maakt het mogelijk te schreeuwen zonder gehoord te worden. Alleen de herfst kan dingen veroorzaken en ongedaan maken zonder daar om te geven, herinneringen brengen en weer laten sterven met de rest.

En mijn ander deel hij kijkt rond terwijl ik lees. Ik probeer het uit te leggen en hij knikt en glimlacht, zo lief. En als de trein vertraagt pakt hij onze spullen in terwijl ik lees tot het allerlaatste moment waarop hij het boek uit mijn handen neemt en dichtklapt. En soms dansen wij rond de tafel zonder kleren met onze vuisten in de lucht omdat wij strijden met het leven en het omarmen. Omdat wij met elkaar strijden maar nooit zonder het omarmen. En dat wij bang zijn van nieuw leven omdat wij bang zijn van dit leven. Omdat wij zo langzaam en zo plots alles wat we geloofden hebben achtergelaten. Wij durven soms niet te leven en kunnen soms niet leven met onze vragen en zijn soms gewoon bang om samen eenzaam te zijn zonder antwoorden.

Vier keer in de zetel. Zij leunt tegen het kussen, ik mijn hoofd op haar schouder, mijn ander deel rust op mijn arm en wordt door de vierde omarmd. We houden van elkaar en van de gezellige warmte in elkaars huizen, elkaars keukens, elkaars terras. In de zomer dronken en rookten wij samen, luisterden naar krekels en vleermuizen en probeerden elkaar te vinden. In de winter stookten wij het warm, wij lachten en huilden zelfs soms en sneeuw hielp ons lief te hebben. Vier keer in de zetel, we zwijgen en houden elkaar vast omdat we dit willen vasthouden. Ik weet dat we bang zijn voor wat komt en dit niet meer beter kan gaan en we elkaar misschien ergens zullen verliezen.

Ik worstel met hen die ik liefheb, met mezelf, met dit leven en met wat ik niet meer geloof. Ik hou vast en omarm. Ik werk, ik fiets, ik heb lief, ik droom en ik huil soms.

Het is goed zo.

jij of ik

en als ik mijn armen reik en grijp en jou vind
jou steeds vind
dat jij dan het zachtste het warmste het meeste bent
wat ik vinden kan
en als ik mijn armen reik en grijp en jou vind
ben ik volledig zijn wij eindelijk volledig het lichaam het denken het voelen
vind ik dan steeds ons niet één keer maar honderd
jij of ik – ik weet het op den duur niet meer

vier jaar meer

Ik ben ondertussen vier jaar verwijderd van jou.

En ik ben vier jaar meer. Meer verdriet, meer geluk, meer bitterheid, meer liefde, meer teleurgesteld, meer geschaterd, meer geschreeuwd, meer gedanst, meer gebonkt op muren, meer verlangd, meer gezien, gehoord, geleerd, meer liefgehad, meer gemist, meer pijn, meer angst, meer vastgehouden, meer storm, meer zon, meer leven.

Vier jaar meer leven. En wat waren dat vier ontzettend mooie jaren om te leven, want wat is leven ontzettend mooi.

En dat van jou was vier jaar geleden zo plots over, en wat is en blijft dat onbegrijpelijk. Zoveel ‘meer’ dat jij nooit mocht hebben, kennen en voelen en waar ik blijkbaar wel recht op heb. Nooit zal ik het begrijpen en het maakt me nog altijd zo kwaad en opstandig. Maar ik leef en besef hoe veel geluk ik heb, hoe ongelooflijk mooi leven is en hoe graag ik leef. Ik vind het steeds fijner en waardevoller en ik leef steeds liever.

Ik leef ondertussen vier jaar liever. En ik ben vier jaar meer gemis.

ik noem u lief

dat het zo plezant blijft met u, dat het goed gaat en gij zorgt dat ik zorg en ook wij voor elkaar
in elkaars hoofden en wij graaien en aaien zodat het meestal geen pijn doet
dat wij smakken en smachten en elkaar om de oren slaan
dat gij rust zijt en thuis en de was ophangt zo banaal en heerlijk

dat de aarde draait en wij daarop en genieten van de grond onder onze voeten
uw liefs smeert gij op de muren en het is niet te groot, nooit te groot dat ik weg zou moeten gaan
dat gij zoveel zijt en soms bijna alles en ge ploft in mij rond
dat het zo plezant blijft met u en dat gij de vuilzakken buiten zet zo banaal en heerlijk

dat antwoord ik niet als ze vragen hoe het gaat,
ik zeg eerder iets als: heel goed, jaja, echt heel goed

Kinderen zijn soms helden (maar dat blijven ze niet)

Ik zit met de handen over elkaar en kijk voorzichtig flauw glimlachend. Mijn kinderlijke, korte vingers die wat onwennig naast elkaar rusten op het tafelblad zullen nooit veel vrouwelijker worden dan dit. Mijn lippen samengeknepen tot een miniglimlach, zeker geen lach waarbij mijn tanden zichtbaar zijn. Dat wordt ten allen tijde vermeden. Ik oefende voor de spiegel, voor de juiste glimlach. Zonder tanden maar het moet toch nog een lach zijn. Het is er amper één geworden, eerder een ernstige glimlach van een kind dat het goed meent met de wereld maar veel wil veranderen. Dat wil ik ook. Ik wil liever arm zijn en in een klein huisje wonen in het bos, maar gelukkig, dan rijk en ongelukkig. Want zo leerde ik het. Als ik ooit geld zal hebben, deel ik het met alle arme mensen. Roken is slecht voor je gezondheid dus waarom zou je het ooit doen. Mensen die roken zijn dom. Als ik in de buurt kom van mensen die roken, hoest ik altijd extra hard. Elke woensdag papiertjes oprapen in de wijk, zakken vol in mama’s vuilbak. Ik gooi nooit, maar dan ook nooit, iets op de grond. De natuur is heel belangrijk, ik word later boswachter of tuinvrouw. Ik heb een beste vriendin aan wie ik alles vertel en voor wie ik zou sterven als dat nodig is, we dragen een vriendschapsbandje. Ik begrijp niet dat mensen geheimen kunnen hebben voor elkaar. Het is toch veel moeilijker om geheimen niet te vertellen dan wel. Mijn kleren maakte mijn moeder zelf. Zo past mijn haarband bij mijn jurk. Dat vinden mijn mama en haar vriendinnen heel mooi, mijn eigen vriendinnen ook maar andere klasgenoten lachen wel eens. Zij dragen kleren van merken waarvan ik nog nooit gehoord heb, maar geld is niet belangrijk, gelukkig zijn wel. En zij zijn rijk dus waarschijnlijk ongelukkig, want zo leerde ik het. Als je goeie dingen doet, zal je gelukkig zijn en God bestaat.

Ik weet nog niet dat ik het leven nooit meer zo eenvoudig zal vinden.

nu jij geweest bent

Nu jij geweest bent. Ze zeggen dat zo in gedichten: dat zoenen troosten. Je zoenen doen dat. En nu je allang weer weg bent drukken ze nog wat na, zacht. Nu ik alleen ben met je zoenen fluisteren ze. Ze weten precies waar en waarom en zo zacht. Je vingers kalmeren nu wanneer ze glijden, zacht knijpen en eeuwig blijven nastrelen. Je buik ligt nog ergens op mijn bed net binnen handbereik en gaat traag op en neer. Je navel stopte met zingen maar bromt nog wat na en pluist voorzichtig zoals bloesems in de lente. Voorzichtig mag je ook alweer terugkomen eigenlijk, zoals de bloesems in de lente.

appeltjes

Lientje was een week daarvoor 6 jaar geworden. Haar tante – waar Lientje soms schrik van had omdat zij veel tandvlees en weinig tanden toonde wanneer zij lachte – wilde haar graag meenemen naar het circus. Ze vond het zielig dat Lientjes broer zoveel ouder was en ze dus nooit broertjes of zusjes had om mee te spelen. Lientje zette haar angst opzij, want teveel tandvlees of niet, zo’n circus wilde ze toch absoluut niet missen.

Met grote ogen en open mond wandelde Lientje aan tantes hand de reusachtige tent binnen. Ze gingen halverwege op een gammel bankje zitten en Lientje mocht op tantes schoot want voor haar zat een grote, dikke man met een tattoo van een slang in zijn nek. Lientje wou liever echte slangen zien. Tante en de man bleken elkaar te kennen en de man leunde achterover om met tante te praten. Lientje werd een beetje bang toen de man bulderend begon te lachen waardoor de slang op zijn nek tot leven leek te komen. Ze drukte haar hoofd tegen tantes schouder maar ook tante begon te giechelen waarbij Lientje al dat tandvlees vlak voor haar gezicht zag verschijnen en weer verdwijnen. Lientje kon geen kant uit. Gelukkig werd het toen ineens stil en donker in de zaal. Er kwam een klein mannetje met een krulsnor naar het midden van de tent gewandeld. Oh, wat ze toen allemaal te zien kreeg! Veel mensen, allemaal in gekke pakjes; de ene slingerde aan een touw door de tent, de andere haalde konijnen uit zijn hoed en broekspijpen en de clowns waren veel grappiger dan nonkel Rudy. Wat genoot Lientje, ze was de slang en tantes tandvlees op slag vergeten.

En toen kwam de laatste act, het was iets met een reusachtig monster met klauwen en scherpe tanden, dat zei de man met de gekke snor. Een beetje angstig keek Lientje naar tante, maar die zat dromerig naar de slangenman voor haar te staren. Lientje werd al snel gerustgesteld toen het om een gewone leeuw in een kooi bleek te gaan. Leeuwen had ze al zo vaak gezien: in haar kleurboek, in de zoo en op televisie. Neen, van een leeuw was Lientje niet bang. Maar toen trok iets anders haar aandacht. De man met de zweep die naast de kooi stond, dat was de leeuwentemmer. Lientje keek verstomd naar de man: wat was hij mooi! Hij leek een beetje op haar grote broer Karel, maar zijn gezicht was veel bruiner. Hij droeg de mooiste paarse broek die Lientje ooit gezien had. En als hij lachte, oh wat werd ze daar blij van, zijn hele gezicht lachte mee, zijn tanden waren mooi wit en blonken en ze voelde zijn ogen stralen tot bij haar bankje halverwege de tent. Lientje giechelde van plezier en trappelde met haar voeten tegen tantes benen van opwinding. Maar zelfs dat merkte tante niet, haar gedachten waren helemaal bij de man met de slang, die het ook niet kon laten af en toe achter zich te kijken.

De leeuwentemmer zei iets in een taal die zij niet begreep, en de kleine meneer riep dat er iemand uit het publiek tot bij de leeuwentemmer mocht komen. Iemand die moedig en sterk was. Lientje wist dat dit alles was wat ze wilde, ze wilde dicht bij de leeuwentemmer zijn en dan moest hij nog eens lachen zoals daarnet. Ze strekte zich helemaal uit op tantes schoot en stak haar vinger zo ver mogelijk in de lucht. Ze gilde: ‘Iiiiik!’ Ach, niemand die haar opmerkte. Een grote man werd uitgekozen en die moest eigenlijk alleen maar de deur van de kooi openhouden. De leeuwentemmer zelf, met zijn prachtige broek, kroop in de kooi en na wat tromgeroffel hield hij zijn hoofd tussen de tanden in de wijd opengesperde bek van de leeuw. Het publiek hield zijn adem in, maar Lientje vond er maar niets aan. Leeuwen waren lieve dieren, dat wist ze van haar prentenboek en van de film ‘De Leeuwenkoning’. De show was nu bijna gedaan maar Lientje lette niet meer op. Ze was boos en moest vechten om haar tranen tegen te houden. Waarom had de leeuwentemmer haar er niet uitgekozen? Hij had haar vast niet gezien door de slangenman die voor haar zat. Als hij haar wel gezien zou hebben, had hij haar zeker naar voren geroepen! Die gedachte troostte haar en ze besloot zelf te zorgen dat ze de leeuwentemmer nog eens van dicht zou zien.

Toen de show voorbij was en iedereen zich klaar maakte om te vertrekken, glipte Lientje van tantes schoot en rende helemaal naar voor. Tante merkte het niet eens, die was weer met de man aan het praten en beiden lachten te luid. Er was niemand meer te zien op de plaats waar de leeuwenkooi had gestaan. De man met de snor was als laatste tussen de tentzeilen verdwenen, en voor hem de leeuwentemmer. Lientje wist dus waar ze naartoe moest. Ze kroop tussen de tentzeilen en kwam in een kleinere tent terecht waar ze zag hoe de artiesten zich uitkleedden, hun schmink afveegden en hun spullen bijeen zochten. Ze zagen er plots allemaal zo gewoon uit. Behalve de leeuwentemmer: plots zag ze hem staan. Hij droeg nog steeds zijn zachte paarse broek en stond in zijn eentje een knoop aan zijn jasje te naaien. Hij zag er prachtig uit. Niemand had haar tot nu toe opgemerkt dus ze kon ongestoord naar hem toe rennen. Ze tikte op zijn arm en keek vol verwachting naar boven. Verbaasd keek hij haar aan. ‘Ik wil met jou trouwen!’ zei ze heel dapper. Vragend maar vriendelijk fronste hij zijn wenkbrauwen: ‘Qué?’ Hij boog zich voorover, Lientje kon hem ruiken. Hij rook lekker naar appeltjes, naar de shampoo die Karel ook gebruikte. ‘Je ruikt zoals mijn grote broer. Hij geeft les op mijn school, volgend jaar is hij mijn meester!’ De man lachte niet-begrijpend. Lientje zag hem nu toch van dichtbij lachen, wat was hij mooi. Ze zou met deze man trouwen, dat had ze geweten van het eerste moment dat ze hem zag.

Op dat moment kwam haar tante de kleine tent binnengestormd. ‘Hier ben je! Wat ben je toch een onmogelijk kind, zomaar wegsluipen terwijl ik even met die vriendelijk man aan het praten was. Excuseert u me meneer! Hopelijk viel ze u niet lastig?’ Ze wachtte geen antwoord af, greep Lientje bij de arm en trok haar terug naar de grote tent die ondertussen helemaal leeggelopen was. Lientje zag nog even hoe de leeuwentemmer lachte en zwaaide en toen niets meer. Tante mopperde nog na: ‘En ik had nog wel zo’n fijn gesprek met Bruno, nu is hij natuurlijk al naar huis gegaan.’ De hele terugrit huilde Lientje, ze stikte bijna in haar tranen. Wat had zij een verdriet. Tante, die zich nu wel wat schuldig voelde, troostte haar en beloofde dat ze volgend jaar terug zouden gaan. Lientje droomde het hele jaar van haar leeuwentemmer, ze tekende hem wel honderd keer en telde af tot haar 7de verjaardag.

De leeuwentemmer was een kleine, bleke man met putten in zijn wangen en een dikke neus. Zijn broek was groen en lelijk en hij keek met opengesperde ogen het publiek in. Geen enkele keer lachte hij en Lientje stak haar vinger niet op. Ze wist dat ze haar leeuwentemmer nooit meer terug zou zien.

Later, toen ze ouder was, werd ze nog vele malen verliefd. Halsoverkop. En ze had nog vaak liefdesverdriet. Maar nooit meer was het zoals die allereerste keer met de leeuwentemmer. Haar leeuwentemmer die naar appeltjes rook.

het rijmt een beetje

mag ik gewoon
een beetje schoon
voor boven op mijn kast

mag ik gewoon
een beetje schoon
voor ’s avonds op de tast

een schelleke van uw zachte buik
een stukske oor of een brokske arm
het maakt mij eigenlijk niet zoveel uit
als het maar van u is: schoon en warm

oude mensen

Samen zaten ze op hun vertrouwde bankje. Ze had vanmorgen haar rimpels nog geteld en voelde zich plots ontzettend oud. Nooit eerder had ze er zo over nagedacht maar vanmorgen had ze met een schok beseft dat ze een oude vrouw geworden was. Ze keek naar een foto van vijftig jaar geleden. Ze had lange, krullende, zwarte haren gehad die nu grijs en dood als stro over haar hoofd gedrapeerd zaten. De vrouw op de foto had blozende wangen en keek guitig in de camera met een aanstekelijke levenslust. Ze was altijd een optimistisch, levenslustig persoontje geweest en mensen hielden er van haar in de buurt te hebben. Nog steeds vroegen vele bewoners regelmatig of ze mee kwam kaarten en bloemschikken omdat de vervelende stiltes er dan zelden waren. Ze had altijd iets te vertellen en zorgde voor gegiechel en lachsalvo’s met haar sappige verhalen.

Vanmorgen was ze het kwijt. Ze keek in de spiegel en voelde hoe de moed haar in de schoenen zonk. Ze zag er uit alsof ze haar hele leven in bad had gezeten: klein, gerimpeld, verschrompeld, krom. Zonder haar bril op leek het nog mee te vallen, maar haar bril moest op en dan zag ze een gezicht vol plooien, kraters en ongewenste haren. Ze herkende zichzelf nauwelijks. Ze had dit natuurlijk al vaak gezien, maar vandaag, op haar tachtigste verjaardag, leken de rimpels zich in één nacht razendsnel vermenigvuldigd te hebben. Ze liep leeg. Het leven vloeide uit haar en ze voelde zich plots verslagen en wanhopig. Ze was zo moe en voelde zich ontzettend oud.

‘Ik ben ontzettend oud.’ Haar gekwelde stem. Tranen welden op en ze keek hem angstig en hartverscheurend droevig aan. Hij moest haar redden van de angst en wanhoop die haar sinds vanochtend hadden overvallen. Ze had haar doemgedachten proberen te bannen, ze had de eendjes gevoederd, gekeken naar spelende kinderen en getracht haar positieve zelf terug te vinden. Ze was er niet in geslaagd. Ze wou maar één ding en dat was gaan slapen en niet meer wakker worden. Hij glimlachte, haalde een verfrommeld zakje tevoorschijn en legde het in haar open hand. ‘Gelukkige verjaardag.’ Met de trillende handen waar ze zo’n hekel aan had, prutste ze het touwtje los en opende het zakje. Glazen oorbellen die op grote druppels leken. Ze hield ze voorzichtig in de lucht zodat het waterige herfstzonnetje in het glas weerkaatste. Ze vond ze prachtig. Haar reeds vermoeide armen liet ze in haar schoot ploffen en één oorbel rolde uit haar hand en viel tussen de bladeren. Een traan drupte van haar kin. ‘Ik kan ze niet dragen, ik heb geen gaatjes.’

Hij wist dat. Hij was een man met een plan.

Even later verlieten ze het rustige park en wandelden het drukke winkelcentrum binnen. Ze had nooit echt kunnen wennen aan de drukte en het gejaag, waar toen zij jong was nog geen sprake van was. Ze zuchtte en voelde een grote drang om terug naar haar kleine kamertje te gaan en daar een potje te gaan huilen. Maar hij was jong, sterk en vastberaden en stuurde haar voorzichtig door de massa. Ze vonden een klein winkeltje en alweer nam hij de leiding en trok haar de winkel binnen. Een verbaasde verkoopster vroeg of ze het heel zeker wist. Hij knikte in haar plaats en even later zat ze op het stoeltje. Haar onderlip trilde een beetje en haar oude handen waren nat van het zweet. Ze was doodsbang en voelde tegelijk een soort opwinding die ze al jaren niet meer had gevoeld. Het voelde zoals toen ze als tiener haar eerste plaat had gekocht. Of als ze een nieuwe jurk had of een nieuw kapsel. Dan was dat een week lang het eerste waar ze aan dacht als ze wakker werd en het zorgde voor warme kronkels in haar buik. ‘Houd uw hoofd stil alstublieft, mevrouw.’ Een hele korte pijnprikkel en daarna een warm gloeiend geklop in haar oorlel. Zo ging het twee keer en voor ze het wist, stond ze alweer recht en rekende hij af. Hij glimlachte breed en zei dat hij haar de moedigste vrouw op aarde vond. Ze mocht nog even in het spiegeltje kijken. Twee kleine diamantjes schitterden aan haar oren en ze grinnikte. Een beetje verdwaasd schuifelde ze de winkel weer uit en keek hoopvol rond om te zien of mensen haar opmerkten. Ze had gaatjes en diamantjes. Dat moesten de mensen zien. Een oplettende ziel zou zien hoe ze veel rechter, vlotter en trotser tussen de mensen stapte dan toen ze net daarvoor bijna de winkel moest worden binnengeduwd.

Een hele week werd ze wakker met warme kronkels in haar buik. Enkele weken later mochten de glazen oorringen erin en ze voelde zich jong, mooi en vrouw. Ze liet voortaan haar bril op het kastje liggen als ze ‘s ochtends in de spiegel keek. Ze dacht dan aan al die oude mensen die al negentig of ouder waren. Daar stond ze nog zo ver van af.

iedereen wil zo’n gaatje

schaterende handjes gillende beentjes bolle wangen guitige oogjes. ze vallen zacht van de ene zon in de andere in de andere in de andere. ze kennen geen verdriet dat echt genoeg is en duwen met hun wijsvinger gaten in de dikke wolken als het licht weg is. onder zo’n gaatje is er voor hen altijd zon. de vogels ontstaan wanneer zij lachen. ze vliegen in grote cirkels boven hun hoofden en verspreiden zich daarna in bossen en boven vijvers. ze hebben alle kleuren en zingen want ook zij kennen geen echt verdriet. ze vallen zacht van de ene tak in de andere in de andere in de andere.

ze vallen zacht want ach wat is nu echt verdriet