schilder

Met uw penseel.

Ik kan u zien zitten in uw rommelige, kleine kamertje. U bent een beetje verbaasd dat ze zo voor u zit, is het niet? Vindt u haar mooi? Ik denk het wel, ik zie uw blik wat verzachten nu u wat langer naar haar kijkt. Kan u aarzelend uw penseel opnemen, die door uw vingers laten glijden en dopen in warme verf? Kan u haar haren uit haar ogen schilderen: zacht, langzaam en zorgvuldig? Kan u dan met een paar vegen haar rimpels laten verdwijnen? Brom ondertussen een liedje, zacht en vals. Zal u haar bezorgde trekken overschilderen? Daarbij kan u haar stromende tranen gebruiken voor de landschappen en kastelen die u op haar gezicht zal toveren. Zal u haar gezicht zo strelen tot het straalt? En vertelt u daarna het verhaal dat u schilderde: over landschappen en kastelen, tot ze in slaap valt, tegen u aan. Kan u van haar houden meneer de schilder, als ze ineens zo kwetsbaar in uw armen ligt? Geeft u haar dan zoete kussen als ze wakker wordt.

U kan dat want u bent een kunstenaar, meneer de schilder.

zonder nachtmerries

Omdat je er zo breekbaar uitzag in je eentje op die grote stoel. Omdat je zo fijn leek, lief lachte en naar hem keek met die grote, blauwe ogen. Omdat je jurk wapperde om je dunnen benen en hij zag dat je huiverde. Dat je voorzichtig aan het doodgaan was, zachtjes zodat je er niemand mee zou storen. Daarom nam hij je mee.

Je zei dat je een man zocht die je de pijn kon doen vergeten. Hij lachte, je zag kraaienpootjes en vergat de pijn. Je mocht in zijn schommelstoel, gewikkeld in zijn warmste en zachtste dekens. Later gingen jullie wandelen en je genoot van de wind die met je haren speelde en hij hield je stevig vast zodat diezelfde wind je niet omver kon blazen. De wandeling was kort en ging traag maar je genoot en sliep daarna als een roos. Zonder nachtmerries. Hij bleef de hele nacht wakker en keek hoe je zacht in- en uitademde en verbaasde zich over de schoonheid van je broze lichaam dat bijna onmerkbaar op en neer ging. ’s Ochtends lag er een briefje: Ik wil je in mijn buurt, voor altijd. Je zei dat je een man zocht die een muts en sjaal voor je kon breien, omdat je het altijd zo koud had. Hij zou de hele wereld voor je breien. (Je brak steeds een beetje meer.) Je schreef verhalen en las die ’s avonds voor op het terras. Jij in de steeds groter wordende schommelstoel, hij op de trap, met zijn rug naar je toe terwijl hij in de duisternis staarde.

Omdat je er zo breekbaar uitzag in je eentje in de grote stoel, huilde hij.

Ik kan dit verhaal niet goed afmaken. Mag ik hier stoppen?

eindigen

Dat gij op uw knieën moet plaatsnemen in een veld vol witte bloemen en daar touwen rond uw vingers moet binden. Heel traag want gij zijt zo geduldig. Dat merk ik soms. En dat gij daarna vlinders moet vangen. En ge moet snel zijn want ze komen één voor één onverwachts uit de grond gekropen. En gij moet hen grijpen en zij zullen verbaasd zijn over uw snelheid. Dat droom ik soms. Dat als gij het uiteindelijk zult wagen en gij uw hand zult uitstrekken en haar hals strelen, zij naar u zal opkijken en fluisteren, ja. Dat zegt ze soms. Dat gij hoeden moet maken en die daarna verkopen. En dat iedereen een hoed van u zal willen, omdat gij de mooiste hoeden van het land hebt. Want gij hebt ze zelf gemaakt en alles wat gij maakt is mooi. Zo lijkt het soms. Dat gij moet knikken als gij de muziek hoort, eerst zacht en steeds harder tot gij het niet meer voelt. Want gij kunt dat zo dat er alleen nog muziek is. Dat zie ik soms. En dat gij een einde moogt verzinnen. Ge moet het zacht doen zodat het aanvaard zou worden, en ge moet haar vasthouden als gij het fluistert. Want gij kunt dat goed, eindigen. Dat denk ik soms.

pilletjes

Ze is mooi, ze lacht lief, ze is alles wat jij altijd gewild hebt. Je kan spelletjes maken met haar naam. Moet je doen.

Ze houdt van spelletjes. Als ze geluk heeft ziet ze hoe de kinderen met tientallen uit de bomen vallen. Het gaat heel onverwachts, net als ze denkt dat het nooit gebeuren zal. En dan moet ze snel zijn. De kinderen kloppen niet, dat weet ze ondertussen al. Gisteren was er eentje zonder rechteroorlel en één met omgedraaide lippen. Vooral die laatste was moeilijk. Als ze raadt wat niet klopt vóór het kind de grond raakt, mag ze een tegel verder. Ze is hier erg goed in, na al die jaren. De meesten laten zich afleiden. Zij niet.

Ze neemt pilletjes tegen de liefde. Ze heeft zich goed voorbereid, las zeker vijfendertig liefdesboeken en besliste het daarna. Dat van die pilletjes. Als bijverschijnsel heeft ze jeuk aan haar knieën maar dat vindt ze niet erg. Je hoort het altijd als ze in de buurt is, een zacht schrapend geluid. Ze heeft een aparte manier van krabben, niemand doet het haar na. Ze is er trots op en durft wel eens wat meer te krabben dan eigenlijk nodig is. Het hele dorp jaloers natuurlijk. Dat maakt ze goed door haar verhalen.

Ze vertelt graag. Over bomen die nooit meer zullen leven na de winter. En moeders die vanuit de keuken hun schort afvegen en wachten op het groen. Tevergeefs. Ze kan mooi vertellen. Het hele dorp luistert dan. Het is er zelden zo stil. Af en toe krabt ze aan haar knieën, ze wil niet dat iemand vergeet hoe apart ze dat kan.

op zondag

Hij loopt door de straten op zijn blote voeten. Iemand strooide duimspijkers en die blijven in zijn voeten steken. Omdat het niet stinkt wandelt hij verder op de maat van de muziek. Het is vrolijke muziek dus hij huppelt een beetje. Hij deelt snoepjes uit aan de kinderen. Zijn nieuwe hoed glijdt af en toe van zijn hoofd en als de woorden naar beneden komen boren ze er gaten in. Hij was niet zo goed voorbereid beseft hij, dat moet hij volgende keer wel doen. Hij kust tien mooie vrouwen, had daarvoor speciaal nog zijn snor gekamd vanmorgen. Nu timmeren de woorden door zijn intussen uiteengerafelde hoed genadeloos op zijn hoofd. Voor elke vrouw heeft hij een liefdesbrief geschreven en met blozende wangen en trillende stem van ontroering lezen ze die allen luidop voor. Eén begint de duimspijkers uit zijn voeten te trekken en wondjes te verzorgen. Hij huilt want hij herinnert zich dat hij eens van iemand heeft gehouden en dat zij zelfs de woorden zag die zijn hoofd doorboorden. Iedereen schreeuwt uitgelaten dat hij huilt en de tien vrouwen vechten om zijn tranen te drinken. Hij huilt tot ze allen hun dorst gelest hebben, zet zijn hoed nog eens recht op zijn hoofd en besluit een taxi te nemen. Hij heeft pijnlijke voeten.

jouw lied

Ik zou zacht een lied voor haar zingen, de nacht in. Met een mondharmonica op de achtergrond. Het lied zou zeggen wat ik niet kan. Iets met heel veel houden van. Met bruisend en levendig en zo ontzettend onverwachts. Het zou gaan over heel veel tranen en pijn in mijn hele lichaam. Waardoor rechtop lopen moeilijk geworden is. Ook iets van een gemis, zoals een plas water die je maar niet opgekuist krijgt omdat steeds nieuwe plassen gevormd worden. Een plas die je niet wíl opkuisen omdat je als je daarmee bezig bent, steeds jezelf erin ziet. Een lied over hoe de pijn en het zingen alleen moet. Het zou ook een lied zijn over heel veel moois. Omdat ze een prachtige bloem was die zoveel mensen gelukkig maakte. Één van de mooiste wezens op aarde. Het zou een lied zijn over nog één keer: hoe is het met je hart?

Ik zou het lied niet kunnen uitzingen door de echo in de nacht. De echo die alles weerkaatst en uitvergroot. Omdat mijn woorden zouden terugkomen om me grijnzend in het gezicht te slaan. Hard. (En omdat mijn stem zou komen vast te zitten van de tranen en een hand mijn hart ruw zou samenknijpen. Zoals nu.)

Zoals nu

IJsland

De man staat met opgestroopte broek in het water. Hij draagt een groene regenjas die te groot is en wappert tegen zijn benen. Zand schuurt langs zijn voeten. Het is zo’n nacht waarin lucht én water inktzwart zien en je nauwelijks een onderscheid ziet. Hij speelt gitaar en zingt een lied voor haar. Zijn stem gaat meteen verloren in het gewoel van de zee, en enkele gitaarakkoorden drijven nog wat verder met de wind mee. We staan daar en we kijken. Omdat het al zo lang donker is in zijn hoofd begint hij eraan te wennen, en soms ziet hij haar. Dan lacht ze.

Op de top van de wereld staat hij met zijn gitaar en zingt een lied voor haar. Het sneeuwt en zijn haar en snor en baard zijn wit van sneeuw en ijs. Hij lijkt een hele oude man. Wij staan onderaan terwijl vieze regen langs onze gezichten loopt. We luisteren hoe hij zingt en kijken hoe enkel hij daar kon geraken. We zeggen dat het niet erg is en vanbinnen sterven we. We glimlachen naar elkaar en zeggen dat hij niet zal vallen, maar we houden onze handen voorzichtig open. Omdat het al zo lang donker is in zijn hoofd is hij wat gewend aan de duisternis en soms kan hij haar zien. Ze lacht naar hem.

We vragen of hij ooit nog zal durven liefhebben. En we kijken allen naar elkaar en durven nooit meer lief te hebben. We rennen naar de eerste vreemde die voorbij wandelt en vragen of hij ons wil ontvoeren naar IJsland. Daar worden we gekust.

Hij zit achterop een huifkar, zijn haren staan alle kanten uit omdat zijn hoed allang van zijn hoofd gewaaid is. Hij zingt een lied voor haar en speelt op zijn gitaar.

postbode

ze doet haar handen voor haar gezicht en giechelt als hij binnenkomt
met die blik in zijn ogen
handen achter zijn rug
hij heeft vast een verrassing voor haar
ze gluurt tussen haar vingers door
vindt hem mooi in streepjes
grillig
ze houdt van grillig

dat deed ze vroeger ook
als papa binnenkwam met die blik
iets verborgen achter zijn rug
– niet gluren, anders krijg je helemaal niets –
hij wist dat ze toch keek
dan zag ze papa en zijn verrassing
in streepjes
voor straf kietelde hij haar dan
tot ze ’t bijna in haar broek deed

hij kietelt niet
trekt haar handen voorzichtig weg – hier is je post –