pilletjes

Ze is mooi, ze lacht lief, ze is alles wat jij altijd gewild hebt. Je kan spelletjes maken met haar naam. Moet je doen.

Ze houdt van spelletjes. Als ze geluk heeft ziet ze hoe de kinderen met tientallen uit de bomen vallen. Het gaat heel onverwachts, net als ze denkt dat het nooit gebeuren zal. En dan moet ze snel zijn. De kinderen kloppen niet, dat weet ze ondertussen al. Gisteren was er eentje zonder rechteroorlel en één met omgedraaide lippen. Vooral die laatste was moeilijk. Als ze raadt wat niet klopt vóór het kind de grond raakt, mag ze een tegel verder. Ze is hier erg goed in, na al die jaren. De meesten laten zich afleiden. Zij niet.

Ze neemt pilletjes tegen de liefde. Ze heeft zich goed voorbereid, las zeker vijfendertig liefdesboeken en besliste het daarna. Dat van die pilletjes. Als bijverschijnsel heeft ze jeuk aan haar knieën maar dat vindt ze niet erg. Je hoort het altijd als ze in de buurt is, een zacht schrapend geluid. Ze heeft een aparte manier van krabben, niemand doet het haar na. Ze is er trots op en durft wel eens wat meer te krabben dan eigenlijk nodig is. Het hele dorp jaloers natuurlijk. Dat maakt ze goed door haar verhalen.

Ze vertelt graag. Over bomen die nooit meer zullen leven na de winter. En moeders die vanuit de keuken hun schort afvegen en wachten op het groen. Tevergeefs. Ze kan mooi vertellen. Het hele dorp luistert dan. Het is er zelden zo stil. Af en toe krabt ze aan haar knieën, ze wil niet dat iemand vergeet hoe apart ze dat kan.

op zondag

Hij loopt door de straten op zijn blote voeten. Iemand strooide duimspijkers en die blijven in zijn voeten steken. Omdat het niet stinkt wandelt hij verder op de maat van de muziek. Het is vrolijke muziek dus hij huppelt een beetje. Hij deelt snoepjes uit aan de kinderen. Zijn nieuwe hoed glijdt af en toe van zijn hoofd en als de woorden naar beneden komen boren ze er gaten in. Hij was niet zo goed voorbereid beseft hij, dat moet hij volgende keer wel doen. Hij kust tien mooie vrouwen, had daarvoor speciaal nog zijn snor gekamd vanmorgen. Nu timmeren de woorden door zijn intussen uiteengerafelde hoed genadeloos op zijn hoofd. Voor elke vrouw heeft hij een liefdesbrief geschreven en met blozende wangen en trillende stem van ontroering lezen ze die allen luidop voor. Eén begint de duimspijkers uit zijn voeten te trekken en wondjes te verzorgen. Hij huilt want hij herinnert zich dat hij eens van iemand heeft gehouden en dat zij zelfs de woorden zag die zijn hoofd doorboorden. Iedereen schreeuwt uitgelaten dat hij huilt en de tien vrouwen vechten om zijn tranen te drinken. Hij huilt tot ze allen hun dorst gelest hebben, zet zijn hoed nog eens recht op zijn hoofd en besluit een taxi te nemen. Hij heeft pijnlijke voeten.

jouw lied

Ik zou zacht een lied voor haar zingen, de nacht in. Met een mondharmonica op de achtergrond. Het lied zou zeggen wat ik niet kan. Iets met heel veel houden van. Met bruisend en levendig en zo ontzettend onverwachts. Het zou gaan over heel veel tranen en pijn in mijn hele lichaam. Waardoor rechtop lopen moeilijk geworden is. Ook iets van een gemis, zoals een plas water die je maar niet opgekuist krijgt omdat steeds nieuwe plassen gevormd worden. Een plas die je niet wíl opkuisen omdat je als je daarmee bezig bent, steeds jezelf erin ziet. Een lied over hoe de pijn en het zingen alleen moet. Het zou ook een lied zijn over heel veel moois. Omdat ze een prachtige bloem was die zoveel mensen gelukkig maakte. Één van de mooiste wezens op aarde. Het zou een lied zijn over nog één keer: hoe is het met je hart?

Ik zou het lied niet kunnen uitzingen door de echo in de nacht. De echo die alles weerkaatst en uitvergroot. Omdat mijn woorden zouden terugkomen om me grijnzend in het gezicht te slaan. Hard. (En omdat mijn stem zou komen vast te zitten van de tranen en een hand mijn hart ruw zou samenknijpen. Zoals nu.)

Zoals nu

IJsland

De man staat met opgestroopte broek in het water. Hij draagt een groene regenjas die te groot is en wappert tegen zijn benen. Zand schuurt langs zijn voeten. Het is zo’n nacht waarin lucht én water inktzwart zien en je nauwelijks een onderscheid ziet. Hij speelt gitaar en zingt een lied voor haar. Zijn stem gaat meteen verloren in het gewoel van de zee, en enkele gitaarakkoorden drijven nog wat verder met de wind mee. We staan daar en we kijken. Omdat het al zo lang donker is in zijn hoofd begint hij eraan te wennen, en soms ziet hij haar. Dan lacht ze.

Op de top van de wereld staat hij met zijn gitaar en zingt een lied voor haar. Het sneeuwt en zijn haar en snor en baard zijn wit van sneeuw en ijs. Hij lijkt een hele oude man. Wij staan onderaan terwijl vieze regen langs onze gezichten loopt. We luisteren hoe hij zingt en kijken hoe enkel hij daar kon geraken. We zeggen dat het niet erg is en vanbinnen sterven we. We glimlachen naar elkaar en zeggen dat hij niet zal vallen, maar we houden onze handen voorzichtig open. Omdat het al zo lang donker is in zijn hoofd is hij wat gewend aan de duisternis en soms kan hij haar zien. Ze lacht naar hem.

We vragen of hij ooit nog zal durven liefhebben. En we kijken allen naar elkaar en durven nooit meer lief te hebben. We rennen naar de eerste vreemde die voorbij wandelt en vragen of hij ons wil ontvoeren naar IJsland. Daar worden we gekust.

Hij zit achterop een huifkar, zijn haren staan alle kanten uit omdat zijn hoed allang van zijn hoofd gewaaid is. Hij zingt een lied voor haar en speelt op zijn gitaar.

postbode

ze doet haar handen voor haar gezicht en giechelt als hij binnenkomt
met die blik in zijn ogen
handen achter zijn rug
hij heeft vast een verrassing voor haar
ze gluurt tussen haar vingers door
vindt hem mooi in streepjes
grillig
ze houdt van grillig

dat deed ze vroeger ook
als papa binnenkwam met die blik
iets verborgen achter zijn rug
– niet gluren, anders krijg je helemaal niets –
hij wist dat ze toch keek
dan zag ze papa en zijn verrassing
in streepjes
voor straf kietelde hij haar dan
tot ze ’t bijna in haar broek deed

hij kietelt niet
trekt haar handen voorzichtig weg – hier is je post –