een stem

Het is december, mijn planten verpieteren door een gebrek aan licht (en water, ik moet eerlijk zijn) en de kippen leggen al 3 weken geen eieren.

Ik probeer telkens mijn teleurstelling te verbergen als ik hun hok controleer en zeg dan troostend: het is niet erg, ik begrijp het, wat een kutmaand hé, nog even en we krijgen weer wat meer licht.

Ik breng de kinderen naar school en de dochter, die vorige week 8 geworden is, zegt voor het eerst schouderophalend “ja” als ik “ik hou van jou” roep, in plaats van het ongegeneerde “ik hou ook van jou”. Ik vind dat prachtig. Als ik daarna de trap op ga naar de klas van het zoontje, schreeuwt hij van boosheid en frustratie omdat ik de onderste trede van de trap heb overgeslagen. En hij had het me nog zo gezegd. Hield mijn voeten blijkbaar nogal nauwgezet in de gaten. Blijdschap en opluchting in zijn ogen als ik na even aarzelen toch maar weer naar beneden ga en de trap deze keer op de juiste manier bestijg.

Vlak voor de les snikt M het uit in mijn armen. Ze heeft twee knobbeltjes onder haar oksel ontdekt en ze is vreselijk bang. Ze is hier helemaal alleen en zegt sorry want er is wat mascara op mijn trui. Ik zeg: ‘nee, geen sorry!’ en ‘je bent bang, dat mag, dat is oké’ en pak haar vooral nog wat steviger vast want meer woorden kent ze nog niet.

S brengt zakdoekjes en veegt haar tranen van haar gezicht. Ze spreken niet dezelfde taal maar ze prevelt wat in het Pashto en M en ik begrijpen het niet maar voelen wat ze zegt.
Ze gaan samen aan de tafel zitten terwijl ze nog wat nasnikt en S liefdevol over haar rug wrijft en haar een chocolaatje toe stopt.

Even later zit O, een jonge gast die zijn imago van sterk en stoer graag hoog houdt, te ademen met een plastieken zak over zijn hoofd geknoopt. Hij heeft al sinds gisterenavond de hik en die gaat maar niet over en een oudere cursist heeft zonder veel woorden die zak over zijn hoofd getrokken en vastgeknoopt. Een minuutje moet hij zo ademen en als hij wordt bevrijd, blijkt de hik weg te zijn en iedereen applaudisseert.

Iedereen behalve A die lijfelijk aanwezig is, maar hij is er sinds 7 oktober niet echt meer bij. Hij staart vooral in het niets en checkt tussendoor telkens zijn gsm, zich voortdurend voorbereidend op nieuwe gruwelijkheden. Soms als iedereen goed aan het werk is, ga ik naast hem zitten en dan schrijven we wat zinnen naar elkaar in Google Translate. Hij schrijft dat hij zo vreselijk bang is, de hele tijd en dat er al zoveel familieleden dood zijn, zoals zijn lieve zus en haar 7 kinderen. Zijn moeder slaapt nu op straat en heeft suikerziekte en geen medicijnen. Hij kan niet meer denken of slapen en hij wordt gek en wil niet alleen zijn. Dus komt hij naar de les waar hij tussen levende, ademende mensen van vlees en bloed kan zitten wiens hart klopt, wiens stemmen zonder angst zijn en die zoals altijd de oefeningen maken en nieuwe woorden inoefenen alsof er niets aan de hand is. Ik schrijf terug dat mijn hart bloedt, dat ik me zo machteloos voel en dat ik zondag naar Brussel ga. Zijn ogen lichten op en hij schrijft danku en dat hij zich minder alleen voelt en dat hij ook gaat.

De les is gedaan en ik pak M nog eens vast voor ze naar huis vertrekt. Als de klas leeg is, voel ik een mix van warmte, ontroering, verdriet en liefde. Ik pieker over M en hoe ik haar kan helpen, denk aan A en wat hij nu nodig heeft en ik lach hardop denkend aan O met de plastieken zak over zijn hoofd.

‘s Avonds telt de dochter haar geld. Ze maakt stapeltjes van de centen die samenhoren en noteert hoeveel dat er telkens zijn. Ze rekent alles uit en zegt: Hier mama, eenentwintig euro en negentig cent, wil je dat sturen naar de mensen in Gaza? En nu ga ik weer geld sparen en als het daar dan nog niet opgelost is, dan moet je dat geld ook sturen, oké?

Wat een luxe toch, denk ik.
Wat een dankbaarheid, voel ik.


Dat ik me zorgen kan maken om de kippen die geen eieren leggen.
Dat ik een dochter heb die “ja” zegt als ik zeg dat ik van haar hou, want die liefde en het feit dat ik er ben, is zo vanzelfsprekend voor haar.
Dat ik een zoontje heb wiens grootste zorg is of ik die onderste traptrede wel gebruik bij het naar boven gaan.
Dat ik, als ik bang ben, kan zeggen tegen die angst: het is oké dat je hier bent, maar het is niet nodig, ik ben niet in gevaar. En dat dat klopt.
Dat ik een warme klas heb met mensen die over talen en culturen heen verbinden.
Dat ik gezond ben en zelfs als dat niet zo is, ik genoeg mensen heb die mij liefhebben, kunnen vastpakken en zeggen dat ik bang mag zijn.
Dat ik nog de hele dag binnenpretjes kan hebben denkend aan die ademende plastieken zak en dat ik kan klagen over deze kutmaand omdat ik last heb van het gebrek aan licht.

En dat ik de vrijheid, tijd, middelen en ledematen heb om zondag naar Brussel te gaan. Dat ik een stem heb en die mag, kan en zal gebruiken.

dragen

alles draag je mee
op je rug 

het is alles
en het is bijna niets meer
en dus zo zwaar

je hebt gedacht
ik heb een hart
dat warm bloed door mijn lijf pompt
ik heb soms kippenvel
en ik zing een beetje vals:
ik ben een mens

je hebt gedacht 
mensen zijn verbonden
en vele handen, harten, stemmen 
maken het verschil 

maar nu is alles 
dat eens zoveel was
bijna niets meer geworden

en je draagt het mee
op je rug
en het is het zwaarste
wat je ooit moest dragen 

te Londerzeel

Het is ochtend en kind één weent lang en luid omdat iets niet eerlijk is. Kind 2 probeert gefrustreerd haar huiswerk te maken want dat was je vergeten en ze begrijpt het niet en je legt het niet goed uit. Je bedenkt dat er ongeveer niets van wat je in je schoolcarrière met bloed, zweet en tranen hebt van buiten geblokt, is blijven hangen. “Repeteren” van Samson en Gert kan je nochtans woord voor woord meezingen. En uit de lagere school kan je dat ene gedicht van de Siamese kat reciteren. Soms overloop je het nog eens in je hoofd en dan wou je dat iemand vroeg: “Oh, dat gedicht van de Siamese kat? Ken jij dat?! Oh zeg het alsjeblieft eens op!” en dat je dan iemands dag zou maken daarmee. Maar niemand vraagt dat. Uit het middelbaar herinner je je ‘Egidius waer bestu bleven’ en matrices, of toch het woord matrices, want je hebt geen flauw benul meer wat dat precies waren. Van de universiteit: “gij hebt mijn ogen Georges” en ook dat je in Algemene Taalkunde iets leerde over het feit dat een woord niet lijkt op dat waar het naar verwijst en dat Nikolas, die naast je zat, toen het tegendeel bewees met ‘bed’ en je heel hard moest lachen. En daar zit je nu met een hoofd vol gedachten die zelden nuttig zijn, een Siamese kat (en de wijze levensles: ‘wie in de wol wordt grootgebracht, ontbreekt het vaak aan levenskracht”) en verder bitter weinig kennis.

En je bent zo’n moeder die het huiswerk van haar dochter vergeet. Die altijd weer vergeet welke schoen- en kledingmaat ze hebben. Die hen niet genoeg wast want na bijna acht jaar heb je nog steeds geen vaste badroutine. Die elke ochtend vergeet te zeggen dat ze hun tanden moeten poetsen. Hun nagels pas knipt als ze bijna scheuren. Die niet meer weet hoeveel ze wogen bij hun geboorte, wat hun eerste woordje was of hoe oud ze toen waren. Die geen toffe ideeën heeft voor verjaardagsfeestjes. En een hekel aan shoppen waardoor ze kleren dragen die te klein zijn of met gaten in of met vlekken op want je bent óók nog eens zo’n moeder die geen vlekken uit de kleren krijgt. Die gaat slapen met mascara. Die te lang wacht met verse lakens op de bedden te leggen. De ramen bijna nooit wast. En je weet dat je moeder dat wel deed. En je vriendinnen en buurvrouwen en schoonzussen dat ook doen. En je voelt je soms een beetje een mislukking. En zegt dan in de spiegel: dat ben je niet.

En omdat dansen meestal helpt, negeer je de kinderen en begint te dansen op de vervelende kindermuziek die je man heeft opgezet. En ze staren je een poosje uitdrukkingsloos met open mond aan en je weet dat de bewondering, de adoratie en het levensgeluk (want zó’n moeder) dra op hun gezichten zal verschijnen. En ze beginnen te lachen, te proesten en ze zeggen: je kont! en dan tegen elkaar: haha, haar kont! Ze komen niet meer bij. Gisteren in bed vroeg je dochter weer een T-shirt van jou om mee in slaap te vallen en dat streelt steeds een beetje je ego. Je trok je T-shirt uit en ze snoof eens diep en zei: mmmm, het ruikt naar zee, en je dacht nog, oké, een zilte zeegeur, niet slecht, tot ze er nog genietend aan toegevoegde: en naar dode dieren. En dat was om meerdere redenen verontrustend.

En dus breng je de kinderen nu naar school (het is nog steeds niet eerlijk en het huiswerk is niet af) en zeg je nadien in de spiegel in de gang: geen mislukking, goeie kont, lekkere geur. En kinderen het mooiste geschenk.

eb

Ik spoel de modder van mijn voeten in een emmer bij de achterdeur en zie hoe de nagellak steeds verder van mijn teennagels glijdt, alsof het ongemerkt eb is geworden. Ik denk aan de zee en hoe jij mijn zeegezicht het mooiste vindt en dat ik er nog eens heen wil. 

To en ik hebben even op bed gelegen vanmiddag want ik was zo moe. Hij aaide mijn hand en gaf zoentjes op mijn blote schouder. Hij keek lang naar de poster van ‘Caféterras bij nacht’ die in onze slaapkamer hangt en vroeg toen hoe van God het zo had geschilderd dat het niet plat leek maar diep. Ik zei van Gogh en hij zei dat hij nochtans in God gelooft en ik niet. 

Hij maakt patroontjes met de strijkparels, heel geconcentreerd. Ik ben alleen thuis met het kind dat bij mijn stemming past. Zij zou nu aandacht vragen. Spelletjes willen spelen. Entertainment eisen. Ik zou driftbuien moeten opvangen. Emoties helpen reguleren. Problemen oplossen. Bij To niets van dit alles. Hij maakt tekeningen, hangt ze random op aan de muur. Loopt rond met draadjes en schroefjes en doet daar vanalles en niets mee. Hij zingt liedjes en praat tegen zichzelf. Doet imaginaire deurtjes open. Volkomen verzonken in zijn spel. En ik plooide naast hem de was, verzonken in mezelf. Denkend aan de vrouw die nog even naar de man toe fietste terwijl hij stond te wachten bij het licht. Hij had zijn koptelefoon al op. Ze tikte hem op zijn schouder, zei iets, ze lachten. En ik weet niet of ze echt waren of ik ze droomde. 

Weer kon ik het gras niet afrijden want het was te nat dus heb ik me op de brandnetels gestort. Tot ik me herinnerde dat ik ergens las dat de rupsen van de dagpauwoog en de kleine vos enkel brandnetels lusten. Ik heb verstrooid sorry gezegd. De kippen wijsheden toegezongen (‘pak het vast, gooi het weg, laat het los’). De frambozenstruik op goed geluk gesnoeid. Gerommeld in wat hoekjes. Dingen uitgetrokken. Doorgeknipt. Zonnebloemen die nu op zolder hangen te drogen.

Ik denk aan mensen van vroeger en wie ik toen was. En aan mensen van later en wie ik zal zijn. Of ik afscheid zal moeten nemen en van wie en of het pijn zal doen. Ik kijk nog eens naar die teennagels. Ik zou er korte metten mee kunnen maken. Dissolvant bovenhalen. Ze verwoed schoonboenen. Maar ik ben niet zo goed in korte metten. Liever staar ik naar de restjes van wat heel bijzonder was. Dat en ook dat ik mottig word van dissolvant. 

Het is eb geworden en dat is schoon en dat doet pijn en het zal weer overgaan. Binnenkort zijn mijn zonnebloemen gedroogd. En dan lak ik mijn teennagels opnieuw en gaan jij en ik naar zee.  

sneeuw

de kinderen vragen of ik de babyzeemeermin kan vinden in het zoekboek en de zon doet zo uitbundig en de hitte is opeens ondraaglijk en ik wou dat ik het gras nog niet had afgereden want ik wil iets kortwieken

ik denk dan maar aan dikke pakken sneeuw uit een ander seizoen die ik met veel geweld op dat brandende hart schep zodat het nog even nijdig sist en dan uiteindelijk toegeeft en weer stil en tevreden verder klopt zoals voorheen en de babyzeemeermin zit bij het achterste raam in de bus en ze zwaait

en dat het zingt

dat je kan ademen
door vanalles:
een slappe lach en dan die vreugde voelen
tot in je enkels
door de grootste angst
of opwinding
en dan wijd open
zacht trillen en bonzen

dat je soms voelt dat het hier doodloopt
en je niet kan omkeren
tot iemand komt
je hand op je hart legt
wijst naar je voeten
die altijd kunnen omkeren
als jij het niet kan


dat je denkt
ik weet het niet
ik denk het niet
en je dan danst 
je lichaam
weet het
en roept:
natuurlijk!
altijd!
en je hebt daar 
niemand voor nodig

dat je leert
groeit
elk moment
en dus verder moet
want pijn is groei
en groei is altijd meer
dan eerst

en dat schaamte
af te schudden is
met beide schouders

dat de wijsheid in je vingers
langs je sleutelbeen
rond je hart
bij de zachte afdaling
naar je navel

en dat het zingt

voor ik vergeet

herinneringen tussen 6 en 12 jaar op een hoopje

Een ode aan mijn kinderjaren, het vastleggen van herinneringen die me steeds meer ontglippen. Wellicht niet allemaal even juist, herinneringen zijn nu eenmaal niet altijd betrouwbaar, alvast mijn excuses aan mijn mama als ik weer onwaarheden verkondig. Ook een ode aan het vrij spelen. Zonder volwassen ogen die afkeuren, toejuichen, iets stout of goed vinden, alles willen vastleggen op beeld … Ver weg daarvan heb ik zoveel uren vrij gespeeld in onze wijk in Bissegem en dat nemen ze me nooit meer af.

We speelden altijd op straat. Fietsten rond in de wijk, haalden vriendjes op, klommen in bomen, rookten sigaretjes achter de berg, draaiden eindeloos veel rondjes op de bandschommel van het speelplein tot we moesten overgeven. Dan schepten we er wat zand over en draaiden weer verder. We krabden onze korstjes er steeds weer af om zoveel mogelijk littekens te verzamelen. Ik kroop met mijn broers onder de prikkeldraad om in de koeienwei te geraken en bleef met mijn haar hangen, waarna ik de hele dag hoofdpijn had van de stroomschokken. 

Mijn nicht en ik speelden dat we weeskinderen waren en aten alles wat er eetbaar uit zag van de straat. Een zak platgereden chips, kauwgom, gras, boterbloemen (wij dachten altijd dat die eetbaar waren, pas onlangs ontdekte ik dat ze giftig zijn). We aten frutella’s met papier en al op. Ik weet niet waarom. We zeiden dat dat lekkerder was. We tekenden op de straat huizen met compleet ingerichte kamers met krijt. 

We plasten onder leiding van ons overbuurmeisje in een grote emmer en mengden dit met aarde. Vergif voor Sammy. We zouden hem wijsmaken dat het chocomelk was, wat we uiteraard nooit deden want we waren bang voor hem. We hadden een verkennersboom, een klimboom en een ontspanningsboom. We verstopten er van die paarse, harde snoepjes die de hele dag tussen de tanden blijven kleven. 

We gingen turnen in de sporthal en een jongen, waar ik een paar keer mee gespeeld had, vroeg het aan. Ik wilde niet en dat nam hij niet zo goed op. De volgende keren werden we met stenen bekogeld en er stond eens met krijt in grote letters: FAK YOU SARA op de straat.  

We fietsten elke zaterdag naar de bibliotheek met onze paarse rugzakken van de ASLK. We stouwden die dan vol nieuwe boeken en strips (mijn broers vooral strips, ik vooral boeken) en ik herinner me het genot van zo’n volle rugzak. Ik las Pietje Puk, Wipneus en Pim en later Pietje Bel, Dik Trom, de Babysittersclub en de Olijke Tweeling (ik sprak dat uit als “o-lijke”) en ik weet nog exact waar al deze boeken stonden in de bibliotheek. Later verslond ik alles van Thea Beckman en dat was zo fantastisch dat ik die soms nog eens opnieuw zou willen lezen, maar ik ben zo bang om teleurgesteld te zijn. 

Steven ‘de rostn’ gooide een keer een steen naar mijn broer. Mijn broer was wenend, met bloedend voorhoofd naar huis gerend, wij allemaal mee. Ik herinner me het bloed op de voetbal die hij vasthield en dat het een ‘gabbe’ was die genaaid moest worden. Mijn broers zongen daarna altijd: “geef acht, skit in uw broek met vulle kracht, geef zeven, met tomaten achter Steven.” 

We wandelden elke dag naar school, de wijk door, de spoorweg over, langs die mooie husky en de frituur, tot de straat waar de vrouw met de grote borsten met het oranje jasje en stopbordje ons hielp oversteken. We zeiden na het oversteken altijd tegen elkaar dat haar borsten toch zó groot waren. Niet normaal! Op weg naar huis schreeuwden van we “evriewer wie goooow, piepo want toe noooow” tot we hees waren. 

In de herfst maakten we grote bergen van de afgevallen bladeren waar we ons in verstopten. Vlakbij ons huis stonden een heleboel hazelaars en we plukten dan zakken vol hazelnoten. Ik herinner me hoe het pikte onder mijn nagels van al dat gepeuter om de hazelnoten uit hun omhulsel te krijgen. En het vieze gevoel tussen je tanden als je de hazelnoten probeerde te breken. Als je te veel hazelnoten gegeten had, kreeg je altijd een beetje keelpijn. En toch bleef je verder eten. 

We aten ‘s middags warm en ‘s avonds boterhammen. Elke woensdag- en zaterdagavond aten we de bizarre combinatie van chocoladepudding van Saroma gemengd met cornflakes. We hadden dat zelf eens bedacht. Een halve liter pudding, nog in de maatbeker, waar je dan telkens een handvol cornflakes bij gooide en die snel opat voor ze zacht werden. En lekker dat dat was. 

Vrijdagavond aten we croques. Mijn papa stond die dan de hele avond klaar te maken en wij bleven maar eten. Dat was meestal zo als we iets lekker vonden. We aten tot alles op was, ook als we al lang voldaan waren. Je overeten hoorde erbij, dat was een bewijs dat het echt lekker was. Bovendien was het heel belangrijk dat we allemaal evenveel gehaktballetjes of chicons in hesp of gebakken patatjes kregen, dus ik moest aan hetzelfde tempo eten als mijn drie broers zodat ik goed kon bijhouden dat ik evenveel kreeg. 

We mochten een keer onze fiets meenemen naar school. De politieagent (effectief dé politieagent van Bissegem, iedereen kende hem maar zijn naam ontglipt mij nu, ik wil zeggen Joost maar ik denk dat dat de postbode was) zou naar onze school komen om les te geven rond veilig fietsen. Ik was zo blij, eindelijk eens naar school met de fiets in plaats van te voet! Ik had een oude fiets die al verschillende nichten meeging en nu eindelijk bij mij was beland. Hij was nog net iets te groot waardoor ik niet echt met mijn voeten aan de grond kon, maar dat deerde niet. De politieagent (Jozef?) koos mijn fiets als voorbeeld … voor een fiets die absoluut niet verkeersveilig was. Hij boorde hem helemaal de grond in. De remmen werkten niet, geen bel, geen lichten, ik kon niet met mijn voeten aan de grond, … Ik schaamde me kapot.

De snoepwinkel de Knock, waar ik later mijn eerste Joepie kocht, lag net buiten de wijk. We moesten een straat over met een zebrapad dat schuin liep. En het was er levengevaarlijk want Kevindemuzere was daar een keer omver gereden. Dus dat was je leven riskeren als je daar overstak. Maar ze hadden daar sjiekletten van 1 frank dus met 10 frank wandelde je er met 10 sjiekletten buiten. Daar wilde je je leven al eens voor riskeren. Ze hadden er ook kalissiestokken en daar kon je echt weken mee doen. Gewoon ‘s avonds naast je nachtlampje leggen en ‘s morgens weer verder kauwen. 

Mijn beste vriendin en ik oefenden toneelstukjes en dansjes op Samson en Gert in waar onze broers dan naar moesten komen kijken. Later zouden we uuuuren doorbrengen op haar kamer om radio te maken en te praten over de kampen en de leiding, over vriendinnen, de ruzies met mijn mama en natuurlijk over jongens. Maar dat is voor een tekst met een andere ondertitel.  

over luizen en lippenstift

Ik zit in de zetel en staar de tuin in. Ik zie dat het regent. Ik zie dat het regent op de kleren die ik gisteren waste en die daar nu nog hangen te drogen. Gisteren heb ik weer eens heerlijk gedanst maar ik slaap daarna steeds zo slecht. Dus ik slurp koffie, staar wat verdwaasd de tuin in en zie hoe de kleren steeds natter worden, zonder het echt te registreren. 

De man is al een paar dagen ziek. Ik vraag of ik iets kan doen. Ik kan niets doen, ik weet het. Hem met rust laten. Ik lees toch een gedicht voor. Ik vind het zo mooi dat ik vraag of ik het nog eens mag lezen. Hij knikt wat afwezig. Ik lees het nog eens voor. Of het toch een beetje helpt? Nee, zegt hij.

Even later zitten de kinderen naast elkaar op het witte keukenblad. Het heeft de perfecte kleur voor een zoveelste luizenjacht. Ze mogen iets kijken terwijl ik hun haren kam. Ik kon hen overtuigen om voor Pippi Langkous te kiezen, dat is zo heerlijk traag en werkt niet zo op mijn zenuwen als ongeveer alle andere filmpjes. Pippi wil “meducijn” kopen tegen ziekte: zoals kinkhoest of rode hond of als er een erwt in je neus zit. We grinniken alledrie en een eerste luis valt op het werkblad. Die kick! Hoe frustrerend ik het ook vind dat we hier al 3 maanden niet van die rotbeesten afgeraken, ik moet ook toegeven dat het best veel voldoening geeft telkens als ik een luis vang. En hoe groter de luis, hoe groter de voldoening. Als ik na een kambeurt géén luizen vind, ben ik altijd een beetje ambetant en teleurgesteld. Ik laat de levende luizen ook graag nog even rondkruipen op dat keukenpapiertje. Kijk dan trots naar mijn buit en gooi ze uiteindelijk toch, bijna met pijn in het hart, weg. Alsof ik ze als trofee had willen bewaren. Hun kop laten opzetten en dan ophangen boven de eettafel bijvoorbeeld. Of ze op een ketting rijgen en die dan trots dragen op alle feestjes. Ik vang 3 luizen. Om de privacy van mijn kinderen te beschermen, zal ik niet vermelden bij wie ik ze vond. (‘t waren er twee bij het zoontje en één bij de dochter) 

De kleren op het droogrek zijn intussen doorweekt. Ik besef het ineens terwijl ik de kleren zie druppen. Dat ik dat rek beter binnen zou zetten. Ik sleur het naar binnen zodat het hier de rest van de dag ferm in de weg kan staan. 

We besluiten de kinderen toch nóg maar eens met de smerige luizenshampoo te behandelen. Dat is een fantastische keuze die erg bevorderlijk is voor de sfeer die er dit eerste weekend van de zomervakantie hangt. De kinderen vinden het erg belangrijk dat de buren getuige zijn van hun ups en vooral hun downs dus de straat wordt door middel van geschreeuw, gegil, gekrijs, getier en gehuil ook vandaag weer ingelicht over het vreselijke onrecht dat hen wordt aangedaan. (U denkt misschien dat ik daar een paar synoniemen heb gebruikt maar het tegendeel is waar. Er bestaan in onze taal niet genoeg woorden om het arsenaal aan geluiden die onze kinderen voortbrengen correct te beschrijven)

In de namiddag mag de dochter naar een verjaardagsfeestje waar het zoontje last minute ook uitgenodigd wordt. (Had ik hem meegenomen toen ik de dochter wegbracht om de man te ontlasten? Natuurlijk. Had ik ook ergens de hoop dat iemand zou voorstellen dat hij ook gerust op het feestje mocht blijven? Misschien. Wandel ik dus even later zonder kinderen en met een lichte huppelpas terug naar huis? Zeker!) ’s Avonds, als de kinderen eindelijk in bed liggen en ik ook bijna omval van de slaap, maak ik me klaar voor het tweede verjaardagsfeestje van de dag. De man ligt zowat weg te teren in de zetel dus ik ben de enige die ons gezin daar kan gaan vertegenwoordigen. 

Om de aandacht van mijn gigantische wallen af te leiden, besluit ik lippenstift op te doen. Toen ik vorige week nog maar eens luizenshampoo was gaan kopen, kocht ik, want ik ben het waard, ook een nieuwe lippenstift. Ik had al jaren een goedkope lippenstift, maar gebruikte die nooit 1. omdat die nauwelijks zichtbaar was want ik had gekozen voor een kleur die ongeveer dezelfde kleur had als mijn lippen, want stel je voor dat iemand zou zíen dat ik lippenstift droeg en 2. omdat die na 10 minuten overal behalve op mijn lippen terug te vinden was. Dus ik had nu dus wat duurdere, felrode lippenstift gekocht waarop in grote letters ‘super stay’ stond. Ik had die de dag zelf, vlak voor ik de kinderen van school moest halen, al snel eens willen uitproberen. Wat ik niet besefte was dat je ‘super stay’ niet zo maar even uitprobeert. Dat ‘super stay’ namelijk nogal letterlijk te nemen is. Dus nadat ik had gedacht: ‘waauw! niet slecht! ideaal voor een feestje!’ probeerde ik mijn lippen weer schoon te boenen, wat niet lukte. Ik wilde echter niet met felrode lippen mijn kinderen van school halen, dus vertrok (na een schrobsessie met een ruw washandje) naar de schoolpoort met gebarsten, gezwollen en iets minder rode lippen. 

Maar vanavond is dus eindelijk dé ideale gelegenheid voor ‘super stay’! Ik doe de lippenstift op en denk weer: ‘waauw! niet slecht! ideaal voor een feestje en dat komt goed uit want ik ga naar een feestje!’. De hele avond schitter ik. Geen kat die mijn wallen ziet. Als ik ‘s nachts thuiskom, ben ik stikkapot en strompel mijn bed in.

De volgende ochtend is de man nog steeds ziek. Ik ben nog altijd moe, slurp weer koffie en kan hem nog steeds niet helpen, zelfs niet met poëzie. Ik kam de haren van de kinderen opnieuw en vang enkele, deze keer dode, luizen. Het wasrek staat nog steeds in de weg. De natgeregende was is bijna droog. Maar dit is een nieuwe ochtend, een nieuw begin. Want bij dit alles schitter ik nog steeds met mijn felrode ‘super stay’ lippen. En die gaan, denk ik zo, nog even blijven. (Net als de luizen.)

naïef

deze ochtend de tuin in 
het had na lange droge weken
eindelijk geregend

het was ellendig geweest 
toen het vóór de droogte maar bleef regenen
hoe het al zoveel en zolang geregend had
je lichaam
je gedachten
je hart
gerimpeld 
te lang geweekt in melancholie 

en dan die euforie
die eerste dag vol zon en warmte
de bomen die tevreden zuchtten
het gras dat zich tevergeefs oprekte
mensen die ineens dansten op straat

dat het altijd zo moest blijven
dat wilde je toen nog

dat die eerste warmte 
je weer onder die sterrenhemel blies
zijn hand vlak naast je en je durfde niet 

en in dat eindeloze meer omringd door bergen
water zo warm dat er amper nog verschil 
tussen jou en het water en jij plots het hele meer werd

met je rugzak op de rug
geblutste drinkbus
tussen de dennenbomen 
en de geur van alles kan

graven in zand,
eerst warm en zacht
steeds natter en kouder en dan plots
de vingers van die ander voelen

dat het altijd zo moest blijven
dat wilde je toen nog

en toen bleef de zon maar branden
hoe die al zolang en zoveel geschenen had
dat je lichaam
je gedachten
je hart
gekookt
te lang gesudderd in nostalgie

en dan nu dus
na die eerste regen
je tuin tevreden knorrend 
met de buik naar boven
loom en nagenietend van die langverwachte regen
luid ademend
met bonkend hart 
zoals na het vrijen
wachtend op de zon alweer
naïef
net zoals je lichaam
je gedachten
je hart

als het knettert

was ik net weer aan het schreeuwen?
hoewel ik dat echt niet wil
en nu lig jij daar te slapen
dus nu is het eindelijk stil

kan het allemaal wat zakken
zie ik even alles klaar
maar niet lang want met die tranen
is het schuldgevoel ook daar

ik heb een hekel aan conflict
aan gekibbel en gestook
maar als jij begint te schreeuwen
dan doe ik dat blijkbaar ook

ach jij wou toch gewoon spelen
en je bent ook maar een kind
hebt het moeilijk met bevelen
zegt steeds wat je ervan vindt

waarom moest ik weer zo kneden
sturen, blokken en zo kort
kon ik jou niet laten jij zijn
horen wat er toch aan schort

ik wil zachter, ik wil hier zijn
ook al staat het huis in brand
ik wil armen bij de tranen
zodat je samen met mij landt

ik heb een hekel aan conflict
wil liefst alleen maar harmonie
maar van botsen kan je leren
iets wat ik niet altijd zie

leren dat als het knettert
de wereld niet per se vergaat
dat ik dan geen slechte moeder
en het ook weer overgaat

ik wil zachter, ik wil hier zijn
voor mezelf eerst en vooral
meer omarmen, minder schuld
want voor jou doe ik dat al