genoeg

er is de vroege ochtend en het licht traag de tuin in zien sluipen
er is de jongen in zijn onesie op zijn laarsjes in het kippenhok
het meisje in mijn armen gevleid dat zegt: nog heel even
en een moeder die denkt: of altijd?
er is tijd, er is wachten, er is niet-doen 

er is pijn die van zacht naar scherp van zacht naar scherp
er zijn kussen op zachte wangen
en op vochtige lippen die gewillig openen

er zijn brutale tranen op de fiets
ze komen als ze daar zin in hebben
onuitgenodigd en onaangekondigd
iemand zegt iets over een midlifecrisis
er zijn jonge, groene blaadjes
een park vol magnolia’s in bloei
en elke dag de man met de twee bananen
het bandje van zijn rugzak zit gedraaid
in gedachten draai ik het goed zodat het niet zo knelt aan zijn schouder
wrijf even over zijn rug
hij zwaait naar mij

er zijn twee kinderen lang na bedtijd met een lantaarn in het donker op de trampoline
er worden handen gewassen en het meisje zegt: ik heb het gevoel dat het zo’n dag was waarin we echt álles hebben samen gedaan,
en de jongen die dan zegt: ja, dat was echt héérlijk

er zijn handen, een boek, er is een vol schrift en een leeggeschreven pen,
schoenen vol modder, een groene gieter en gemorste verf op een tegel
er is zonlicht en er zijn honderden vogels
er is tijd, er is wachten, er is niet-doen 

er is de vrouw die Nederlands spreekt aan de telefoon, Engels tegen haar ene hond en Frans tegen de andere
er zijn twee gasten op de step met harde stem en onbewogen blik en de armen van de achterste innig rond het middel van de voorste geklemd
de kledingkeuze van mijn dochter waarbij alles met elkaar vloekt en het resultaat toch prachtig is
er is de cursist met een roze pennenzak vol glitters en een kaft met paarden van zijn dochter die geconcentreerd een oefening maakt
er is iemand gebogen en wankel van de drank en of zorgen in de gietende regen met regenjas en kap op maar die rits is open en ik wil graag stoppen en zorgzaam haar jas dichtritsen tot – even omhoog kijken – helemaal boven

er is zoveel waanzinnig goeie muziek
en de patroontjes en kleuren op de strijkparelwerkjes van de jongen

er is hout dat in stukken wordt gezaagd
iemand bouwt iets op, iemand breekt iets af
er is verlangen en missen en er is weerzien
er is landen op een zacht tapijt vol kleur en soezen in de zon
een ronkende motor in de verte en een haan die kraait
en er zijn nieuwe tranen bij het bestellen van een broodje met pitjes
er is een vrouw met hond die vrolijk heen en weer zwaait met een zakje kak als was ze roodkapje met een mand vol koekjes
er is pijn die van scherp naar zacht van scherp naar zacht
er is tijd, er is wachten, er is niet-doen 

er is iemand die desondanks tijd en ruimte gaf
en tijdens het wachten een serre bouwde
waar ik nu kan zaaien en schrijven, badend in het licht
luisteren hoe alles gewoon gebeurt
hoe oneindig schoon het zingen van een merel
mijn stoel die over de grond schraapt
een mier die ploeterend maar vastberaden de voor hem eindeloze werkbank oversteekt
er is potgrond onder mijn nagels
de stilte en de ademhaling
er is tijd, er is wachten, er is niet-doen en dan is er plots leven

er is steeds weer verdwijnen in die ene luide gedachte
opgeslokt door dat ene gevoel dat alle aandacht opeist
er is de illusie van schaarste
steeds opnieuw

er is achteruit stappen
omdraaien
driehonderdzestig graden horen, voelen, zien, lezen
er is de illusie van schaarste
maar er is altijd meer dan genoeg

Over ongeduld en wachten

Als kind was het mijn lievelingsmaand want ik ben dan jarig. Blijkbaar was één dag in het middelpunt van de belangstelling mogen staan, genoeg om een hele maand tot lievelingsmaand te kronen. Toen ik ouder werd en jarig zijn wat van zijn magie begon te verliezen, ontdekte ik wat een lastige maand februari is. 

Februari beweegt niet, of toch nauwelijks merkbaar. In februari wacht je. Het is een maand van stilstaan. Je wil niet meer omkijken want de duisternis die achter je ligt, wil je zo snel mogelijk vergeten. Je wil alleen vooruit nu. Meer licht. Meer leven. Meer buiten. Bloemen zaaien in de tuin. Je bent vreselijk ongeduldig. 

Maar dat is buiten februari gerekend. Februari grijpt je bij je kraag als je voorbij rent. Duwt je op een stoel en dwingt je tot wachten. Zitten en wachten. Omdat niet alles snel kan gaan. Als je lente wil, dan moet je eerst door februari. Want soms is er alleen maar tijd nodig. Soms kan je niets doen om het beter te maken behalve wachten. Ook al voelt het alsof er niets verandert, dag na dag. En je wil zo graag verandering. Je wil groei. Je wil hoop. 

Enkele jaren geleden besloot ik februari een titel te geven. Ik doopte het tot ‘maand met het mooiste licht’. Ik vond het fijn dat ik dat zomaar kon besluiten en geloven. Februari, trots op die pas verworven titel, veranderde voor mijn ogen. 

(Later merkte ik dat niet februari maar oktober de maand is met het mooiste licht. Maar oktober heeft geen titel nodig. Oktober is beminnelijk. Oktober beweegt, verandert, koestert en danst. Oktober ademt melancholie en verlangen uit. Het is een maand die de voorbije maanden over zijn schouders heeft gedrapeerd, als een deken en daar dan mee pronkt. Omkijken is nog niet nodig. Het is nog vers genoeg, je voelt en beleeft de voorbije zomer nog terwijl je vooruit gaat. Pas in november kijk je om, pas in november word je zacht en triest. Neem je afscheid.)

Het is dus tijd nu voor die maand van stilstand en traagheid. En ik ga proberen om februari zijn werk laten doen. Want de zichtbare, vermeende stilstand betekent ook dat er onder de oppervlakte voorbereidend werk begonnen is. Ik ga me overgeven aan de tijd. Vertrouwen dat, ook al voel ik soms weinig hoop, ook al ben ik vreselijk ongeduldig omdat ik zo graag groei en beterschap wil, deze maand van wachten nodig is. En vanuit die stilstand, vanuit dat wachten en vertrouwen dat de tijd zijn werk gaat doen en dat de lente komt, ga ik zoeken naar het mooiste licht. Het licht dat februari met veel trots gaat presenteren. En dat gaat een pak beter als je niet aan het rennen bent. 

(Oh en ik ga februari natuurlijk ook een beetje de loef afsteken. Want enkel en alleen wachten, dat is nu ook weer niet aan mij besteed, hoe mooi ik het hier ook kan uitleggen. Vandaag heb ik voor het eerst weer in de tuin gewerkt. De dochter zat te zingen met een kip op schoot, het zoontje gilde van plezier op de schommel. Ik heb bedacht wat ik waar en wanneer ga zaaien zodat ik weer een tuin vol bloemen krijg. Zo vroeg mogelijk én zo lang mogelijk. Ik heb een heel ondergronds netwerk van netels opgerold. De kippen gelukkig gemaakt met elke regenworm die ik kon vangen. En ik ga binnenkort alvast wat bloemen voorzaaien in de keuken, waar het warm en licht is. Nog even en het staat hier vol zaaipotjes met klaprozen, cosmos, lupine, korenbloemen en slaapmutsjes. Allemaal vorig jaar zelf geoogst. Die groei ga ik toch mooi al van dichtbij kunnen zien – in your face, februari!  En dromen van een tuin vol bloemen. Het is niet omdat ik nog niet mag rennen dat ik niet al kan dromen van hoe het voelt om te rennen. Ofzo.)

iemand gaat weg

iemand gaat weg
iemand geeft een hand
iemand knikt, aarzelt, kijkt nog even om
iemand kijkt niet meer om
iemand slaat de deur hard dicht
iemand zegt zacht ‘bye’ 
iemand heeft tranen in de ogen 
iemand zegt: ik zie je graag, je weet het hé
iemand slaat de armen om je heen, drukt je zo stevig tegen zich aan dat een kreun ontsnapt
iemand aait over je hoofd
iemand kust je licht op de wang
iemand kijkt al weg nog voor je de deur uit bent
iemand huilt tranen met tuiten
iemand zwaait tot je de straat bent uitgefietst
iemand slaat de armen om je heen, ruikt naar lavendel en ademt in je oor
iemand gooit een kushand
iemand heeft spijt
iemand heeft nergens spijt van
iemand geeft je nog een boterham voor onderweg
iemand haalt zijn schouders op
iemand houdt het graag kort
iemand blijft het maar uitstellen
iemand slaat de armen om je heen en zegt: dat was weer heerlijk 
iemand kust je vol op de mond
iemand roept nog iets maar je bent al te ver 
iemand geeft je op de valreep de krant nog mee
iemand kan het niet goed
iemand zegt: voorzichtig zijn 
iemand vindt dat het zo moest zijn 
iemand slaat de armen om je heen en je jas is te dik
iemand tekent met bevende handen een kruisje op je voorhoofd
iemand geeft je haar hart of een pas geslepen potlood
iemand is opgelucht
iemand belt je na vijf minuten al
iemand belt je nooit meer
iemand schrijft nadien een brief
iemand schrijft twaalf brieven en blaast een groene ballon op
iemand schrobt daarna verwoed de houten vloer en zet de achterdeur open
iemand slaat de armen om je heen en ruikt naar warme baksteen
iemand slaat de armen om je heen en ruikt naar slapen in het gras
iemand slaat de armen om je heen
iemand slaat de armen om je heen
en blijft

een stem

Het is december, mijn planten verpieteren door een gebrek aan licht (en water, ik moet eerlijk zijn) en de kippen leggen al 3 weken geen eieren.

Ik probeer telkens mijn teleurstelling te verbergen als ik hun hok controleer en zeg dan troostend: het is niet erg, ik begrijp het, wat een kutmaand hé, nog even en we krijgen weer wat meer licht.

Ik breng de kinderen naar school en de dochter, die vorige week 8 geworden is, zegt voor het eerst schouderophalend “ja” als ik “ik hou van jou” roep, in plaats van het ongegeneerde “ik hou ook van jou”. Ik vind dat prachtig. Als ik daarna de trap op ga naar de klas van het zoontje, schreeuwt hij van boosheid en frustratie omdat ik de onderste trede van de trap heb overgeslagen. En hij had het me nog zo gezegd. Hield mijn voeten blijkbaar nogal nauwgezet in de gaten. Blijdschap en opluchting in zijn ogen als ik na even aarzelen toch maar weer naar beneden ga en de trap deze keer op de juiste manier bestijg.

Vlak voor de les snikt M het uit in mijn armen. Ze heeft twee knobbeltjes onder haar oksel ontdekt en ze is vreselijk bang. Ze is hier helemaal alleen en zegt sorry want er is wat mascara op mijn trui. Ik zeg: ‘nee, geen sorry!’ en ‘je bent bang, dat mag, dat is oké’ en pak haar vooral nog wat steviger vast want meer woorden kent ze nog niet.

S brengt zakdoekjes en veegt haar tranen van haar gezicht. Ze spreken niet dezelfde taal maar ze prevelt wat in het Pashto en M en ik begrijpen het niet maar voelen wat ze zegt.
Ze gaan samen aan de tafel zitten terwijl ze nog wat nasnikt en S liefdevol over haar rug wrijft en haar een chocolaatje toe stopt.

Even later zit O, een jonge gast die zijn imago van sterk en stoer graag hoog houdt, te ademen met een plastieken zak over zijn hoofd geknoopt. Hij heeft al sinds gisterenavond de hik en die gaat maar niet over en een oudere cursist heeft zonder veel woorden die zak over zijn hoofd getrokken en vastgeknoopt. Een minuutje moet hij zo ademen en als hij wordt bevrijd, blijkt de hik weg te zijn en iedereen applaudisseert.

Iedereen behalve A die lijfelijk aanwezig is, maar hij is er sinds 7 oktober niet echt meer bij. Hij staart vooral in het niets en checkt tussendoor telkens zijn gsm, zich voortdurend voorbereidend op nieuwe gruwelijkheden. Soms als iedereen goed aan het werk is, ga ik naast hem zitten en dan schrijven we wat zinnen naar elkaar in Google Translate. Hij schrijft dat hij zo vreselijk bang is, de hele tijd en dat er al zoveel familieleden dood zijn, zoals zijn lieve zus en haar 7 kinderen. Zijn moeder slaapt nu op straat en heeft suikerziekte en geen medicijnen. Hij kan niet meer denken of slapen en hij wordt gek en wil niet alleen zijn. Dus komt hij naar de les waar hij tussen levende, ademende mensen van vlees en bloed kan zitten wiens hart klopt, wiens stemmen zonder angst zijn en die zoals altijd de oefeningen maken en nieuwe woorden inoefenen alsof er niets aan de hand is. Ik schrijf terug dat mijn hart bloedt, dat ik me zo machteloos voel en dat ik zondag naar Brussel ga. Zijn ogen lichten op en hij schrijft danku en dat hij zich minder alleen voelt en dat hij ook gaat.

De les is gedaan en ik pak M nog eens vast voor ze naar huis vertrekt. Als de klas leeg is, voel ik een mix van warmte, ontroering, verdriet en liefde. Ik pieker over M en hoe ik haar kan helpen, denk aan A en wat hij nu nodig heeft en ik lach hardop denkend aan O met de plastieken zak over zijn hoofd.

‘s Avonds telt de dochter haar geld. Ze maakt stapeltjes van de centen die samenhoren en noteert hoeveel dat er telkens zijn. Ze rekent alles uit en zegt: Hier mama, eenentwintig euro en negentig cent, wil je dat sturen naar de mensen in Gaza? En nu ga ik weer geld sparen en als het daar dan nog niet opgelost is, dan moet je dat geld ook sturen, oké?

Wat een luxe toch, denk ik.
Wat een dankbaarheid, voel ik.


Dat ik me zorgen kan maken om de kippen die geen eieren leggen.
Dat ik een dochter heb die “ja” zegt als ik zeg dat ik van haar hou, want die liefde en het feit dat ik er ben, is zo vanzelfsprekend voor haar.
Dat ik een zoontje heb wiens grootste zorg is of ik die onderste traptrede wel gebruik bij het naar boven gaan.
Dat ik, als ik bang ben, kan zeggen tegen die angst: het is oké dat je hier bent, maar het is niet nodig, ik ben niet in gevaar. En dat dat klopt.
Dat ik een warme klas heb met mensen die over talen en culturen heen verbinden.
Dat ik gezond ben en zelfs als dat niet zo is, ik genoeg mensen heb die mij liefhebben, kunnen vastpakken en zeggen dat ik bang mag zijn.
Dat ik nog de hele dag binnenpretjes kan hebben denkend aan die ademende plastieken zak en dat ik kan klagen over deze kutmaand omdat ik last heb van het gebrek aan licht.

En dat ik de vrijheid, tijd, middelen en ledematen heb om zondag naar Brussel te gaan. Dat ik een stem heb en die mag, kan en zal gebruiken.

dragen

alles draag je mee
op je rug 

het is alles
en het is bijna niets meer
en dus zo zwaar

je hebt gedacht
ik heb een hart
dat warm bloed door mijn lijf pompt
ik heb soms kippenvel
en ik zing een beetje vals:
ik ben een mens

je hebt gedacht 
mensen zijn verbonden
en vele handen, harten, stemmen 
maken het verschil 

maar nu is alles 
dat eens zoveel was
bijna niets meer geworden

en je draagt het mee
op je rug
en het is het zwaarste
wat je ooit moest dragen 

te Londerzeel

Het is ochtend en kind één weent lang en luid omdat iets niet eerlijk is. Kind 2 probeert gefrustreerd haar huiswerk te maken want dat was je vergeten en ze begrijpt het niet en je legt het niet goed uit. Je bedenkt dat er ongeveer niets van wat je in je schoolcarrière met bloed, zweet en tranen hebt van buiten geblokt, is blijven hangen. “Repeteren” van Samson en Gert kan je nochtans woord voor woord meezingen. En uit de lagere school kan je dat ene gedicht van de Siamese kat reciteren. Soms overloop je het nog eens in je hoofd en dan wou je dat iemand vroeg: “Oh, dat gedicht van de Siamese kat? Ken jij dat?! Oh zeg het alsjeblieft eens op!” en dat je dan iemands dag zou maken daarmee. Maar niemand vraagt dat. Uit het middelbaar herinner je je ‘Egidius waer bestu bleven’ en matrices, of toch het woord matrices, want je hebt geen flauw benul meer wat dat precies waren. Van de universiteit: “gij hebt mijn ogen Georges” en ook dat je in Algemene Taalkunde iets leerde over het feit dat een woord niet lijkt op dat waar het naar verwijst en dat Nikolas, die naast je zat, toen het tegendeel bewees met ‘bed’ en je heel hard moest lachen. En daar zit je nu met een hoofd vol gedachten die zelden nuttig zijn, een Siamese kat (en de wijze levensles: ‘wie in de wol wordt grootgebracht, ontbreekt het vaak aan levenskracht”) en verder bitter weinig kennis.

En je bent zo’n moeder die het huiswerk van haar dochter vergeet. Die altijd weer vergeet welke schoen- en kledingmaat ze hebben. Die hen niet genoeg wast want na bijna acht jaar heb je nog steeds geen vaste badroutine. Die elke ochtend vergeet te zeggen dat ze hun tanden moeten poetsen. Hun nagels pas knipt als ze bijna scheuren. Die niet meer weet hoeveel ze wogen bij hun geboorte, wat hun eerste woordje was of hoe oud ze toen waren. Die geen toffe ideeën heeft voor verjaardagsfeestjes. En een hekel aan shoppen waardoor ze kleren dragen die te klein zijn of met gaten in of met vlekken op want je bent óók nog eens zo’n moeder die geen vlekken uit de kleren krijgt. Die gaat slapen met mascara. Die te lang wacht met verse lakens op de bedden te leggen. De ramen bijna nooit wast. En je weet dat je moeder dat wel deed. En je vriendinnen en buurvrouwen en schoonzussen dat ook doen. En je voelt je soms een beetje een mislukking. En zegt dan in de spiegel: dat ben je niet.

En omdat dansen meestal helpt, negeer je de kinderen en begint te dansen op de vervelende kindermuziek die je man heeft opgezet. En ze staren je een poosje uitdrukkingsloos met open mond aan en je weet dat de bewondering, de adoratie en het levensgeluk (want zó’n moeder) dra op hun gezichten zal verschijnen. En ze beginnen te lachen, te proesten en ze zeggen: je kont! en dan tegen elkaar: haha, haar kont! Ze komen niet meer bij. Gisteren in bed vroeg je dochter weer een T-shirt van jou om mee in slaap te vallen en dat streelt steeds een beetje je ego. Je trok je T-shirt uit en ze snoof eens diep en zei: mmmm, het ruikt naar zee, en je dacht nog, oké, een zilte zeegeur, niet slecht, tot ze er nog genietend aan toegevoegde: en naar dode dieren. En dat was om meerdere redenen verontrustend.

En dus breng je de kinderen nu naar school (het is nog steeds niet eerlijk en het huiswerk is niet af) en zeg je nadien in de spiegel in de gang: geen mislukking, goeie kont, lekkere geur. En kinderen het mooiste geschenk.

eb

Ik spoel de modder van mijn voeten in een emmer bij de achterdeur en zie hoe de nagellak steeds verder van mijn teennagels glijdt, alsof het ongemerkt eb is geworden. Ik denk aan de zee en hoe jij mijn zeegezicht het mooiste vindt en dat ik er nog eens heen wil. 

To en ik hebben even op bed gelegen vanmiddag want ik was zo moe. Hij aaide mijn hand en gaf zoentjes op mijn blote schouder. Hij keek lang naar de poster van ‘Caféterras bij nacht’ die in onze slaapkamer hangt en vroeg toen hoe van God het zo had geschilderd dat het niet plat leek maar diep. Ik zei van Gogh en hij zei dat hij nochtans in God gelooft en ik niet. 

Hij maakt patroontjes met de strijkparels, heel geconcentreerd. Ik ben alleen thuis met het kind dat bij mijn stemming past. Zij zou nu aandacht vragen. Spelletjes willen spelen. Entertainment eisen. Ik zou driftbuien moeten opvangen. Emoties helpen reguleren. Problemen oplossen. Bij To niets van dit alles. Hij maakt tekeningen, hangt ze random op aan de muur. Loopt rond met draadjes en schroefjes en doet daar vanalles en niets mee. Hij zingt liedjes en praat tegen zichzelf. Doet imaginaire deurtjes open. Volkomen verzonken in zijn spel. En ik plooide naast hem de was, verzonken in mezelf. Denkend aan de vrouw die nog even naar de man toe fietste terwijl hij stond te wachten bij het licht. Hij had zijn koptelefoon al op. Ze tikte hem op zijn schouder, zei iets, ze lachten. En ik weet niet of ze echt waren of ik ze droomde. 

Weer kon ik het gras niet afrijden want het was te nat dus heb ik me op de brandnetels gestort. Tot ik me herinnerde dat ik ergens las dat de rupsen van de dagpauwoog en de kleine vos enkel brandnetels lusten. Ik heb verstrooid sorry gezegd. De kippen wijsheden toegezongen (‘pak het vast, gooi het weg, laat het los’). De frambozenstruik op goed geluk gesnoeid. Gerommeld in wat hoekjes. Dingen uitgetrokken. Doorgeknipt. Zonnebloemen die nu op zolder hangen te drogen.

Ik denk aan mensen van vroeger en wie ik toen was. En aan mensen van later en wie ik zal zijn. Of ik afscheid zal moeten nemen en van wie en of het pijn zal doen. Ik kijk nog eens naar die teennagels. Ik zou er korte metten mee kunnen maken. Dissolvant bovenhalen. Ze verwoed schoonboenen. Maar ik ben niet zo goed in korte metten. Liever staar ik naar de restjes van wat heel bijzonder was. Dat en ook dat ik mottig word van dissolvant. 

Het is eb geworden en dat is schoon en dat doet pijn en het zal weer overgaan. Binnenkort zijn mijn zonnebloemen gedroogd. En dan lak ik mijn teennagels opnieuw en gaan jij en ik naar zee.  

sneeuw

de kinderen vragen of ik de babyzeemeermin kan vinden in het zoekboek en de zon doet zo uitbundig en de hitte is opeens ondraaglijk en ik wou dat ik het gras nog niet had afgereden want ik wil iets kortwieken

ik denk dan maar aan dikke pakken sneeuw uit een ander seizoen die ik met veel geweld op dat brandende hart schep zodat het nog even nijdig sist en dan uiteindelijk toegeeft en weer stil en tevreden verder klopt zoals voorheen en de babyzeemeermin zit bij het achterste raam in de bus en ze zwaait

en dat het zingt

dat je kan ademen
door vanalles:
een slappe lach en dan die vreugde voelen
tot in je enkels
door de grootste angst
of opwinding
en dan wijd open
zacht trillen en bonzen

dat je soms voelt dat het hier doodloopt
en je niet kan omkeren
tot iemand komt
je hand op je hart legt
wijst naar je voeten
die altijd kunnen omkeren
als jij het niet kan


dat je denkt
ik weet het niet
ik denk het niet
en je dan danst 
je lichaam
weet het
en roept:
natuurlijk!
altijd!
en je hebt daar 
niemand voor nodig

dat je leert
groeit
elk moment
en dus verder moet
want pijn is groei
en groei is altijd meer
dan eerst

en dat schaamte
af te schudden is
met beide schouders

dat de wijsheid in je vingers
langs je sleutelbeen
rond je hart
bij de zachte afdaling
naar je navel

en dat het zingt

voor ik vergeet

herinneringen tussen 6 en 12 jaar op een hoopje

Een ode aan mijn kinderjaren, het vastleggen van herinneringen die me steeds meer ontglippen. Wellicht niet allemaal even juist, herinneringen zijn nu eenmaal niet altijd betrouwbaar, alvast mijn excuses aan mijn mama als ik weer onwaarheden verkondig. Ook een ode aan het vrij spelen. Zonder volwassen ogen die afkeuren, toejuichen, iets stout of goed vinden, alles willen vastleggen op beeld … Ver weg daarvan heb ik zoveel uren vrij gespeeld in onze wijk in Bissegem en dat nemen ze me nooit meer af.

We speelden altijd op straat. Fietsten rond in de wijk, haalden vriendjes op, klommen in bomen, rookten sigaretjes achter de berg, draaiden eindeloos veel rondjes op de bandschommel van het speelplein tot we moesten overgeven. Dan schepten we er wat zand over en draaiden weer verder. We krabden onze korstjes er steeds weer af om zoveel mogelijk littekens te verzamelen. Ik kroop met mijn broers onder de prikkeldraad om in de koeienwei te geraken en bleef met mijn haar hangen, waarna ik de hele dag hoofdpijn had van de stroomschokken. 

Mijn nicht en ik speelden dat we weeskinderen waren en aten alles wat er eetbaar uit zag van de straat. Een zak platgereden chips, kauwgom, gras, boterbloemen (wij dachten altijd dat die eetbaar waren, pas onlangs ontdekte ik dat ze giftig zijn). We aten frutella’s met papier en al op. Ik weet niet waarom. We zeiden dat dat lekkerder was. We tekenden op de straat huizen met compleet ingerichte kamers met krijt. 

We plasten onder leiding van ons overbuurmeisje in een grote emmer en mengden dit met aarde. Vergif voor Sammy. We zouden hem wijsmaken dat het chocomelk was, wat we uiteraard nooit deden want we waren bang voor hem. We hadden een verkennersboom, een klimboom en een ontspanningsboom. We verstopten er van die paarse, harde snoepjes die de hele dag tussen de tanden blijven kleven. 

We gingen turnen in de sporthal en een jongen, waar ik een paar keer mee gespeeld had, vroeg het aan. Ik wilde niet en dat nam hij niet zo goed op. De volgende keren werden we met stenen bekogeld en er stond eens met krijt in grote letters: FAK YOU SARA op de straat.  

We fietsten elke zaterdag naar de bibliotheek met onze paarse rugzakken van de ASLK. We stouwden die dan vol nieuwe boeken en strips (mijn broers vooral strips, ik vooral boeken) en ik herinner me het genot van zo’n volle rugzak. Ik las Pietje Puk, Wipneus en Pim en later Pietje Bel, Dik Trom, de Babysittersclub en de Olijke Tweeling (ik sprak dat uit als “o-lijke”) en ik weet nog exact waar al deze boeken stonden in de bibliotheek. Later verslond ik alles van Thea Beckman en dat was zo fantastisch dat ik die soms nog eens opnieuw zou willen lezen, maar ik ben zo bang om teleurgesteld te zijn. 

Steven ‘de rostn’ gooide een keer een steen naar mijn broer. Mijn broer was wenend, met bloedend voorhoofd naar huis gerend, wij allemaal mee. Ik herinner me het bloed op de voetbal die hij vasthield en dat het een ‘gabbe’ was die genaaid moest worden. Mijn broers zongen daarna altijd: “geef acht, skit in uw broek met vulle kracht, geef zeven, met tomaten achter Steven.” 

We wandelden elke dag naar school, de wijk door, de spoorweg over, langs die mooie husky en de frituur, tot de straat waar de vrouw met de grote borsten met het oranje jasje en stopbordje ons hielp oversteken. We zeiden na het oversteken altijd tegen elkaar dat haar borsten toch zó groot waren. Niet normaal! Op weg naar huis schreeuwden van we “evriewer wie goooow, piepo want toe noooow” tot we hees waren. 

In de herfst maakten we grote bergen van de afgevallen bladeren waar we ons in verstopten. Vlakbij ons huis stonden een heleboel hazelaars en we plukten dan zakken vol hazelnoten. Ik herinner me hoe het pikte onder mijn nagels van al dat gepeuter om de hazelnoten uit hun omhulsel te krijgen. En het vieze gevoel tussen je tanden als je de hazelnoten probeerde te breken. Als je te veel hazelnoten gegeten had, kreeg je altijd een beetje keelpijn. En toch bleef je verder eten. 

We aten ‘s middags warm en ‘s avonds boterhammen. Elke woensdag- en zaterdagavond aten we de bizarre combinatie van chocoladepudding van Saroma gemengd met cornflakes. We hadden dat zelf eens bedacht. Een halve liter pudding, nog in de maatbeker, waar je dan telkens een handvol cornflakes bij gooide en die snel opat voor ze zacht werden. En lekker dat dat was. 

Vrijdagavond aten we croques. Mijn papa stond die dan de hele avond klaar te maken en wij bleven maar eten. Dat was meestal zo als we iets lekker vonden. We aten tot alles op was, ook als we al lang voldaan waren. Je overeten hoorde erbij, dat was een bewijs dat het echt lekker was. Bovendien was het heel belangrijk dat we allemaal evenveel gehaktballetjes of chicons in hesp of gebakken patatjes kregen, dus ik moest aan hetzelfde tempo eten als mijn drie broers zodat ik goed kon bijhouden dat ik evenveel kreeg. 

We mochten een keer onze fiets meenemen naar school. De politieagent (effectief dé politieagent van Bissegem, iedereen kende hem maar zijn naam ontglipt mij nu, ik wil zeggen Joost maar ik denk dat dat de postbode was) zou naar onze school komen om les te geven rond veilig fietsen. Ik was zo blij, eindelijk eens naar school met de fiets in plaats van te voet! Ik had een oude fiets die al verschillende nichten meeging en nu eindelijk bij mij was beland. Hij was nog net iets te groot waardoor ik niet echt met mijn voeten aan de grond kon, maar dat deerde niet. De politieagent (Jozef?) koos mijn fiets als voorbeeld … voor een fiets die absoluut niet verkeersveilig was. Hij boorde hem helemaal de grond in. De remmen werkten niet, geen bel, geen lichten, ik kon niet met mijn voeten aan de grond, … Ik schaamde me kapot.

De snoepwinkel de Knock, waar ik later mijn eerste Joepie kocht, lag net buiten de wijk. We moesten een straat over met een zebrapad dat schuin liep. En het was er levengevaarlijk want Kevindemuzere was daar een keer omver gereden. Dus dat was je leven riskeren als je daar overstak. Maar ze hadden daar sjiekletten van 1 frank dus met 10 frank wandelde je er met 10 sjiekletten buiten. Daar wilde je je leven al eens voor riskeren. Ze hadden er ook kalissiestokken en daar kon je echt weken mee doen. Gewoon ‘s avonds naast je nachtlampje leggen en ‘s morgens weer verder kauwen. 

Mijn beste vriendin en ik oefenden toneelstukjes en dansjes op Samson en Gert in waar onze broers dan naar moesten komen kijken. Later zouden we uuuuren doorbrengen op haar kamer om radio te maken en te praten over de kampen en de leiding, over vriendinnen, de ruzies met mijn mama en natuurlijk over jongens. Maar dat is voor een tekst met een andere ondertitel.