hoorde ik nu
dat jij ook soms
zo bang bent
doodsbang
van het leven
dat je maag keert
je oren suizen, je hele lijf
in staat van alarm?
zag ik het goed
dat jij daar op de fiets
twijfelde aan jezelf
dat je ook soms
die stem gelooft
dat je zwak bent
niet genoeg
minder dan al die anderen?
keek jij ook net
door het raam
denkend aan alle keuzes
die je maakte en dus ook
niet maakte
aan alle levens
die hadden kunnen zijn
en welke dan de beste
voelde jij ook een
fluisterend gemis
met paarsblauwe randen?
huiver jij ook soms
van genot
sta je stil omdat je even
niet verder kan
huil je soms
omdat iemand die woorden
zo zorgvuldig koos
en in de juiste volgorde
op een briefje schreef?
giert je lichaam soms van verlangen
bij het horen van die muziek
en dans jij ook soms bloot
voor het raam?
word jij ook
zacht en diep en stil
van dat hoofd in je schoot
en die vingers in je hand?
voel jij je ook soms
oneindig eenzaam
en dan weer die eeuwigheid
dat uitgesterkt en verbonden zijn
vervuld en verlangend
gaat het bij jou ook soms
van zo hoog naar zo laag
en andersom?
zag ik nu net
dat jij
ook
een mens
zoals ik en
mag ik jou
nóg eens zien?
Auteur: Sara Soete
kier
is het misschien zo
dat als je kijkt
naar wat gesloten is
en blijft kijken
ook met je ogen dicht op de trein
als je twijfelt bij de bakker en
terwijl het sap van die laatste tomaat
langs je wang
zelfs als je de tijd vergeet
omdat de bomen zo zacht
en geruststellend
wiegen
zélfs
als je je niet helemaal
in die ander
kan verliezen
is het misschien zo
dat als je blijft kijken
naar wat gesloten is
het op een dag
toch op een kier
voor jou?
Ethan

Het was nog even februari toen we in dat koffiehuis een besluit namen. We klopten het stof uit onze oren, ademden het zonlicht in en kraakten onze vingers één voor één. We sloegen opgetogen op de tafel. We hadden een plan dat de mist zou verjagen!
Elke ochtend wat vroeger opstaan. In een ideaal scenario al allebei gelopen nog voor de kinderen wakker waren. Hij eerst langs het achterpoortje het park in. Ik intussen boterhammen smeren, alles klaarmaken voor werk en school. Genieten van de stilte in huis ook. Een koffietje drinken. Ochtendpagina’s schrijven. Wat uit het raam staren. Het lichter zien worden. Iets met het ijzer smeden als de kinderen nog slapen. Ik was enthousiast. Ik weet ook niet waarom ik dacht dat ik dat allemaal zou kunnen doen in 20 minuten. Dat was naïef.
Bovendien besloten de kinderen vanaf dag 1 dat ook zij vroeger wakker zouden worden. Nog voor onze wekker ging zelfs. En dan 101 dingen wilden vragen, ruzie maakten, moeder beklommen en gegijzeld hielden, een natte vinger in mijn oor, dat soort dingen. Zodat er geen boterhammen gesmeerd waren, geen woord geschreven en al zeker niet meditatief door het raam gestaard werd toen de man terugkwam. Een slok koude koffie, dat nog net.
Het vroor nog toen ik de eerste keer ging lopen. De man was net voor de zon opkwam terug dus ik had geluk. Ik zag rijp op de grasvelden, liep rakelings langs een reiger. Ganzen vlogen luidruchtig gakkend het licht van de zon tegemoet. De zon die net de kop op stak en alles goud kleurde terwijl de koude mist nog over de velden hing. Ik hoorde zoveel verschillende vogels, struikelde bijna over een groepje eekhoorns en groette af en toe een andere vroege jogger. Even later waggelden voor mij op het pad een koppeltje eenden gezellig naast elkaar, ze leken zo uit een Disneyfilm gestapt. Elke ochtend stond die zon een beetje hoger en de magnolia’s lieten steeds moediger, met groeiende trots hun prachtige bloemen zien.
De eerste week liep ik in het gezelschap van mijn Britse ‘virtual running mate’ die me met aangename stem korte instructies gaf over wanneer ik mocht lopen en wandelen. Daartussen was het stil, geen muziek, geen weetjes, geen aanmoedigingen en dus wél al die vogelgeluiden om van te genieten. Ik kon de stilte van Ethan (zo had ik hem genoemd, anders was het zo onpersoonlijk) wel appreciëren.
Af en toe werd het toch een beetje ongemakkelijk. En dat omdat ik soms wél erg lang moest joggen en het in die eerste lessen nochtans nog over hele korte tijdsintervallen ging. En ik dus steeds roder werd, harder ging puffen, foeterend op mezelf omdat ik die paar minuten joggen al zo zwaar vond. Wachtend op de stem van Ethan die met lichte trots zou zeggen ‘well done’ en mij even zou laten bekomen. En maar wachten. Tot ik licht wanhopig mijn gsm uit dat iets te kleine ritsje van mijn loopbroek peuterde en bleek dat ik Ethan op pauze had gezet. Ik mocht dus eindelijk wandelen, probeerde dat waardig te doen terwijl ik de neiging onderdrukte om languit op de grond te gaan liggen. Dat overkwam me diezelfde sessie zo’n drie keer voor ik doorhad dat ik Ethan blijkbaar telkens op pauze zette als ik de bluetooth-oortjes (die ik leende van de man) wat beter in mijn oor trachtte te prutsen.
Die eerste sessie was dus een pittige maar ik apprecieerde Ethan zijn stijl. Hij zei weinig, maar wat hij zei was relevant en stilte vond hij niet ongemakkelijk. Maar zijn programma was helaas te lang en gezien ons strakke ochtendschema niet echt vol te houden. Dus ik switchte na twee weken naar de “start to run”-app van Evy. Haar stijl zou vast anders zijn, maar daar stond ik voor open. Iedereen heeft een andere aanpak, je moet de mensen een kans geven.
Er bleek een optie om geen muziek af te spelen tussen de instructies door, dus dat was alvast een meevaller. Ik zou nog steeds van de vogels kunnen genieten, dacht ik. Maar blijkbaar vond Evy stilte lastig. Die moest dus gevuld worden met weetjes over hoeveel en hoelang ik al gelopen had, aan welke snelheid en vooral hoeveel kilocalorieën ik daarmee verbrand had. Dat bleken er die eerste lessen zo weinig dat ze het moest vergelijken met een appel. “Reken zelf maar uit hoeveel appels je er nu al hebt afgelopen. Sa-ra! ” Zei ze dat nu echt? Die Evy had me echt helemaal door. Leek exact te weten waarom ik deed wat ik deed. Die onweerstaanbare appels toch die steeds weer aan de heupen blijven plakken! Er was ook nog de ongemakkelijke, licht dwingende manier waarop ze mijn naam zei. Met een korte stilte ervoor en erna. Sa-ra! Alsof ik weer in de klas zat weg te dromen en de leerkracht me tot de orde riep. Ik voelde me dan ook telkens betrapt als ze mijn naam zei. ‘Sorry Evy, ik luister, ik luister echt, hoeveel appels heb ik ook alweer afgelopen? En waarom is lopen zo goed voor de hersenen?’
Miste ik Ethan? Ik moet daar eerlijk over zijn, ja ik miste hem. Ik miste hoe hij me aanspoorde om met een “brisk pace” te wandelen en hoe hij met een eenvoudige “well done” zijn tevredenheid over mijn prestaties kenbaar maakte. Ik miste hoe hij wist dat het mij niet om de calorieën of om de snelheid te doen was. Hoe we samen stil konden zijn en elkaar zonder woorden toch begrepen.
Hoe hard ik ook genoot, ik kwam ook voortdurend op plekken waar ik wel eens wat langer wilde blijven staan. Net dan spoorde Evy me natuurlijk aan om vol te houden. Soms jogde ik wat ter plaatse of achterom kijkend om toch maar te zien of dat nu een sperwer was. Toen Evy ook nog eens “hup met die loopbeentjes” en “woppakee” zei, was de maat vol.
En dus jog ik niet meer. Is dat Evy’s schuld? Natuurlijk niet. Had het meer te maken met erg pijnlijke enkels? Herinnerde ik me ineens weer dat ik daarom telkens mijn eerdere start-to-run-pogingen vroegtijdig had stopgezet? Jep. Moet ik eigenlijk al jaren eens naar een podoloog gaan? Uhu. Zal ik daar nu eindelijk eens werk van maken? Neh. Hebben we hier daarna met z’n allen een stevige griep gekregen? Yes. Lig ik nu mijn bed terwijl ik een zeer twijfelachtig einde verzin omdat ik barstende koppijn heb en niet helder kan denken en omdat ik deze tekst al bijna een maand geleden geschreven heb en er vanaf wil? HET ZAL WEL ZIJN! Alstublieft!

Chicago

In de auto met gesloten ogen. Ik hoor de dochter hardop lezen in een boek en voel hoe de zon voluit schijnt en mijn gezicht verwarmt. De lucht is stralend blauw en dat is nu al de hele week zo. Het kan niet op. Ik heb me aan elk straaltje zon gelaafd en gevoeld hoe mijn lijf zich als een batterij vulde met warmte en hoop. Het begon bij mijn tenen en heeft zich nu al rond mijn hart genesteld. Als ik mijn ogen open, zie ik door de achteruitkijkspiegel hoe het zoontje de grappigste grimassen trekt omdat de zon in zijn gezicht schijnt. Dat gezichtje, daar kan ik naar blijven kijken. Er wordt vanop de achterbank nog niet geklaagd over de grotemensenmuziek dus we genieten van Gorki die zingt over Mia.
Ik sluit mijn ogen weer en ben 15 jaar. Ik zie een filmische scène voor me waarbij ik op een fuif op de rand van een laag podium zit. Het is al laat en er wordt niet veel meer gedanst. En dan begint Luc De Vos te zingen en een onbekende, knappe jongen stapt op me af. Hij zegt niets maar steekt zijn hand uit en even later dans ik in zijn armen. In mijn gekleurde herinnering zijn we de enigen die nog dansen en staat een zachte spot op ons gericht. Ik leg mijn hoofd op zijn schouder en hij voelt vertrouwd. Na het nummer bedankt hij me beleefd en verdwijnt even plots weer uit beeld. Een 15-jarig tienermeisje zou voor minder eindeloos fantaseren over deze onbekende. Over dat lege omhulsel dat ik kon vullen met wat ik maar wilde in een man.
Dé man – zo’n echte, van vlees en bloed – vertelt enthousiast aan de kinderen dat we vandaag door 3 landen zullen rijden. Opeens zoeven we van onze eigen hobbelige snelwegen over de zeer aangename wegen van ons buurland. Meteen ziet alles er minder rommelig uit. In dit land lijkt alles altijd nieuw en schoon.
Ik zing mee met het heerlijke ‘Chicago’ van Sufjan Stevens. ‘All things go’ en ‘all things grow’. Het heeft nog nooit zo geruststellend geklonken als vandaag. De muziek brengt me naar mijn eerste kot. Ik weet weer hoe het daar rook en voel de goedkope vinyl nog onder mijn blote voeten. Ik lig op bed en luister naar dit nummer. Het galmt door de slechte boxen van mijn prehistorische pc. Ik ben eerder die dag op het dak gekropen met de jongen die nog even mijn lief was. Daar verteld dat ik dit niet meer zag zitten en hij daar iets te vlot mee ingestemd. We hebben nog een laatste keer gekust in de dakgoot en ik vond het heerlijk en spijtig en romantisch en triest. Dus nu lig ik op bed en luister muziek tot diep in de nacht, me wentelend in melancholie en tristesse. Alzo het leven van een 18-jarige kotstudente.
We komen aan in het derde land waar alles zo mogelijk nóg schoner en nieuwer is. En er zijn bossen en meren en die zon blijft maar stralen. We knuffelen onze vrienden die we al zo lang niet meer zagen en gaan wandelen in de bossen vlakbij.
‘s Avonds rijden we terug, genietend van de steeds lager hangende oranje zon, de mist die al over de velden hangt en de gigantische wieken van de windmolens die loom en onverstoord door de lucht glijden. Zo rijden we ons eigen rommelige landje binnen, waar we de grote stad naderen en dus file, ook op een zaterdagavond. Erg vind ik het niet want die oranje bol is net verdwenen en de lucht kleurt prachtig rood.
De man, die echte van vlees en bloed die luid zou protesteren als ik het niet meer zou zien zitten, zit naast me. We luisteren glimlachend naar het fantasiespel van de kinderen op de achterbank. Ze verzinnen om beurten en een spannend verhaal ontspint zich. Ze houden dat de hele weg naar huis vol en opeens vraag ik me af of één van hen later graag zal schrijven. In gedachten sta ik al in de boekenwinkel aan te schuiven voor een boek mét handtekening. Ik denk aan mijn dochter die vanmorgen zei: ‘soms ben ik verliefd op mezelf’. Ik bedenk dat ik dat misschien ook af en toe moet zijn, verliefd op mezelf. Een mooie liefdesbrief schrijven met de hand. Mezelf op handen dragen. Blind voor de scherpe kantjes. Af en toe een oogje dichtknijpen en dan dromen. Dus ik knijp mijn beide ogen stijf dicht en zie heel even wie die handtekeningen uitdeelt in mijn dromen. Drie keer raden.
iets met water
Ze zitten samen in bad. Ze maken schuimbaarden (ik ben Sinterklaas! en ik ben Bart!), schuimsnorren en schuimborstjes. Ze worden steeds wilder en het water klotst over de rand. Tijd om het zoontje uit bad te vissen. Hij protesteert niet. Kijkt tevreden naar zijn vingers vol rimpels, die aantonen dat hij lang genoeg in bad zat. Hij kijkt eerst geconcentreerd, wrijft dan zijn vingers over elkaar en over mijn hand, houdt zijn hand voor de spiegel en zucht van contentement.
Plots loopt hij bloot de badkamer uit. Onze slaapkamer door naar het bureautje waar hij aan het raam gaat staan. Een plekje waar ik hem de laatste tijd regelmatig vind. Van daaruit kan hij net ons vorige huis zien, dat zich enkele huizen verder aan de overkant bevindt. Ik hurk naast hem en we kijken samen. ‘Mis je ons andere huis?’ Hij knikt. ‘En ik mis mijn kleine bedje.’ Hij wijst naar het raam van zijn oude kamer, waar nu een ander spijlenbedje staat van een baby’tje dat net zo klein is als hij ooit was. “En onze kadbamer en de oeweecee in de kadbamer.” Ik begrijp hem. Het was een hele fijne badkamer. Altijd heerlijk warm. En het rook er lekker want de wasmachine stond daar ook. Ik had er veel planten want er was genoeg licht. Voor hen was het een extra speelruimte achter onze keuken waar ze groot werden. Waar hij eerst op zijn billen rondschoof, daarna zijn eerste aarzelende stapjes zette en hij het laatste jaar even wild als zijn zus danste, stampte en rondrende.
Hij vindt het hier echt fijn maar dat kijken naar ons oude huis en wat mijmeren, dat kan hij niet laten. En hij is niet de enige. Dus ik blijf even naast mijn blote ventje zitten. Sla mijn armen om hem heen en kus zijn nek. Ik denk aan nummer negenenzeventig. Hoe magisch de eerste weken daar voelden, 7 jaar geleden. Het naar huis fietsen uit de drukke stad, tussen gejaagde auto’s en over gladde tramsporen. En dan dat smalle straatje met Franse allures – bloembakken en gevels vol kleur – inrijden en op het einde ons eigen huis. De kauwen die bij schemertijd rondvlogen, zich in grote groep kibbelend in een boom nestelden, zoekend naar de juiste tak om dan plots met honderden en oorverdovend gekwetter weer op te stijgen. Die eerste ochtend hoorde ik meerdere hanen kraaien en ik waande me op het platteland. Het rook naar het groen van het uitgestrekte park dat niet zo veel verder gekruld lag na te genieten van een dag vol zon en ik wist dat ik thuis was. Twee keer die voordeur binnenwandelen met een nieuw leventje. Hun eerste lachjes en wat zeiden ze ook alweer dat zo grappig was. Sommige herinneringen bleven al haken achter die chauffage in de badkamer, vonden de verhuis teveel gedoe. Andere kwamen met ons mee maar zullen ook terugkeren. Als ze voelen dat het kan, zullen ze wegglippen. Als we even niet opletten. Ze moeten niet ver. Ze zullen zich verschuilen onder de kasten in de keuken, achter de trap, tussen de gordijnen, bij de wc in de badkamer. Verdwijnen daar waar ze ontstonden.
Het zoontje krijgt kippenvel dus we gaan terug naar de dochter, die nog in het bad zit. Dat was er niet in de vorige badkamer. Ik moet er nog aan wennen dat het zo stil is als zij alleen in bad zit. In het vorige huis was er enkel de inloopdouche, wat zij nogal letterlijk nam. Ze rende er heen en weer onder het stromende water, schaatste, danste en nam duikvluchten… Converseerde, zong, miauwde en gromde intussen volop. Het klonk vaak alsof er zich een heel circus in de douche bevond. Maar in dit bad komt ze helemaal tot rust. Er gaat net genoeg water in zodat ze kan liggen met haar hoofd en oren onder water en haar gezicht er net boven. Zo ligt ze daar, zolang als we haar laten. In stilte. Met gesloten ogen. Zen. En zen is een woord dat zelden op mijn dochter van toepassing is.
Ik laat haar nog even liggen terwijl ik het zoontje help met zijn pyjama. Ik herken dat effect van water. En hoe dat pas komt als mijn oren ook onder water zijn. Letterlijk afgesloten van het hier, van de mensen en de dingen. Ondergedompeld in een parallel universum waar zelfs mijn gedachten anders zijn en waar tijd of angst niet bestaat. De psycholoog vroeg me welke naam ik het zou geven. Welke vorm en kleur. Hoe groot en waar het zich bevond. En vooral, waar het zich niet bevond. Waar het niet kwam. Als ik zwem, zei ik, onder water.
Even later zitten we beneden in de zetel onder warme dekentjes. Het zoontje koos ‘buurban en buurban’ en dat kijk ik graag mee. Ik ruik hun natte, versgewassen haren en geniet van hoe ze tegen me aan hangen. Ik kijk stiekem door het raam en zie een stukje van de witte gevel van nummer negenenzeventig en het nu kale voortuintje. De herinneringen die daar bleven kan ik zien vanaf hier: ik zie de kinderen spelen, felle kleuren van mijn bloemen en krijttekeningen overal, ik hoor gegil en watergespetter en ik ruik de barbecue. Ik hoor zachte muziek ‘s avonds en vuur dat knettert. En we lachen. Ik hoor ons lachen. Binnenkort wordt het lente en gaat het boompje daar weer prachtig bloeien. En van hieruit zal ik dat ook kunnen zien.
Het is de volgende dag en ik voel me goed en dat is deze periode minder evident. Maar goed is beter als het van diep komt. Een gouden randje heeft het net als de zon die na drie dagen regen en storm op het natte raam schijnt. De druppels glinsteren net als de tranen op mijn gezicht. Ik ben vierendertig geworden vandaag, ook al gokte de dochter vanmorgen zestig. Ik heb besloten me te warmen aan de lieve wensen die binnendruppelen en ze woord voor woord te koesteren en te geloven. En te schrijven. Meer te schrijven. Herinneringen vast te pinnen voor ze ontsnappen. Bij deze. Vanmorgen lag ik met de man in het water. Met mijn oren onder water, mijn lichaam gewichtloos. Hij hield me vast zoals hij me de laatste weken veel heeft vastgehouden. Het voelde veilig. De storm gaat stilaan liggen en de winter loopt op z’n eind. Ik zit aan de andere kant van het huis nu en kijk naar de nieuwe tuin. Een echte tuin deze keer in plaats van een veredelde oprit. En ik zie de herinneringen al. Spelende en gillende kinderen, waterballonnen en felle kleuren van alle bloemen die ik wil planten. En ik hoor ons lachen. Luid lachen.
februari

ik zeg ‘het is februari’
de maand hiervoor zo donker, zo grijs met
dat beetje daglicht dat zich af en toe
moedig loswrikte
zich heel even liet zien
en dan weer werd opgeslokt
door de nacht
maar nu is het februari
we zitten naast elkaar
schuifelend in ons eigen drijfzand
we hebben elkaars handen
gegrepen
geknepen
elk zo wankel
ik heb verteld over de afgronden
die jij niet ziet
maar wel gelooft
hoe die plots opduiken
jij over de mist die er hangt
de ruis in je hoofd
ik zeg ‘het is februari
de maand met het mooiste licht’
en ik kijk niet uit het raam
waar het regent en even grijs als
de maand hiervoor
nee
ik kijk naar je gezicht
en in je handen
zie ik je zelfgemaakte brug
voor mijn afgronden
(die leugens zijn)
sterk genoeg voor ons beiden
licht genoeg voor op de rug
ik zeg ‘dit is een lied’
en ik zal het zingen tot de ruis naar de achtergrond
de mist iets minder dicht
het is tenslotte februari
dat is de maand met het mooiste licht
Portret
Of we stil wilden zitten in de zetel. Ze wou ons tekenen. We mochten niet praten. Met de benen gekruist. Niet naar elkaar kijken. De handen moesten voor ons op onze schoot.
Afleiding was er niet, ze was heel streng. Ik mocht niet in mijn boek lezen. Hij moest zijn gsm laten liggen. Dus we keken recht vooruit. Door het raam. Waar gelukkig wel wat te zien was. Net verhuisd, een tuin nu, dus heel wat vogels. We mochten het niet zeggen tegen elkaar, dat we een vinkje hadden gezien, een pimpelmees, wat kauwen en een paar van die halsbandparkieten die al een hele poos in grote groep in het park verblijven. Zelfs fluisteren was niet toegestaan. “Anders val ik uit mijn concentratie.”
Ik keek naar haar en haar concentratie. De tong soms uit haar mond, haar bril naar het puntje van haar neus gezakt, bijtend op haar onderlip. Ze keek op. Was klaar met hem. Opgelucht dat het best goed gelukt was. Begon nu haastig, bijna gejaagd, aan mij. We gingen wat anders zitten, onze gewrichten kraakten, we zeiden kort iets tegen elkaar maar werden meteen de mond gesnoerd. Dus de stilte kreeg weer ruimte. We zagen wolken voorbij drijven. De zon die eerst feller scheen en dan weer zwakker. Een vliegtuigstreep in de lucht. Ik voelde zijn arm tegen de mijne. Zijn warmte. Ik voelde de rust van het niets doen. Alleen maar kijken. En wachten. Verwachten.
En toen was er onrust. Haar enthousiasme weg. Een donkere wolk. Een boze blik. Het zou gaan stormen, onweren nu. “NEE!” Ze schreeuwde. “JIJ BENT NIET GOED MAMA. HET IS NIET GOED. KIJK TOCH NAAR DIE BENEN. ZO ZIJN JOUW BENEN TOCH NIET?” Ze stampte en schreeuwde en de tranen sprongen in haar ogen. De tekening vloog op de grond. “MIJN TEKENING IS STOM!!”
We probeerden te sussen. Te bedenken hoe we het konden oplossen. Maar ze wilde ons niet horen. Onze oplossingen waren stom. Ze schreeuwde en beet in haar trui van frustratie. En toen klikte er iets in haar hoofd. De storm ging liggen, even plots als hij was opgekomen. Ze liep resoluut naar de kast. Nam een schaar. Knipte mij zonder aarzelen los van mijn geliefde. Ik dwarrelde verbouwereerd op de grond. Ik vreesde even dat ze het daarbij zou laten. Dat ze genoegen zou nemen met het portret van de man. En wij dus voor altijd losgesneden.
Maar ze was inventief. Ik kreeg een tweede kans. “Papa en mama, wisselen van plaats nu.” eiste ze. Er was nog wat plaats op het papiertje aan de andere kant. Dus ze begon me opnieuw te tekenen, rechts van hem nu. Ze tekende snel. Verwoed. We durfden amper te ademen. Haar concentratie was heilig. Zou ze tevreden zijn? Zou ze de hoge lat die ze telkens voor zichzelf legde, halen? Ze stopte. Legde haar pen neer. Keek eens goed naar de tekening. En dan naar ons.
Het verdict viel. Ik was goed genoeg. Papa was beter, maar ik kon er mee door. Oef. Maar de zetel waar we op zaten leek op een bed, vond ze. Ze aarzelde, leek af te wegen of dit een nieuwe storm waard was. “En het ís ook een bed”, besloot ze toen. En om alle misverstanden te vermijden, schreef ze nog: ‘Mama en papa in det.” Zodat niemand zou denken dat ze een zetel had getekend die op een bed leek.
Wij zwegen wijselijk over dat buikje dat aan de foute kant van het stokje hing. Bleven nog even zitten in de zetel, zo zonder iets te doen. Mochten weer met elkaar praten, dus we zeiden levensbelangrijke zaken zoals: “kijk die duif” en “amaai, mijn rug”. Opgelucht dat we na die korte scheiding weer samen waren. En dat zijn linkerarm net zo warm was.

zes

Ik fiets met de dochter achterop. Haar laarzen zijn kapot en ik vond tweedehands eenhoornlaarzen met glitters en alles erop en eraan voor maar drie euro. En eenhoorns, dat is blijkbaar een ding. Zelfs mijn dochter, die houdt van modderpapjes, regenwormen, slakken, in bomen klimmen en rondlopen in haar blootje (het lijkt hier soms de Lord of the flies), blijkt niet immuun voor de eenhoorngekte.
Er tikt al enkele dagen iets tijdens het fietsen. Ik ontdekte dat het stopt als ik zigzaggend fiets. Het is rustig op de weg dus daar ga ik. Ik geniet van de instant rust in mijn hoofd als het getik ophoudt. De dochter vertrouwt het zaakje niet. Ooit, intussen al meer dan 2 jaar geleden, kantelde mijn fiets bij vertrek en viel om. Ik herinner me de twee huilende kindjes die, in hun stoeltjes vastgeklikt, half uit hun stoel hingen en ik die moest kiezen wie ik eerst zou losmaken. De dochter wou daarna lange tijd niet meer bij mij op de fiets, ze was daar nogal volhardend in. Zo ben ik regelmatig naar huis gefietst, terwijl zij naast mij jogde. Wonderlijk, die koppigheid van dat meisje.
Ze heeft het vertrouwen in mijn fietscapaciteiten nog steeds niet helemaal herwonnen en roept ongerust: “Rustig rijden hé mama, en je handen allebei aan het stuur!”. Ik zie enkele wandelaars opkijken.
Ik rijd door enkele straten waar ik nooit eerder kwam, tot ik op een plek kom die ik herken. Ik was hier al een keer, zo’n kleine 6 jaar geleden. Ik huilde toen, dat herinner ik me ineens. Had de dochter in de draagdoek, ze was enkele maanden oud en was eindelijk opgehouden met krijsen en in slaap gesukkeld.
De wanhoop die ik toen voelde. Ze was nogal een intense baby. Sliep nooit langer dan 2 uur na elkaar. We moesten hemel en aarde bewegen om haar in slaap te krijgen. Ze huilde hysterisch als ze niet gedragen werd en was heel moeilijk te troosten. Dus ze sliep veel in de draagdoek en bleef enkel slapen als je aan een stevig tempo met haar rondwandelde. Durfde je even stil te staan dan was het kot te klein. (Dat was het ook letterlijk, als je dat stevig tempo in je living moet aanhouden) Ik was zo moe. Ik wist niet wat ik deed. Wat ik fout deed. Wat zij nodig had. Gelukkig was er ook die overrompelende verliefdheid op dat prachtige, ondoorgrondelijke wezentje.
Ik was die dag meegegaan met een vriendin naar postnatale kiné in groep. Baby’s mochten mee dus ik dacht, zeer naïef, dat ik de dochter tijdens de oefeningen zou kunnen vasthouden. Bij het binnenkomen zag ik allemaal rustige, tevreden baby’s in maxi-cosi’s of op kussens liggen. Sommige sliepen, sommige keken wat nieuwsgierig rond, geen van hen huilde. De vriendin had ook zo’n tevreden exemplaartje mee dus ze legde die bij de rest. Ik verwachtte dat al die baby’s elk moment in hysterisch gekrijs zouden uitbarsten, maar er gebeurde niets. Opeens besefte ik dat dit ook van mijn dochter verwacht werd. Ik legde haar wat onzeker bij die andere baby’s. Uiteraard begon ze na enkele minuten te krijsen. Geen enkele interventie hielp. De kinesiste nam haar op de arm, waar ze het krijsen ongestoord voortzette, de hele sessie lang. Nadien durfde ik niemand aan te kijken terwijl ik op en neer liep om haar rustig te krijgen. Wat uiteraard niet lukte. Ik had het gevoel dat de hele wereld meekeek. Niets hielp. Ik kon mijn eigen dochter weer eens niet troosten.
Uiteindelijk hijste ik haar krijsend in de draagdoek. Ik vertrok met tranen in de ogen. De lift in, de fiets op. Pas toen ik een tijdje aan het fietsen was, werd ze rustig en viel in slaap. Toen was het mijn beurt om mijn tranen de vrije loop te laten. Het was de eerste keer dat ik besefte dat niet alle baby’s zo waren. En ik schaamde me. Welke moeder kon haar eigen kind nu niet troosten? En lag het aan mij dat ik zo’n onrustige baby had? Ik fietste maar wat rond en kon niet ophouden met huilen. Ik besefte opeens dat ik niet wist waar ik was en had nog geen smartphone toen. Stapte af en keek rond.
En hier sta ik nu ook, op diezelfde plek. Een kleine 6 jaar later. Het gevoel van toen is nog zo vers. De wanhoop. Het gigantische slaaptekort. De eindeloze zoektocht van wat anders en hoe beter. Al die meningen, maar niemand die echt kon helpen. Het was zwaar.
We zijn zes jaar verder. De dochter is nog steeds intens en dat is soms zacht uitgedrukt. Gelukkig is intens behalve vermoeiend ook vaak verbijsterend mooi. De dingen die ze zegt en doet hebben ons al diep ontroerd. Ze kan zo wijs zijn. Zo verantwoordelijk. Zo zorgzaam. Verveling bestaat niet met haar. Tomeloze energie uit zich soms in tomeloze woede maar ook in tomeloze liefde, creativiteit en passie. En de woede wordt steeds minder tomeloos. Zo stond ze enkele dagen geleden, met gebalde vuisten te briesen en te stampen. Toen ik haar vroeg of ze rustig kon worden, schreeuwde ze: RUSTIG?! IK PROBEER HIER WEL MIJN BOOSHEID ONDER CONTROLE TE HOUDEN HÉ! Ze schreef deze week ook haar eerste briefje. Ze zat te mokken in de badkamer omdat ze niet wilde komen eten. Ze schreef het op twee blaadjes toiletpapier. Die had ze in strookjes gescheurd om haar punt te benadrukken. “Mira is boos.”, stond er. Onze ergernis verdween als sneeuw voor de zon. Vertederd glimlachten we achter onze hand.
Ik sta op diezelfde plek als zes jaar geleden. De overrompelende verliefdheid heeft plaats geruimd voor niet-aflatende, allesomvattende liefde. Liefde voor dat wijze, onstuimige, weerbarstige, liefdevolle meisje met zoveel pit. We zouden haar niet anders willen.
Vandaag weet ik wél waar ik ben. En ik weet soms zelfs waar ik naartoe wil, waar zij naartoe wil en hoe we daar samen geraken. En dat het ook zigzaggend kan. Graag zelfs.
Loving Hands
Het is hier een beetje stil, want ik ben druk bezig met een leuk projectje! Ik maakte samen met Inez Peeters 5 unieke poëziekaarten. Vooraan vind je telkens een illustratie van Inez, binnenin schreef ik een passend gedicht. Je kan de kaarten hier bekijken en bestellen: https://lovinghandspoeziekaarten.wordpress.com/
iets met troost
