dag jonge vrouw met je broek net iets te kort je zwarte legerschoenen en roze haren je vel is bleek en je ogen donker maar jij licht want je danst een beetje en de hielen van je schoenen tikken ritmisch op de grond en ik vind dat mooi
dag knappe man op de fiets ik kijk iets te lang dus je glimlacht tevreden je mondhoeken krullen zelfzeker omhoog je neusvleugels iets wijder en je wenkbrauwen schuin je hele gezicht zegt: “ja, kijk maar, ik ben echt heel mooi hé?” en ik moet hardop lachen want ’t is echt waar maar dan nog
dag kleine meisje achterop bij je mama op de fiets ze draagt een rugzak en buigt naar voren zo ver als ze kan maar je kijkt me aan zo van: allemaal goed en wel maar ik zit hier toch maar met een rugzak op schoot
dag slapende man op die harde bank je gezwollen gezicht in de ochtendzon bloed op je wang en je lijkt nog zo jong hoe vredig lig je daar en ondanks de zware nacht het harde leven dat jij kreeg deed je toch je schoenen uit zette die netjes naast elkaar bij het bankje op de grond want slapen doe je niet met schoenen aan
dag kindjes op jullie hurken aan het einde van dat straatje naast dat bloeiende struikje daar druk in de weer met mijn kookpot krijtjes pletten, blaadjes plukken en wroeten in de aarde zeulen met een veel te grote gieter roeren met stokken in een papje
dag jongetje je ziet me en rent nu op me af zo snel als je korte beentjes je kunnen dragen dag meisje je springt op en neer jullie roepen: mama, mama, mama! steeds luider alsof ik terugkom van een lange wereldreis en ik heb me nog nooit ergens zo welkom en geliefd gevoeld
dag lieve vuile modderkindjes in mijn armen nu wat was het druk in de Colruyt wat zijn er veel mensen en verhalen
en wat ben ik blij om nu hier bij jullie met jullie zwarte nagels, snottebellen, luide stemmen en zachte wangen thuis te komen
Ik rijd door de stad naar mijn werk. Ik zie mensen naar me kijken en vraag me af wat ze zien. Wat ze denken.
Misschien kijken ze naar mijn fiets, die is nogal opvallend en niet helemaal mijn smaak, maar dat kon me niet zoveel schelen toen ik hem kocht. Ik moest toen gewoon een fiets hebben. Ik was hoogzwanger van kind 2 en was enkele dagen daarvoor naar een feestje gegaan. Toen ik ‘s nachts terug naar huis wilde vertrekken, bleek dat iemand mijn goeie, snelle, trekkingfiets had gestolen. Ik was furieus. Ik moest te voet naar huis wandggelen, gelukkig was het niet al te ver. Ik voelde me persoonlijk beledigd. Iemand had een fiets gestolen van een hoogzwangere vrouw! Wie doet nu zoiets? Het lef! Krapul was het! Klwotzak, dwoazn ul, ziekn ond, …! (als ik boos ben speelt mijn West-Vlaams een beetje op en ja, ik ging er blijkbaar vanuit dat het een man was)
Toen mijn man me er de volgende dag op wees dat de dader niets wist van mijn toestand (en dat hem ook geen hol kon schelen – maar dat gedeelte negeerde ik), beeldde ik me zijn schuldgevoel in als iemand hem daarmee zou confronteren. Hij zou mij dan voor zich zien, zuchtend en steunend op die ellendige brug in het holst van de nacht, met tranen in mijn ogen, het geloof in de mensheid kwijt. Hij zou, geteisterd door schuld, mijn fiets terugbrengen. Me een voetmassage geven. En tijdens het masseren luid huilend (met een beetje snot) opbiechten wat hij nog allemaal gestolen had en vertellen dat hij vanaf nu zijn leven zou beteren. Terloops nog opmerken dat ik, zelfs hoogzwanger, een bloedmooie vrouw was en me wat koelte toewuiven. Ik zou bijna compassie krijgen.
Nu mijn verontwaardiging was omgevormd naar een bizarre vorm van medelijden kon ik op zoek naar een nieuwe fiets. En graag voor de baby er was. Het moest zo’n mamafiets worden. Met ruimte voor een zitje vooraan en achteraan. We vonden iets tweedehands. Met roze velgen, “Lief!” er op geprint, roze bloemetjes overal, een grote bel met nóg bloemetjes en een mandje vooraan. Zo’n fiets voor een blonde, creatieve, Nederlandse vrouw met gebloemde jurk, tonnen energie en een stralende lach, wiens huis smaakvol ingericht en altijd netjes opgeruimd is. Met rood gelakte teennagels. Ik ben ook een vrouw en daar houdt de vergelijking op.
Maar het was een goed merk, de fiets zo goed als nieuw en de prijs zeer schappelijk. Dus we kochten hem en nu rijd ik daar dus al meer dan 3 jaar mee rond in de stad. Ik zie mensen naar mij kijken en wil soms verdedigend roepen: “‘t was tweedehands, en echt een hele goeie, en ik had zoiets nodig en verder is het echt niet mijn smaak!” En soms glimlach ik breed en kijk met zo’n blik alsof ik blond en Nederlandse ben en mijn hoofd bruist van de creativiteit.
Of misschien kijken ze naar mijn lange kleed. Ik vind het zelf erg mooi en ben blij dat het tot op mijn enkels komt. Ik las gisteren hoe een vrouw meteen lastig gevallen werd toen ze met wat meer bloot op straat kwam en de mensheid dat blijkbaar niet goed aankon. Dat is vast om onnozel van te worden, maar ik kan daar zelf niet echt van meespreken. En ik vind dat niet gek. Ik vind mezelf niet per se mooier worden naarmate ik minder kleren draag. Mijn bovenarmen zijn niet bepaald rank te noemen. En mijn blote benen passen het best in modderige laarzen op een erf ergens, met gebloemde rok (weeral die bloemen) en een emmer verse melk in de hand. (Maar ik weet het. Dit is mijn lijf. Dit is wat ik heb en ik moet er nog een hele tijd mee rondlopen. Ik kan het maar beter aanvaarden en graag zien. Mijn man geloven die me zeer overtuigd wél mooier vindt naarmate ik minder kleren draag bijvoorbeeld.)
Ik heb mijn gezicht altijd mijn beste troef gevonden. En dat moet ik nu al meer dan een jaar voor de helft bedekken. Maar als ik voor de klas sta, zet ik mijn mondmasker soms even af om bijvoorbeeld nieuwe woordenschat aan te leren. Ik beeld me dan in dat ik verbazing en bewondering in de ogen van mijn cursisten zie. Dat ze denken: “waauw, haar gezicht is echt haar beste troef!” Maar ik weet dat ze vooral schrikken. Want dat doe ik ook als een cursist even zijn/haar mondmasker afzet om iets te eten of te drinken. Niet omdat wat achter dat mondmasker zit niet mooi is. Nee, maar het is nooit wat ik had verwacht te zien. Mijn hersenen hebben blijkbaar het gezicht aangevuld op basis van wat wel zichtbaar is, onbewust, en dat strookt nooit met de werkelijkheid. Dus eerst schrik ik, alsof er in een vingerknip iemand anders op die stoel zit. En als ik dan wat langer kijk en het volledige gezicht in me opneem, vind ik het altijd ontroerend mooi. Zo echt, zo lief en kwetsbaar. Misschien is dat wel het effect op iedereen als die mondmaskers eindelijk af mogen. Dat we mekaar met vernieuwde, verwonderde blik zullen bekijken. Ontroerd omdat we er zo kwetsbaar uitzien. Iedereen op straat met tranen in de ogen.
Genietend van die gedachte passeer ik nog even langs de tweedehandswinkel. Koop een mooie rok met fel oranje bloemen voor maar 3 euro. Kwestie van mijn alter ego’s, de blonde vrouw en de melkboerin, tevreden te houden. Een rok tot op mijn knieën deze keer, omdat mijn witte, stevige kuiten ook recht hebben op wat zonlicht. En de mensheid recht op een eerlijke representatie van (vrouwen)benen op straat, in alle maten, kleuren en vormen.
na een nacht vol buien fietsten we in de vroege ochtend door het park één kind bij mij, het andere fietste zelf ze taterden om het hardst
ik keek naar al dat groen dat nog moe en loom zwaar van al die liters lag te bekomen
en bij de eerste zonnestralen richtte het zich op: fris en hoopvol damp steeg op uit de grond en wij middenin die pracht haalden diep adem en vielen stil
hij had de dochter over atomen verteld dat alles daaruit bestaat ze dacht daar nu al dágen over na
we zagen prille zwanenkuikens, een veulen, een reiger en een specht we lachten om de meerkoet hoe die in het water dook allemaal atomen, vroeg ze? allemaal atomen, echt
en toen ik zei: snuif eens diep, kijk eens om je heen zie hoe wonderlijk die boom zweeg zij eerst en juichte toen ze wist wat niet uit atomen bestond: haar schaduw en haar droom
nu dit was opgelost wat haar betrof ze weer magie gevonden had vervolgden wij – alledrie tevreden nu – onze weg door het Rivierenhof
ik zag haar alweer fronsen hoorde het ongeduldige drummen van nieuwe twijfels en vragen op een kier het zou straks weer gaan regenen maar nu scheen de zon en wij waren hier
Ik zit op het toilet met het boek “Jij en ik en alle andere kinderen”. Ik kreeg het daarnet in bed. Ze zongen, zij had een tekening en hij bracht koffie en dat boek dus. Van Bart Moeyaert. Zogezegd voor kinderen maar zowel het kind als de vrouw in mij vinden het prachtig. Ik glimlach om de laatste zin van een gedicht. Ineens gaat de deur van de badkamer open. Een poesje en haar baasje komen binnen. Het baasje zegt dat ik in hun kasteel zit en de bewaker ben. Een bewaker met de broek op de enkels en een boek op schoot. Ik leg het boek opzij en spoel door. De poes miauwt.
Even later sta ik onder de douche van het kasteel. De poes zit op handen en knieën op een krukje naast de douche. Het baasje zeult met bekertjes en een theepot en ze drinken thee en chocomelk. De poes zegt bewaker, bewaker, bewaker, bewaker, bewaker! En dan herinner ik me dat ik dat ben. Of ik ook chocomelk wil?
Ik scheer mijn benen. Het baasje en de poes komen kijken. Zijn nieuwsgierig en bezorgd. Of dat geen pijn doet? Of het echt geen pijn doet? De poes zal op een dag vragen waarom ik dat doe. En papa niet. En of zij dat later ook moet doen. Ik denk na over wat ik dan zal antwoorden. Ja, dat is belachelijk. Onnozel. Stom. Nee, jij moet dat niet doen want je lijf is je lijf en prachtig zoals het is. Nooit moet je het veranderen. Gewoon graag zien. Dat zal ik dan zeggen terwijl ik doorga met scheren en epileren en doen alsof het geen moeite is. Ik luisterde enkele dagen terug met tranen in de ogen naar de eerste 2 afleveringen van ‘Lijf’, een podcast van Radio 1. Ik weet dat ik mijn lijf vooral tolereer in plaats van het graag te zien. Dat ik dat nooit echt geleerd heb en ik het haar wél wil leren. Maar hoe dan.
Het baasje huilt plots want zijn vinger zat onder het deksel van de theepot. De poes wil hem troosten maar hij wil alleen de bewaker. Rent bijna met kleren aan de douche in. De man komt en stuurt hen de badkamer uit. Kleertjes aan, tandjes poetsen, we gaan zo naar oma en opa. Gejuich.
‘s Avonds bekijk ik haar tekening nog eens. Een groot hart. Met heel veel kleur. Een klein hartje ernaast. Wie haar niet kent denkt misschien: haastig ingekleurd, wat buiten de lijntjes, veel moeite heeft ze niet gedaan. Maar ik ken mijn ongedurige kind. Weet dat ze normaal tekent alsof de eerste lijn haar al verveelt. Tekent haastig van zich af. Kleurt niet in. Geen details. Wil er klaar mee zijn. Vaak verscheurt ze ze nadien ook. Teleurgesteld dat het dat maar is. Schreeuwend dat ze haar tekening haat.
En nu dit hart. Al die vakjes. Ze heeft de ene na de andere stift uitgezocht. Lijntjes getrokken. Wellicht tijdens het inkleuren spijt dat ze het hart zo groot getekend had. Maar doorgezet. Het grote hart dat barst van de kleuren en in haar kielzog dat kleine hartje. Ik moet haar morgen vertellen dat ik het gezien heb. Dat ze liefde tekende. Onuitputtelijke, kleurrijke, onvoorwaardelijke liefde. Dat zij, mijn eerste, ter wereld kwam en samen met het vruchtwater die overrompelende stroom van liefde en kleur ons leven in gutste. Ik ga morgenochtend bij haar in bed liggen. Haar haren strelen. Haar gezicht koesteren. Zeggen dat ik het allemaal gezien heb.
hoe we daar zaten op de stoeprand knieën omhoog het rook naar vers gras en warm geluk het was in jouw stad waar die oude eik stond ik had je gepord en jij riep uitgelaten dat je mijn gezicht zó mooi vond
de zon die ons naar elkaar toe scheen het danste in mij onze hoofden dicht bijeen en ik kon maar niet geloven dat jouw hand daar net en we ‘s avonds bij elkaar in bed
dat je zo veilig en lief was zorgeloosheid morste en mij laagje na laagje bloot pelde
wij zouden nu groeien misschien wel blijven
we zijn er nog en na een lange winter schijnt de zon hier en ook verderop een kind ik ruik vers gras en jij zucht: dat je mijn gezicht toch zó mooi vindt
mussen kwetteren en wij doen alsof de zorgeloosheid nog in voorraad en soms is dat genoeg
Er zijn zo van die dagen waarop de raarste dingen je ontroeren.
Er speelden vanmorgen reeds hevige emoties.
Een kleine greep: – De dochter huilde eerst heel dramatisch omdat de man haar wéér had wakker gemaakt, en gisteren ook al, terwijl ze nog zó moe was. – Er was het gebruikelijke geruzie over (ik zever niet) NAAR WIE DE OPEN KANT VAN DE ZAK GRANOLA GERICHT LAG. Elke ochtend opnieuw. We installeerden zelfs een beurtrol, god help ons. – Het zoontje had uit colère zijn lepeltje tegen mijn voorhoofd geslagen omdat hij melk in een beker vroeg en ik hem melk in een beker gaf. – Hij werd nog bozer toen hij ontdekte dat ik hem de avond daarvoor stiekem zijn pyjama van Hop Marjanneke* had aangedaan. Hij is “nogal” kritisch wat zijn kleren betreft en die pyjama is eigenlijk een no-go. – Hij werd licht hysterisch toen ik de granola in de foute richting door zijn yoghurt roerde (denk ik, hij communiceerde niet zo helder). – De dochter begon te schreeuwen omdat hij te luid huilde en haar oren pijn deden.
Goed, zo’n ochtend dus. Er was ook nog even wat miserie bij de school toen het zoontje ontdekte dat hij een trui droeg met lettertjes EN een embleempje op. DE HORROR. Gelukkig bleek zijn reservetrui wél aan zijn eisen te voldoen en kon een nieuw drama op het nippertje vermeden worden.
Ik moet toegeven dat ik de school met een klein huppelpasje verliet. Een dag voor mezelf en ik ging zwemmen!
Omdat schoolslag mij wat begint te vervelen, heb ik me voorgenomen mezelf borstcrawl te leren. Dat ziet er toch altijd zó mooi uit bij die andere zwemmers! Enkele weken terug ondernam ik mijn eerste pogingen, de basis die ik ooit in de middelbare school leerde indachtig. Het was niet zo’n succes en dat is zacht uitgedrukt. Het werd een gênante vertoning met veel gespartel en gehap naar lucht. Ik kon niet eens één lengte naar behoren zwemmen. Toen ik me nogal dramatisch verslikte met een uitgebreide hoestbui tot gevolg, waren er ineens een heleboel blikken op mij gericht. Ik hoorde mezelf tussen het hoesten door wat onnozel: “‘t is gene corona” zeggen. Zelfs de badmeester kwam even horen of alles wel oké was. Ik wist niet of hij echt bezorgd was of er voornamelijke corona-alarmbellen afgingen in zijn hoofd. Hij bleef nadien ook wat ongemakkelijk lang op zijn hurken zitten wachten terwijl ik aan het bekomen was. Hoewel het me onduidelijk was waarop hij dan wachtte.
Soit, na die mislukking had ik wat filmpjes op youtube gekeken met allerlei tips over ademhaling en armbewegingen. Ik had ze zelfs uitgeprobeerd aan de keukentafel tot grote hilariteit van mijn kinderen.
Vorige week ging ik dus opnieuw zwemmen. Ik voelde de ogen van de badmeester in mijn rug branden. Misschien om mij op een nieuw hoestje te betrappen en het zwembad uit te kunnen bonjouren. Of omdat hij, van alle zwemmers aanwezig, bij mij de kans op verdrinking het grootst achtte. ‘t Was in ieder geval níet omwille van mijn wulpse lichaam.
Ik besloot – met de youtubetips in het achterhoofd – een nieuwe borstcrawlpoging te ondernemen. Bleek ik tot mijn teleurstelling met al mijn tips zo mogelijk nóg slechter te zwemmen. De badmeester had mijn gesukkel in ‘t snotje en volgde me nauwgezet dus na een paar baantjes gaf ik op. Had ik maar iemand die het mij kon leren!
Vandaag was dezelfde badmeester weer op post. En noem me paranoia, maar hij leek toch weer vooral oog voor mij te hebben. Na mijn verplichte 50 baantjes schoolslag, waagde ik me weer aan mijn miserabele borstcrawl. Na een poosje stond de badmeester recht en kwam op me af. Hij sprak me aan! Begon tips te geven over beenbewegingen, over mijn ademhaling en mijn armen. Hij toonde voor, ik deed hem na. Hij vertelde dat het al veel beter was en somde nieuwe werkpunten op. Ik was een beetje in de war. Kreeg ik nu echt gratis een privé-les? Hij sprak de youtube-filmpjes wat tegen maar opkijkend naar zijn gespierde armen geloofde ik maar al te graag dat hij wist waarover hij sprak. En ik merkte zowaar dat het wat beter ging. Hij kwam nog met een plankje aangelopen en begon een nieuwe oefening uit te leggen, toen ik moest vertrekken. Hij leek teleurgesteld.
Nu ik zijn gedrag kon verklaren, vond ik hem uiterst sympathiek. Hij was een geoefend zwemmer, misschien zelfs een zwemleraar, die voortdurend naar mijn geploeter moest kijken, zich al weken zat te bedenken wat ik allemaal fout deed en zich vandaag niet meer had kunnen bedwingen.
Tevreden fietste ik terug naar huis. Een man riep “voal vetzakske!” naar een raam en het ontroerde me dat hij voor een partijtje uitschelden een gebloemd mondmasker had opgezet.
Thuisgekomen boekte ik een nieuwe afspraak: same time, same place and howpelijk same bathmeester voor mijn tweede privé-les borstcrawl!
Ik had een heerlijke ochtend met de kinderen in het park.
We hadden het perfecte plekje gevonden, ik zat op een boomstam in de zon en zij klommen en plukten en wroetten en zongen. Kwamen af en toe iets tonen of vertellen of even knuffelen en ik dacht dat dit moment eeuwig mocht blijven duren.
En toen nam ik mijn gsm erbij. Of ook: wat je NIET moet doen als je wil dat een moment eeuwig blijft duren. Ik las het nieuws over de jongen van 10 jaar die 4 uur alleen had rondgezworven in de Texaanse woestijn. Het contrast met mijn idyllische momentje in het park kon niet groter zijn. Die gedachte brak mijn hart in 1000 stukjes. Zijn ondraaglijke situatie bleef me de hele dag achtervolgen dus ik schreef dit gedicht voor hem.
De dag begon zo mooi. Ik haalde hem uit zijn bedje en vertelde dat hij jarig was, eindelijk! Hij glunderde. We kwamen de trap af, hij staarde naar de vlaggetjes en de ballonnen, zag de man en zei trots: “Tobe nú jarig papa!” Toen zag hij zijn stoel en dat daar cadeautjes lagen. “Cadeautjes!” De deur ging open, hij draaide zich om en zag zijn zus binnen komen, met ogen vol liefde en spanning. Hij riep: “Miraaaa!”, wist zich met al zijn genot en enthousiasme geen blijf dus rende op haar af, en sprong, letterlijk, in haar armen. Gelukkig hield ze stand, want veel groter is ze niet. Daar stonden ze, hun armpjes rond mekaar, zijn beentjes rond de hare geklemd. Ik kon wel janken, zo schoon was dat. De rest van de dag maakte eigenlijk niet veel meer uit, dit was het perfecte beeld en ik hoop het voor altijd vast te houden.
De rest van de dag was natuurlijk genieten. Wat een weer! Hij vroeg met zijn allerhoogste stemmetje: “Tobe euhm voor zijn verjaardag in zijn blote poep eten?” Hij houdt er van als zijn billen dan aan zijn stoel plakken, dus dat mocht. Ze speelden daarna met de “alsoffe” taart en de “alsoffe” koffiebekertjes en de “alsoffe” donuts. Daarna las zij zijn nieuwe boekje van Nijntje voor en oma belde. Er werd voor hem gezongen door meerdere buren () en zijn tong hing uit zijn mond van verlegenheid en genot.
Ik haalde taart terwijl hij even bij zijn beste vriendje/overbuurjongen mocht spelen en we reden daarna naar de lieve vriendin met de heerlijke tuin en de mooie dochters. Ze had een picknick voorzien en overal ballonnen gehangen en ook nog een boekje cadeau gedaan. Het geluk kon niet op. Hij had al weken gevraagd of hij taart mocht eten als hij jarig was, dus dat stond ook op het programma. En smaken dat het deed. Hij blies 1 kaarsje uit, zijn zus de andere 2 en dat is echt hoe die twee in het leven staan. Hij probeert alles een beetje en zij komt hem dan gretig redden of helpen of troosten. Prachtig.
Toen we ‘s avonds weer thuiskwamen, kreeg hij nog een cadeautje van zijn vroegere allerliefste onthaalmoeder die ook een buurvrouw is en druifjes van nog een andere en een tekening van een buurjongetje. Om maar te zeggen dat wij hier echt in de allerbeste straat wonen.
Hij ligt nu helemaal tevreden en voldaan in zijn bedje. Bij de dochter is een verjaardag altijd een beetje té spannend met iets teveel prikkels en de nodige portie ontlading nadien, dus ik heb een kind nog nooit zó puur zien genieten als hij vandaag. Hij is 3 maar beweert zelf 4 te zijn en steekt dan trots 5 vingers op. Hij is naar het schijnt groot aan het worden maar ik weet wel beter. Want hij is mijn baby die 3 jaar geleden kabbelend ter wereld kwam en mijn hart al 3 jaar vult met liefde en eindeloos veel knuffels.
En straks als ik in mijn bed lig, ga ik dat beeld voor me zien. Hij deze morgen, zo blij dat hij spontaan in de armen van zijn zus sprong. Zij die hem stevig vasthield, liefdevol haar gezicht tegen het zijne wreef en dan die trotse blik naar ons. En wij die half wegsmolten.
Het begon met een paar verdwaalde bolletjes piepschuim die ze in de voortuin vond. En de dag daarna op school. En diezelfde avond in onze badkamer.
De conclusie was simpel. Iemand liet sporen na. Hij werd de piepschuimdief gedoopt. Wat hij precies wou stelen was niet duidelijk, maar het was geen piepschuim. Neen, het piepschuim, dat waren slordigheden. Fouten die hij maakte, waardoor ze hem op het spoor was gekomen. Want ze maken uiteindelijk allemaal fouten.
Ze maakte gisteren een machine. Satéstokjes in het rooster van de chauffage naast het toilet. 3 hendels waren dat. De linkse hendel was om hem flauw te doen, de middelste om hem dood te maken en de rechtse om hem terug bij bewustzijn/levend te toveren. “Oké mama, wat wil je? Moet de piepschuimdief flauw of dood?” Ik zei dat ik er persoonlijk weinig voor voelde iemand dood te maken, dus koos dan maar flauw. Ze zuchtte eens en rolde een beetje met haar ogen. Dat moederke lief van haar toch. Maar allé, ‘t was goed, ze had tenslotte zelf gezegd dat ik mocht kiezen. “Zo! Nu is de piepschuimdief flauw. Dat komt ervan!”
En toen ik enkele tellen later de badkamer uitliep hoorde ik nog: “TSJAKAA. En nu DOOD! HAHAHAHAHA!”
Vandaag kwam ze met het opgerolde kasticketje van de Jumbo aangelopen. “Mama, je gaat dit nooit geloven. Dit is echt ongelooflijk. Dit is nog nooit gebeurd. Dit is de eerste keer ooit. Hier ben ik echt niet goed van. Dit moet een nachtmerrie zijn.” (Ondertussen zag ik de fantasievonkjes bijna uit haar oren komen, haar hersentjes druk aan het werk om een vervolg te verzinnen.) “Dit is een brief van de piepschuimdief. Ik heb die gevonden. De piepschuimdief heeft een machine gemaakt. Die staat in de Ikea. Een machine met één oog. Die ziet alles. En gaat alle mensen vernietigen! Maar gelukkig heb ik deze brief hier gevonden. Wacht even!” Ze rende naar één van haar geheime zakjes. Haalde er een beschilderde dennenappel uit. “Hier mama! Onderzoek jij die even?” En 10 seconden later. “Heb je al iets ontdekt mama?” De ontdekkingen die ik had gedaan bleken niet spannend of origineel genoeg, dus ze nam het maar weer van mij over. Had intussen nog een tweede brief onderschept, waaruit bleek dat die machine niet alleen in de Ikea maar in ALLE winkels stond! En dat ze tijd had tot overmorgen om het op te lossen.
Kijk, ik wil jullie niet bang maken. We zijn er mee bezig en de dochter kennende, zal ze niet opgeven voor ze de schurk onschadelijk heeft gemaakt. De machine in de badkamer kan ze daar helaas niet meer voor gebruiken want die heeft het zoontje afgebroken toen hij alleen wou zijn om kaka te doen. Dat zijn van die tegenslagen waar deze heldin dagelijks mee geconfronteerd wordt. Maar ze geeft niet op, ‘t is een doorzetter, geen paniek dus (voorlopig). Het komt waarschijnlijk goed!
In tussentijd stel ik het volgende voor, ter bescherming van ons allen:
Probeer zoveel mogelijk thuis te blijven. Als je buiten komt, doe dat met maximum 4 mensen anders word je al snel een gemakkelijk doelwit voor de piepschuimdief. Draag maskers indien mogelijk, zo word je minder snel herkend. Moet je per se naar een winkel die niet eens essentiële middelen verkoopt, en is die winkel in het allerslechtste geval de Ikea? Ga dan alleen en bel even op voorhand, om te horen of de machine gelokaliseerd werd en hoe druk het daar is. En onthou: alleen als we samen werken kunnen we de mensheid redden! En vergeet niet, er is hier een kleine heldin druk in de weer om deze missie tot een goed einde te brengen. Want zij waakt over ons!