Gebakken suiker

Hij roept me. Ligt in zijn nieuwe, grote bed in de kamer die nu hun kamer is. 

Ze oefenen al twee dagen. “Onze kamer” zeggen ze, en dan glunderend naar elkaar kijken. Op vakantie sliep hij al twee weken in een groot bed op dezelfde kamer als zijn zus. En dat ging goed. Hij vroeg geregeld naar zijn bedje. Wanneer we weer naar ons eigen huis zouden gaan en hij terug in zijn eigen bedje kon slapen. Met zijn twee tutjes en zijn twee baby’s. Hij stak dan van elk handje zijn duim en wijsvinger op. 

Zijn lijfje groeide uit zijn bedje, maar toch wilde hij er blijven slapen. In zijn ‘slaakslak’ met zijn gezicht in een hoekje tegen de spijlen. We vroegen het soms. Of hij het grote bed niet eens wilde proberen. Het stond daar al een tijdje klaar, naast zijn babybedje. Geduldig te wachten. Maar hij koos dan veilig en bekend. Hij heeft dat van geen vreemde. 

Op vakantie was er enkel dat grote bed. En het ging goed. De thuiskomst dus het moment voor die steeds weer uitgestelde verandering. En meteen bij zijn zus op de kamer. Dat wilde ik al een tijdje. De man twijfelde steeds want zouden ze dan niet slechter slapen, vroeger wakker zijn en we hadden toch twee kamers. Mijn eigen herinneringen aan alleen slapen als kind zijn niet zo fraai. Mijn angsten kregen dan de overhand. Op den duur was ik overdag al bang voor de nacht die me zonder genade elke avond weer opwachtte. Die nooit een keer kon worden overgeslagen. Dus hield ik vol. 

De man haalde zijn bedje uit elkaar. Hij was erbij en hielp. Ze sleepten het grote bed naar de kamer van zus. En oefenden ‘onze kamer’ en ‘de speelkamer’. En toen ging de bal aan het rollen. Want die grote slaapbank die bij ons op zolder stond, kon nu naar de speelkamer, zo werd het ook een logeerkamer. En toen kwamen zakken vol kleren en andere spullen tevoorschijn die veilig achter die slaapbank weg geborgen stonden. En de vriendin die van opruimen en inrichten houdt was er toevallig bij. Dus toen begonnen we de zolder op te ruimen. Zakken vol kinderkleren gingen eruit. Dekentjes van toen ze klein waren. Voor de kringloopwinkel. Een loopkarretje. Lelijk en van plastiek. Ze zetten er allebei hun eerste stapjes mee. Een zak vol zwangerschapkleren. Waar mijn buik tegenaan zwol en armpjes, oortjes en hersenen onder groeiden. Ik zag de man genieten. Zoveel kleren weg. De zolder werd ruimer. Rustiger. Ons bed kon nu anders staan. Er kwam een hele muur vrij. Ik zag het ook. Maar voelde het niet. 

‘s Avonds lag ik in bed. In die opgeruimde zolder. Gezelliger ingericht nu. Ruimte en rust. En ik voelde me wat ontwricht. Die kleertjes. Waar ze eerst in- en later uitgroeiden. Waar zij voor het eerst in kroop en de buitenproportionele euforie en trots bij ons toen. Broekjes, afgesleten aan de billen want daarop schoof hij aan een stevige snelheid door het huis. Pakjes waarin ze gulzig dronken aan de borst en hoe mij dat altijd bleef verbazen. Tegen mij aan in slaap vielen. Geurden naar zure spuug en uitgelopen pamper. Dekentjes waar ze voor het eerst op rolden. Dat loopkarretje. Waar zij op 9 maanden al het huis mee rond croste. En hij, 19 maand oud, zich eindelijk, bijna met tegenzin, eens aan optrok. Ik miste hen. Die versies van mijn kinderen die ik al die tijd dicht bij mij had op de zolderkamer. Ik dacht aan mijn man en hoe zeker hij was, meteen na de geboorte van de tweede. Dat twee genoeg was. En hoe ik nooit zeker ben, over niets. En kiezen is verliezen. Ik voelde verlies. Ik dacht aan mijn zoon die zo had uitgekeken naar zijn kleine bedje, twee weken lang. Daar lag hij nu, in een nieuwe kamer en in een bed waar hij amper in te vinden was, enkel zijn twee tutjes en twee baby’s waren gebleven. Hij had niet geklaagd. Niet naar zijn kleine bedje gevraagd. Ze hadden goed geslapen. 

Hij roept me. Vanuit zijn grote, nieuwe bed. We zijn al beneden, zij aan het ontbijten maar hij wou nog even blijven liggen. Ik ga kijken. en tut in zijn mond en eentje naast hem op ooghoogte, in elke hand een baby. Beentjes opgetrokken en zijn neusje begraven in zijn kussen. Tevreden. Hij ziet er tevreden uit. Hij kijkt op en zegt: “Mama, ik ruik naar gebakken suiker.” Ik frons, gebakken suiker? “Ja, zoals op een pannepoek. Ruik eens?” Ik ga bij hem liggen, want dat kan nu, met mijn neus in zijn nekje en ruik het ook. Gebakken suiker. En tevredenheid.

Zo’n ochtend en toewee tepels

Het is zo’n ochtend.

Het zoontje was wakker tussen 1u30 en 3u30, raakte maar niet terug in slaap. De man had niets gemerkt. Zijn gesnurk overstemde wellicht alle andere geluiden. Dus ík zo’n 5x naar het zoontje. Had uiteindelijk, bloot op de koude vloer, voor hem gezongen. Van ‘Baby mine’, dat is ons troostlied. Ik hield zijn hand vast door de spijlen van zijn bedje. Hij wou niet lossen. De gelijkenis met de scène uit Dumbo was treffend. Alleen het koortje en de absurd hoge vioolbegeleiding ontbrak. 

Het ontbijt verloopt moeizaam. 5 minuten voor we naar school moeten vertrekken, hoor ik de dochter iets zeggen over haar geheime zakje. En dat ik het nooit maar dan ook nooit van mijn leven zal vinden. Dat ze de beste verstopplaats ter wereld heeft gevonden. Ik registreer het niet echt want het zoontje is nog helemaal bloot. Zit vol bewondering zijn tepels te bekijken. Hij is toch zo trots op die tepels, toont ze graag aan de mensen bij wijze van kennismaking. “Kijk, ik heb tepels, toewee tepels!” 

Op school huilt hij bij het afscheid. Klemt zich aan me vast, wil bij mij blijven, zegt dat hij zo moe is en thuis verder wil slapen. Mijn hart zakt tot achter mijn navel. Ik houd mijn tranen tegen. Dat ik het begrijp. Dat ik dat ook zou willen. Dat het nu niet kan want dat ik moet werken. En laat hem luid huilend achter in de armen van de juf. 

Bezwaard fiets ik naar mijn werk. Het is eigenlijk mijn vrije dag. Maar er is een deadline en het kan enkel vandaag. Ik ben daar ambetant over. Een vrije dag is een vrije dag eigenlijk hé. Als dat afgehandeld is en ik terug huiswaarts fiets voel ik me zo triest. Denk aan de dochter die 5,5 jaar is en bijna naar het eerste leerjaar gaat. Die aan de juf vertelde hoe spannend ze het vindt, dat ze dat niet zal durven, niet zal kunnen, dat eerste leerjaar. En toen de juf vroeg of ze niet graag nieuwe dingen leert: “Neen, ik wil eigenlijk liever thuis met mijn broertje spelen.” Zo staat het in het boekje. Ze zal leren lezen, schrijven, rekenen en zwemmen. Veel druk. Veel verwachtingen. Ze vindt dat moeilijk. Ik vind dat moeilijk. Ik oefen het vertrouwen dat het goed komt. Zodat ze dat vertrouwen voelt en het 2 maanden kan groeien. 

Een man in een geparkeerde auto gooit ineens zijn deur open. Ik slaak een kreet. Ik kan nog net op tijd uitwijken. De man roept mij kwaad na dat hij bijna een hartinfarct deed. DAT HÍJ BIJNA EEN HARTINFARCT DEED? Verbouwereerd fiets ik verder. Bedenk daarna pas wat ik terug had kunnen zeggen. Mij uitvoerig excuseren. Vragen of het wel ging en of ik misschien even met hem langs het spoed moest rijden. Dat het allemaal mijn fout was, natuurlijk, zomaar op het fietspad rijden met een fiets. Wat dacht ik toch. Fietsen in Antwerpen. Dat is toch puur automobilisten pesten. Ik houd nog wat tranen tegen, die van daarnet. Het is zo’n ochtend en ik voel me zo moe. Zwaar. Triest. 

Thuis zie ik haar knuffel op de keukentafel. Met een onderbroek van het broertje en zijn kop in een kommetje. Ze deed dat vanmorgen. Heeft er waarschijnlijk iets over gezegd. Maar ik luisterde niet want rende haar blote broertje achterna. Hij wou blote tepels voor op school. 

Ik zie nog iets anders. Een schuine bloempot. Half van de turnmat aan het glijden. Er zit iets tussen de mat. En ik herinner ik me haar woorden. Over de beste verstopplaats ter wereld. Ze was zo zeker. Ik veeg wat tranen van mijn wangen want het is zo’n ochtend. Straks haal ik hen van school. Hij zal moe en hangerig zijn, zij misschien weer schreeuwen en stampen. Maar ik toch een beetje lichter. Dat denk ik wel. 

Nachtboek

verslag van de zwoele, zweterige nacht van 17 op 18 juni 2021

1:00  Ik lig nog wakker. Het is warm, het dakraam staat open, mijn gedachten malen en ik zit met een irritant liedje van Bart Peeters in mijn hoofd.

3:45 Ik ben blijkbaar in slaap gevallen want word wakker van een lichtflits gevolgd door een luide donderslag. Even later stromen de liters met veel kabaal uit de lucht. De man slaapt en snurkt zacht. Ik hoor boven het geraas van de regenstorm enkele merels fluiten. Ik probeer dat te begrijpen. Vooreerst is het nog midden in de nacht. Waar zijn hun merelouders om hen daarop te wijzen? Dat ze nog even moeten slapen want dat ze morgen anders de hele dag slechtgezind gaan zijn. Maar ook, waarom? Hoe gaat dat dan? Een tweetal merels, wakker geschrokken door de donder, zitten op een tak zo dicht mogelijk bij de boomstam zodat ze niet al te nat worden. Kopje wat ingetrokken. Zegt de ene merel tegen de andere: “Zedd’ oek wakker Juul?” “Ja Merel, en ik zen een bitsje bang aigelijk faitelijk.” “Awel, ik zen ook nie ielemoal oep moan gemák.” “k ‘em een idee! Kende da lieke van Saamsong en Gert?” “Dad’ien van samen oep de motto bedoelde?” “Nieje, zotteke, van as ge bààng èt in den doenkere moete floate” “Ahja? Serieus? Da’s oek ‘t ieste da’k er van oer. Awel, dan goan we dadis doeng zeiker? Mor god’ ongs moeder der nie ambetaant van worre?” “Nieje, die eed’eur oordoppen in en z’eed een sloppilleke gepakt omdadet zoe warrem is.” “Allé, ‘t is goe. Beginde gaai, ‘k zallekik wel invalle.” En zo geschiedde. 

4:00 Twee warme handjes op mijn buik plots en ik verschiet mij een ongeluk. Ze zal ‘s ochtends grinnikend vertellen dat ik wel een kilometer omhoog vloog. Ze kruipt bij mij, krult haar blote, plakkerige lijfje tegen het mijne. Dat ze een beetje bang is van dat lawaai. Ik stel haar gerust dat het maar regen is. Heel veel regen. Vraag haar of ze de vogels ook kan horen. Ik deel mijn theorie over Juul en Merel. We giechelen en knuffelen wat. Hoe heerlijk dit ook is, ik weet dat zolang zij hier bij mij ligt, ik geen oog dicht ga doen en ik moet morgen een beetje fris zijn op het werk. Dus ik breng haar terug naar haar kamer en laat haar achter met haar koalabeer Koewala (die we eerst hebben gerustgesteld dat het geluid enkel regen is) in haar armen geklemd. 

4:20 Juul en Merel zijn stil, waarschijnlijk heeft er eindelijk iemand van de merelgemeenschap zijn verantwoordelijkheid genomen en ingegrepen. Ik denk aan mijn dochtertje alleen in haar bed en voel me een beetje schuldig. Herinner me hoe vreselijk ik het zelf vond als kind om alleen en bang in bed te liggen. 

4:23 Het zoontje roept plots luid dat hij melk wil drinken. En als er na enkele seconden nog geen reactie komt, nog wat luider zodat zijn zus het zéker ook zou horen: “IIIIK WIIIIL MELLEK DRIIINKEN!!” Dus moeder regelt melk. 

4:37.    ‘Je merkt het aan de mussen, dat de lente lonkt’
Ik zucht en beeld me Bart Peeters aan het spit in. Het nummer was eerst best leuk, tot mijn man het iets te vaak draaide en het in mijn hoofd verzeilde. Da’s altijd problematisch want dat is daar zo’n labyrint dat zo’n liedje zeer moeilijk de weg naar buiten weer vindt. Zelfs het fantastische ‘All delighted people” van Sufjan Stevens heb ik eens vervloekt toen het me voor de zoveelste nacht op een rij gezelschap hield. 

4:40 Ik voel me net wegglijden als de haan enkele tuinen verder enthousiast begint te kraaien. Er is gelukkig nog wat plaats op het spit bij Bart Peeters. 

4:50 Op de nok van het dak begint een duif vol overgave te koeren. Het klinkt alsof ze naast me op bed zit en echt waar, hoe enthousiast kan je zijn over je eigen irritante gekoer? Ik laat Bart Peeters en de haan voor wat ze zijn en mijn fantasieën verplaatsen zich nu naar manieren om die duif het zwijgen op te leggen.

5:10 Ze roept: PAPAAAAA! En ik wil haar wens uiteraard respecteren en dus schud ik de man wakker. Even later komt hij zuchtend terug naast me liggen. Ze wou al opstaan.

5:25 De krant wordt rondgebracht in onze straat. Met een brommer die komt aangesnord, stopt bij een huis, weer optrekt, weer stopt, optrekt, stopt, optrekt, stopt, optrHOEVEEL MENSEN IN DEZE STRAAT LEZEN ER HIER VERDORIE NOG DE KRANT?! 

5:50 Ze roept nog eens en mijn sympathieke echtgenoot hijst zich alweer uit zijn bed.

6:15 Ze roepen nu allebei. Hij overtuigt hen dat het nog te vroeg is en dat ze nog wat moeten slapen. 

6:35 Alweer in koor. De man en ik kijken elkaar aan. “Weg ermee.” zeg ik. “Ja, we doen ze weg”, mompelt hij. We roepen dat ze haar broer uit zijn bed mag helpen en dat ze alvast naar beneden mogen gaan. We horen haar zijn kamer binnen gaan, hem liefdevol toespreken, of hij lekker geslapen heeft en of ze zijn slaapzakje moet uitdoen? Daarna stommelen ze samen de trap af. We zijn toch weer een beetje vertederd ook al willen we niet. ’t Is sterker dan onszelf. 

6:45 Ik haal de krant uit de brievenbus.

op weg naar huis van een veel te drukke Colruyt met volgeladen fiets en hoofd

dag jonge vrouw
met je broek net iets te kort
je zwarte legerschoenen en roze haren 
je vel is bleek en je ogen donker
maar jij licht
want je danst een beetje 
en de hielen van je schoenen 
tikken ritmisch op de grond
en ik vind dat mooi

dag knappe man op de fiets
ik kijk iets te lang dus je glimlacht tevreden
je mondhoeken krullen zelfzeker omhoog
je neusvleugels iets wijder 
en je wenkbrauwen schuin
je hele gezicht zegt:
“ja, kijk maar, ik ben echt heel mooi hé?”
en ik moet hardop lachen
want ’t is echt waar
maar dan nog

dag kleine meisje
achterop bij je mama op de fiets
ze draagt een rugzak en buigt naar voren
zo ver als ze kan
maar je kijkt me aan
zo van:
allemaal goed en wel maar
ik zit hier toch maar met een rugzak op schoot

dag slapende man
op die harde bank
je gezwollen gezicht in de ochtendzon
bloed op je wang en je lijkt nog zo jong
hoe vredig lig je daar
en ondanks de zware nacht
het harde leven dat jij kreeg
deed je toch je schoenen uit
zette die netjes naast elkaar
bij het bankje op de grond
want slapen doe je niet met schoenen aan

dag kindjes op jullie hurken
aan het einde van dat straatje
naast dat bloeiende struikje daar
druk in de weer met mijn kookpot
krijtjes pletten, blaadjes plukken en wroeten in de aarde
zeulen met een veel te grote gieter
roeren met stokken in een papje

dag jongetje
je ziet me en rent nu op me af
zo snel als je korte beentjes je kunnen dragen
dag meisje
je springt op en neer
jullie roepen:
mama, mama, mama!
steeds luider
alsof ik terugkom van een lange wereldreis
en ik heb me nog nooit ergens 
zo welkom en geliefd gevoeld

dag lieve vuile modderkindjes
in mijn armen nu
wat was het druk in de Colruyt
wat zijn er veel mensen en verhalen

en wat ben ik blij om nu hier bij jullie
met jullie zwarte nagels, snottebellen,
luide stemmen en zachte wangen
thuis te komen

voor de blonde vrouw en de melkboerin

Ik rijd door de stad naar mijn werk. Ik zie mensen naar me kijken en vraag me af wat ze zien. Wat ze denken.

Misschien kijken ze naar mijn fiets, die is nogal opvallend en niet helemaal mijn smaak, maar dat kon me niet zoveel schelen toen ik hem kocht. Ik moest toen gewoon een fiets hebben. Ik was hoogzwanger van kind 2 en was enkele dagen daarvoor naar een feestje gegaan. Toen ik ‘s nachts terug naar huis wilde vertrekken, bleek dat iemand mijn goeie, snelle, trekkingfiets had gestolen. Ik was furieus. Ik moest te voet naar huis wandggelen, gelukkig was het niet al te ver. Ik voelde me persoonlijk beledigd. Iemand had een fiets gestolen van een hoogzwangere vrouw! Wie doet nu zoiets? Het lef! Krapul was het! Klwotzak, dwoazn ul, ziekn ond, …! (als ik boos ben speelt mijn West-Vlaams een beetje op en ja, ik ging er blijkbaar vanuit dat het een man was) 

Toen mijn man me er de volgende dag op wees dat de dader niets wist van mijn toestand (en dat hem ook geen hol kon schelen – maar dat gedeelte negeerde ik), beeldde ik me zijn schuldgevoel in als iemand hem daarmee zou confronteren. Hij zou mij dan voor zich zien, zuchtend en steunend op die ellendige brug in het holst van de nacht, met tranen in mijn ogen, het geloof in de mensheid kwijt. Hij zou, geteisterd door schuld, mijn fiets terugbrengen. Me een voetmassage geven. En tijdens het masseren luid huilend (met een beetje snot) opbiechten wat hij nog allemaal gestolen had en vertellen dat hij vanaf nu zijn leven zou beteren. Terloops nog opmerken dat ik, zelfs hoogzwanger, een bloedmooie vrouw was en me wat koelte toewuiven. Ik zou bijna compassie krijgen.

Nu mijn verontwaardiging was omgevormd naar een bizarre vorm van medelijden kon ik op zoek naar een nieuwe fiets. En graag voor de baby er was. Het moest zo’n mamafiets worden. Met ruimte voor een zitje vooraan en achteraan. We vonden iets tweedehands. Met roze velgen, “Lief!” er op geprint, roze bloemetjes overal, een grote bel met nóg bloemetjes en een mandje vooraan. Zo’n fiets voor een blonde, creatieve, Nederlandse vrouw met gebloemde jurk, tonnen energie en een stralende lach, wiens huis smaakvol ingericht en altijd netjes opgeruimd is. Met rood gelakte teennagels. Ik ben ook een vrouw en daar houdt de vergelijking op. 

Maar het was een goed merk, de fiets zo goed als nieuw en de prijs zeer schappelijk. Dus we kochten hem en nu rijd ik daar dus al meer dan 3 jaar mee rond in de stad. Ik zie mensen naar mij kijken en wil soms verdedigend roepen: “‘t was tweedehands, en echt een hele goeie, en ik had zoiets nodig en verder is het echt niet mijn smaak!” En soms glimlach ik breed en kijk met zo’n blik alsof ik blond en Nederlandse ben en mijn hoofd bruist van de creativiteit. 

Of misschien kijken ze naar mijn lange kleed. Ik vind het zelf erg mooi en ben blij dat het tot op mijn enkels komt. Ik las gisteren hoe een vrouw meteen lastig gevallen werd toen ze met wat meer bloot op straat kwam en de mensheid dat blijkbaar niet goed aankon. Dat is vast om onnozel van te worden, maar ik kan daar zelf niet echt van meespreken. En ik vind dat niet gek. Ik vind mezelf niet per se mooier worden naarmate ik minder kleren draag. Mijn bovenarmen zijn niet bepaald rank te noemen. En mijn blote benen passen het best in modderige laarzen op een erf ergens, met gebloemde rok (weeral die bloemen) en een emmer verse melk in de hand. (Maar ik weet het. Dit is mijn lijf. Dit is wat ik heb en ik moet er nog een hele tijd mee rondlopen. Ik kan het maar beter aanvaarden en graag zien. Mijn man geloven die me zeer overtuigd wél mooier vindt naarmate ik minder kleren draag bijvoorbeeld.) 

Ik heb mijn gezicht altijd mijn beste troef gevonden. En dat moet ik nu al meer dan een jaar voor de helft bedekken. Maar als ik voor de klas sta, zet ik mijn mondmasker soms even af om bijvoorbeeld nieuwe woordenschat aan te leren. Ik beeld me dan in dat ik verbazing en bewondering in de ogen van mijn cursisten zie. Dat ze denken: “waauw, haar gezicht is echt haar beste troef!” Maar ik weet dat ze vooral schrikken. Want dat doe ik ook als een cursist even zijn/haar mondmasker afzet om iets te eten of te drinken. Niet omdat wat achter dat mondmasker zit niet mooi is. Nee, maar het is nooit wat ik had verwacht te zien. Mijn hersenen hebben blijkbaar het gezicht aangevuld op basis van wat wel zichtbaar is, onbewust, en dat strookt nooit met de werkelijkheid. Dus eerst schrik ik, alsof er in een vingerknip iemand anders op die stoel zit. En als ik dan wat langer kijk en het volledige gezicht in me opneem, vind ik het altijd ontroerend mooi. Zo echt, zo lief en kwetsbaar. Misschien is dat wel het effect op iedereen als die mondmaskers eindelijk af mogen. Dat we mekaar met vernieuwde, verwonderde blik zullen bekijken. Ontroerd omdat we er zo kwetsbaar uitzien. Iedereen op straat met tranen in de ogen.

Genietend van die gedachte passeer ik nog even langs de tweedehandswinkel. Koop een mooie rok met fel oranje bloemen voor maar 3 euro. Kwestie van mijn alter ego’s, de blonde vrouw en de melkboerin, tevreden te houden. Een rok tot op mijn knieën deze keer, omdat mijn witte, stevige kuiten ook recht hebben op wat zonlicht. En de mensheid recht op een eerlijke representatie van (vrouwen)benen op straat, in alle maten, kleuren en vormen.

het zou straks weer gaan regenen

na een nacht vol buien
fietsten we in de vroege ochtend door het park
één kind bij mij, het andere fietste zelf
ze taterden om het hardst

ik keek naar al dat groen
dat nog moe en loom
zwaar van al die liters
lag te bekomen

en bij de eerste zonnestralen
richtte het zich op: fris en hoopvol
damp steeg op uit de grond
en wij middenin die pracht
haalden diep adem en vielen stil

hij had de dochter over atomen verteld
dat alles daaruit bestaat
ze dacht daar nu al dágen over na

we zagen prille zwanenkuikens,
een veulen, een reiger en een specht
we lachten om de meerkoet
hoe die in het water dook
allemaal atomen, vroeg ze?
allemaal atomen, echt

en toen ik zei:
snuif eens diep, kijk eens om je heen
zie hoe wonderlijk die boom
zweeg zij eerst en juichte toen
ze wist wat niet uit atomen bestond:
haar schaduw en haar droom

nu dit was opgelost wat haar betrof
ze weer magie gevonden had 
vervolgden wij – alledrie tevreden nu –
onze weg door het Rivierenhof

ik zag haar alweer fronsen
hoorde het ongeduldige drummen van
nieuwe twijfels en vragen op een kier
het zou straks weer gaan regenen
maar nu scheen de zon
en wij waren hier

Zoveel kleur

Ik zit op het toilet met het boek “Jij en ik en alle andere kinderen”. Ik kreeg het daarnet in bed. Ze zongen, zij had een tekening en hij bracht koffie en dat boek dus. Van Bart Moeyaert. Zogezegd voor kinderen maar zowel het kind als de vrouw in mij vinden het prachtig. Ik glimlach om de laatste zin van een gedicht. Ineens gaat de deur van de badkamer open. Een poesje en haar baasje komen binnen. Het baasje zegt dat ik in hun kasteel zit en de bewaker ben. Een bewaker met de broek op de enkels en een boek op schoot. Ik leg het boek opzij en spoel door. De poes miauwt.

Even later sta ik onder de douche van het kasteel. De poes zit op handen en knieën op een krukje naast de douche. Het baasje zeult met bekertjes en een theepot en ze drinken thee en chocomelk. De poes zegt bewaker, bewaker, bewaker, bewaker, bewaker! En dan herinner ik me dat ik dat ben. Of ik ook chocomelk wil?

Ik scheer mijn benen. Het baasje en de poes komen kijken. Zijn nieuwsgierig en bezorgd. Of dat geen pijn doet? Of het echt geen pijn doet? De poes zal op een dag vragen waarom ik dat doe. En papa niet. En of zij dat later ook moet doen. Ik denk na over wat ik dan zal antwoorden. Ja, dat is belachelijk. Onnozel. Stom. Nee, jij moet dat niet doen want je lijf is je lijf en prachtig zoals het is. Nooit moet je het veranderen. Gewoon graag zien. Dat zal ik dan zeggen terwijl ik doorga met scheren en epileren en doen alsof het geen moeite is. Ik luisterde enkele dagen terug met tranen in de ogen naar de eerste 2 afleveringen van ‘Lijf’, een podcast van Radio 1. Ik weet dat ik mijn lijf vooral tolereer in plaats van het graag te zien. Dat ik dat nooit echt geleerd heb en ik het haar wél wil leren. Maar hoe dan.

Het baasje huilt plots want zijn vinger zat onder het deksel van de theepot. De poes wil hem troosten maar hij wil alleen de bewaker. Rent bijna met kleren aan de douche in. De man komt en stuurt hen de badkamer uit. Kleertjes aan, tandjes poetsen, we gaan zo naar oma en opa. Gejuich.

‘s Avonds bekijk ik haar tekening nog eens. Een groot hart. Met heel veel kleur. Een klein hartje ernaast. Wie haar niet kent denkt misschien: haastig ingekleurd, wat buiten de lijntjes, veel moeite heeft ze niet gedaan. Maar ik ken mijn ongedurige kind. Weet dat ze normaal tekent alsof de eerste lijn haar al verveelt. Tekent haastig van zich af. Kleurt niet in. Geen details. Wil er klaar mee zijn. Vaak verscheurt ze ze nadien ook. Teleurgesteld dat het dat maar is. Schreeuwend dat ze haar tekening haat.

En nu dit hart. Al die vakjes. Ze heeft de ene na de andere stift uitgezocht. Lijntjes getrokken. Wellicht tijdens het inkleuren spijt dat ze het hart zo groot getekend had. Maar doorgezet. Het grote hart dat barst van de kleuren en in haar kielzog dat kleine hartje. Ik moet haar morgen vertellen dat ik het gezien heb. Dat ze liefde tekende. Onuitputtelijke, kleurrijke, onvoorwaardelijke liefde. Dat zij, mijn eerste, ter wereld kwam en samen met het vruchtwater die overrompelende stroom van liefde en kleur ons leven in gutste. Ik ga morgenochtend bij haar in bed liggen. Haar haren strelen. Haar gezicht koesteren. Zeggen dat ik het allemaal gezien heb.

Herinnering

hoe we daar zaten op de stoeprand
knieën omhoog
het rook naar vers gras en warm geluk
het was in jouw stad
waar die oude eik stond
ik had
je gepord en jij riep uitgelaten
dat je mijn gezicht zó mooi vond

de zon die ons naar elkaar toe scheen
het danste in mij
onze hoofden dicht bijeen
en ik kon maar niet geloven
dat jouw hand daar net
en we ‘s avonds bij elkaar in bed

dat je zo veilig en lief was
zorgeloosheid morste
en mij laagje na laagje
bloot pelde

wij zouden nu groeien
misschien wel blijven

we zijn er nog
en na een lange winter schijnt de zon
hier en ook verderop een kind
ik ruik vers gras en jij zucht:
dat je mijn gezicht toch zó mooi vindt

mussen kwetteren en wij doen
alsof de zorgeloosheid nog in voorraad
en soms is dat genoeg

want de winter was lang
en wij zijn er nog

voal vetzakske

Er zijn zo van die dagen waarop de raarste dingen je ontroeren. 

Er speelden vanmorgen reeds hevige emoties.

Een kleine greep:
– De dochter huilde eerst heel dramatisch omdat de man haar wéér had wakker gemaakt, en gisteren ook al, terwijl ze nog zó moe was.
– Er was het gebruikelijke geruzie over (ik zever niet) NAAR WIE DE OPEN KANT VAN DE ZAK GRANOLA GERICHT LAG. Elke ochtend opnieuw. We installeerden zelfs een beurtrol, god help ons.
– Het zoontje had uit colère zijn lepeltje tegen mijn voorhoofd geslagen omdat hij melk in een beker vroeg en ik hem melk in een beker gaf.
– Hij werd nog bozer toen hij ontdekte dat ik hem de avond daarvoor stiekem zijn pyjama van Hop Marjanneke* had aangedaan. Hij is “nogal” kritisch wat zijn kleren betreft en die pyjama is eigenlijk een no-go.
– Hij werd licht hysterisch toen ik de granola in de foute richting door zijn yoghurt roerde (denk ik, hij communiceerde niet zo helder).
– De dochter begon te schreeuwen omdat hij te luid huilde en haar oren pijn deden.

Goed, zo’n ochtend dus. Er was ook nog even wat miserie bij de school toen het zoontje ontdekte dat hij een trui droeg met lettertjes EN een embleempje op. DE HORROR. Gelukkig bleek zijn reservetrui wél aan zijn eisen te voldoen en kon een nieuw drama op het nippertje vermeden worden.

Ik moet toegeven dat ik de school met een klein huppelpasje verliet. Een dag voor mezelf en ik ging zwemmen!

Omdat schoolslag mij wat begint te vervelen, heb ik me voorgenomen mezelf borstcrawl te leren. Dat ziet er toch altijd zó mooi uit bij die andere zwemmers! Enkele weken terug ondernam ik mijn eerste pogingen, de basis die ik ooit in de middelbare school leerde indachtig. Het was niet zo’n succes en dat is zacht uitgedrukt. Het werd een gênante vertoning met veel gespartel en gehap naar lucht. Ik kon niet eens één lengte naar behoren zwemmen. Toen ik me nogal dramatisch verslikte met een uitgebreide hoestbui tot gevolg, waren er ineens een heleboel blikken op mij gericht. Ik hoorde mezelf tussen het hoesten door wat onnozel: “‘t is gene corona” zeggen. Zelfs de badmeester kwam even horen of alles wel oké was. Ik wist niet of hij echt bezorgd was of er voornamelijke corona-alarmbellen afgingen in zijn hoofd. Hij bleef nadien ook wat ongemakkelijk lang op zijn hurken zitten wachten terwijl ik aan het bekomen was. Hoewel het me onduidelijk was waarop hij dan wachtte.

Soit, na die mislukking had ik wat filmpjes op youtube gekeken met allerlei tips over ademhaling en armbewegingen. Ik had ze zelfs uitgeprobeerd aan de keukentafel tot grote hilariteit van mijn kinderen. 

Vorige week ging ik dus opnieuw zwemmen. Ik voelde de ogen van de badmeester in mijn rug branden. Misschien om mij op een nieuw hoestje te betrappen en het zwembad uit te kunnen bonjouren. Of omdat hij, van alle zwemmers aanwezig, bij mij de kans op verdrinking het grootst achtte. ‘t Was in ieder geval níet omwille van mijn wulpse lichaam.

Ik besloot – met de youtubetips in het achterhoofd – een nieuwe borstcrawlpoging te ondernemen. Bleek ik tot mijn teleurstelling met al mijn tips zo mogelijk nóg slechter te zwemmen. De badmeester had mijn gesukkel in ‘t snotje en volgde me nauwgezet dus na een paar baantjes gaf ik op. Had ik maar iemand die het mij kon leren!

Vandaag was dezelfde badmeester weer op post. En noem me paranoia, maar hij leek toch weer vooral oog voor mij te hebben. Na mijn verplichte 50 baantjes schoolslag, waagde ik me weer aan mijn miserabele borstcrawl. Na een poosje stond de badmeester recht en kwam op me af. Hij sprak me aan! Begon tips te geven over beenbewegingen, over mijn ademhaling en mijn armen. Hij toonde voor, ik deed hem na. Hij vertelde dat het al veel beter was en somde nieuwe werkpunten op. Ik was een beetje in de war. Kreeg ik nu echt gratis een privé-les? Hij sprak de youtube-filmpjes wat tegen maar opkijkend naar zijn gespierde armen geloofde ik maar al te graag dat hij wist waarover hij sprak. En ik merkte zowaar dat het wat beter ging. Hij kwam nog met een plankje aangelopen en begon een nieuwe oefening uit te leggen, toen ik moest vertrekken. Hij leek teleurgesteld. 

Nu ik zijn gedrag kon verklaren, vond ik hem uiterst sympathiek. Hij was een geoefend zwemmer, misschien zelfs een zwemleraar, die voortdurend naar mijn geploeter moest kijken, zich al weken zat te bedenken wat ik allemaal fout deed en zich vandaag niet meer had kunnen bedwingen.

Tevreden fietste ik terug naar huis. Een man riep “voal vetzakske!” naar een raam en het ontroerde me dat hij voor een partijtje uitschelden een gebloemd mondmasker had opgezet. 

Thuisgekomen boekte ik een nieuwe afspraak: same time, same place and howpelijk same bathmeester voor mijn tweede privé-les borstcrawl!

*Jip&Janneke

de jongen in de woestijn

Ik had een heerlijke ochtend met de kinderen in het park. 

We hadden het perfecte plekje gevonden, ik zat op een boomstam in de zon en zij klommen en plukten en wroetten en zongen. Kwamen af en toe iets tonen of vertellen of even knuffelen en ik dacht dat dit moment eeuwig mocht blijven duren.

En toen nam ik mijn gsm erbij. Of ook: wat je NIET moet doen als je wil dat een moment eeuwig blijft duren. Ik las het nieuws over de jongen van 10 jaar die 4 uur alleen had rondgezworven in de Texaanse woestijn. Het contrast met mijn idyllische momentje in het park kon niet groter zijn. Die gedachte brak mijn hart in 1000 stukjes. Zijn ondraaglijke situatie bleef me de hele dag achtervolgen dus ik schreef dit gedicht voor hem.