welkom in de lente

Welkom in de lente, zegt de yogaleraar. Een vrouw zit al op haar matje, de voor- en achterkant blijft opgekruld. Er is net genoeg plek voor haar, pal in het midden. Het deert haar niet. Het is een prachtig zicht: de mat fel roze, zij, een rijzige, blonde vrouw, de ogen gesloten, sereen. Ze ziet eruit alsof ze elk moment zal opstijgen op haar vliegend tapijt. 

Even later staan we allemaal te springen. Hier in die sporthal, verlicht door 16 TL-lampen (ik heb ze geteld toen ik in het hier en nu moest zijn), staan opeens 23 volwassen lichamen te springen. Zo gaat het elke week en het is mijn lievelingsmoment. De oude, lange man met knokige beenderen, de vrouw van de roze mat die toch niet opgestegen is, de man met de norse blik en rode muts, de twee vriendinnen, het oudere koppel, de vrouw met de mooie, grijze krullen, de jonge, schuchtere man steeds volledig in het zwart gekleed, de dame die straks bij elke asana luid zal zuchten en kreunen, al die lichamen stuiteren nu in het rond. Haren vliegen alle kanten op, grote, stevige of slappe, rimpelige borsten veren op en neer, armen slingeren langs schokkende lichamen, navels dansen in de losse huid van trillende buiken, voetzolen landen en schieten weer de lucht in. Het heeft iets aandoenlijks, iets ontroerends en iets diep verbindends. Opeens zie ik het, al die mensen die al springend steeds meer loskomen van hun twijfels, pijn, hun volhouden, verdriet, succes, hun woeste verlangens, vreugde, falen, hun gemis, hoop, hunkeren, hun verlies, spijt, vertrouwen, rust, hun groei, wanhoop, onstuimigheid, machteloosheid, hun eenzaamheid, zoeken, hun intense tevredenheid ook, steeds wilder, steeds kinderlijker, op dat matje, onder dat TL-licht. Ik wil naar hen toe stuiteren, roepen, oh jij ook? Ik ook! En hen dan al springend omhelzen. Ik wil samen de sporthal uit rennen. Ik wil met hen zwemmen in een ijskoud meertje. Ik wil in hun armen huilen en samen de slappe lach hebben. Ik wil onder een deken naar de sterren staren. Ik wil pizza’s beleggen en met veel te volle magen op de trampoline. Ik wil een berg afrennen. Heel hoog schommelen en dan springen. Ik wil met onze fietsen door de wijk racen. Ik wil kikkervisjes vangen. Ik wil met hen languit in het gras liggen en dan alleen maar onze ademhaling horen vertragen en die bedwelmende geur van gras ruiken. Ik wil dat kind zijn dat lag te slapen ergens in de buurt van mijn hart en wakker werd door het springen. Ze telt af naar een eindeloze zomer. 

Maar het is pas lente, we houden op met springen en een 37-jarige vrouw met twee dikke, verticale rimpels tussen haar wenkbrauwen als ze fronst, bij haar ogen fijne lijntjes als ze lacht en grijze haren die stevig in opmars zijn, landt weer in mijn lichaam, voorzichtig, ze wil me niet bruuskeren. En met haar, landen ook de twijfels, het falen, de verlangens, het gemis, de groei en hoop, het zoeken. Ze nestelen zich in alle hoekjes van mijn lijf en ik vind het niet erg, plaats genoeg. Het kind en de geur van gras leg ik weer te slapen. Voel nog even na, zegt de yogaleraar. En dat doe ik, een laatste blik op het alweer indommelende kind. De blonde vrouw knipoogt vanop haar vliegend tapijt en ik meen wat sprietjes gras in haar haren te zien.

en waar is mijn boekentas

ik zeg een appel of een banaan, 
je moet nu beslissen, we zijn al laat
de kat zit in de bloempot
ik schrijf iemand: ik ben een rommeltje
mijn lege tas koffie in de zetel
weet zich geen houding 
beduusd tegen een kussen geleund
triest en wat verloren 
ik laat hem de hele ochtend staan
toen ik afrekende zei hij zesenveertig euro en 
of het lekker was en dat het plezant had geleken
ik vind jou leuk mama zegt hij 
nadat ik zuchtend heb gevraagd of er iemand zou bestaan
die nóg trager zijn kousen aantrekt
we komen te laat en ik jou ook
hij ruikt naar modder

ik vroeg gisteren 
kan ik iets doen
ik wreef zacht over zijn rug
ik kon niets doen
een appel zeggen ze
we willen een appel
ze zei
je mag verscheurd zijn
en toen nog eens
je mag verscheurd zijn
en hij dat hij een eekhoorntje had gezien
dat het vast heel zacht was
de koffie is opgedroogd aan de rand 
ik zet de tas in de pompbak
die opgelucht weer een tas mag zijn 
in plaats van één of andere belachelijke metafoor 
ik vraag
hoe leg je zoiets uit
als je het zelf niet snapt
en dat ik vreselijk droomde
iemand schrijft
geef je angsten maar een knuffel

onder de douche zeg ik
– ik ben gevoelig, zacht en mooi
– ik maak fouten, ik stel teleur, ik ben mens
– vandaag is rood de kleur van jouw lippen
ik zit er al de hele week mee in mijn hoofd
hij huilde want hij was buiten op blote voeten
en de voordeur viel dicht
ze schaamde zich
ze had gezegd:
oh ja díe pop
die stomme pop
ik wist niet dat ik die nog had
en nu wiegde ze hem en zei dat het haar zo speet
ik schrijf
IK KAN NIET DOSEREN
de poes staart naar de vogels
miauwt zacht
en ik denk wat is missen
wat is hunkeren of koesteren
en wat vinden de staartmezen daarvan

in de duinen
rende ik af en toe omhoog
ik kon plots niet verdragen
niet te weten hoe mooi het daarachter
of ik weer zou huilen
het was telkens nog mooier en ik lachte dan hardop
(en niemand hoorde het)
(niemand)
(en dat was het beste gevoel)
ik schrijf dat ik harder mijn best ga doen
en het spijt me dat het zo onveilig voelt
het spijt me zo
ik heb de fluostift klaar gelegd voor vanavond want dat schept duidelijkheid
nee doe toch maar een banaan zegt ze
en waar is mijn boekentas

helemaal niets

Vanmorgen ben ik met de dochter en wat kussens en boeken achter in de tuin gaan liggen. Dat de dochter op eigen initiatief wil lezen, is uitzonderlijk, dus ik genoot van dit momentje samen met haar. Gisteren lag ze bovenop de kast met haar koptelefoon op, zachtjes meezingend met Pommelien Thijs. Een zeldzaam moment waarbij ze even op zichzelf was. Verder kan ze heel moeilijk alleen en bij zichzelf zijn. Het liefst van al staat ze constant in contact met anderen. In de klas is dat in voortdurende interactie met de klasgenoten, ook als er eigenlijk geconcentreerd en individueel gewerkt moet worden. Thuis wil ze altijd bij één van ons zijn, het liefst ook fysiek op een schoot of tegen ons aan. Dat is veilig, dan is ze gerust. Al als baby wilde ze voortdurend gedragen, gewiegd en gerustgesteld worden. Even ergens neer liggen was gelijk aan gevaar en maakte haar angstig en hysterisch. Maar muziek mag nu wel af en toe haar gezelschap zijn. Het helpt haar om even te focussen, zich af te sluiten van alle prikkels die ze zo graag allemaal en het liefst tegelijkertijd in zich opneemt, maar waar ze ook ontzettend onrustig van wordt. Boeken hebben dat effect nog niet, ze zijn nog een verplicht nummertje wat mijn lezershart pijn doet, maar ik kan niet anders dan geloven dat ze het genot van het lezen nog wel zal ontdekken. Ik probeer in ieder geval zelf wat vaker verzonken in een boek in beeld te komen, in plaats van eeuwig scrollend op dat vervloekte schermpje. We blijven ook elke avond voorlezen, want dát vindt ze wel heerlijk en aan boeken als ‘De gebroeders Leeuwenhart’ of ‘Ronja Roversdochter’ beleven wij minstens evenveel plezier. 

Waar het zoontje was wist ik niet eens. Die kan dan weer ontzettend goed alleen met zichzelf zijn. Dwaalt verstrooid het huis en de tuin rond, zacht zingend, pratend of druk gebarend. Komt achterwaarts de trap af, trekt verwoed aan een imaginair touw, heeft plots oorwarmers op of verzamelt schatten die hij dan in zijn nachtkastje legt. Die schatten zijn onder andere een selectie van de mooiste servetten die hij her en der wist te verzamelen, 3 paar van zijn lievelingskousen (voor alle zekerheid want moeder is compleet onbetrouwbaar wat het wassen van zijn kousen betreft), tampons in 3 verschillende kleuren, een bouillonblokje (want het papiertje is van goud en het blokje lijkt op chocolade), een enorme stapel papieren zakdoekjes, een uitgebloeide korenbloem, een tandenborstel en twee paperclips. 

Nu rende hij ons gehaast voorbij, merkte niet eens op dat we daar lagen te lezen. Het gras prikte tussen onze tenen en de bijtjes vlogen luid zoemend over op weg naar de phacelia, de goudsbloemen en reukerwten die naast ons uitbundig bloeiden en geurden. Ik lees het prachtige ‘Moderne natuur’ van Derek Jarman. Ik had wat moeite met afscheid nemen van ‘Onder een andere hemel’ van Joke Hermsen, een boek dat vanalles in me heeft losgemaakt, maar afscheid nemen is dan ook niet mijn sterkste kant. Het boek leerde me een verlangen naar het onbekende, dat al zolang in mij huist, te herkennen en erkennen. Het woord vertepijn, of nog beter ‘fernweh’, ontroert en omarmt me. Het is een gevoel dat me zo eigen is en me ergens ook in een soort eenzaamheid hulde al die tijd. Maar nu bestaat er een woord voor en dus ben ik niet alleen, er zijn nog zielen die rondlopen met die rusteloosheid, dat hunkeren, die mix van spijt en verlangen. Die fernweh, het altijd blijven zoeken naar (en nooit echt vinden van) een ‘heimfallen’, verbíndt mij dus net met anderen. Nu het een naam gekregen heeft, voel ik het opeens ook zoveel sterker. Het zit in mijn vingers, mijn hart voelt zwaarder, tranen wellen voortdurend op en tegelijk voelt het zo zacht. Ik voel hoeveel schoonheid er in dat gevoel zit, hoeveel schoonheid er voort kan vloeien uit dat verlangen. Er hangt een zachte wolk van weemoed om me heen. Iets doet pijn, maar het is zachte en soms zelfs gelukzalige pijn. Er is gemis maar het doet me deugd zo te mogen missen. Ik heb mijn intense gevoelsleven zo vaak vervloekt maar de laatste dagen proef ik vooral de rijkdom van al dat voelen. 

Hermsen schrijft: “Iets ontbreekt, wat ook in het schrijven niet kan worden ingelost. Want zelfs als de taal de woonstee van de mens is, dan herbergt deze schemerige nissen, afgesloten kamers en duistere, onbekende plekken op zolder. Dat huis is bovendien gebouwd boven op de terra incognita van onze vroegste kindertijd, dat altijd vreemd terrein voor ons zal blijven. Maar als we ergens een raam openzetten en ons ‘naar buiten dromen’ en een briesje langs ons gezicht voelen strijken, weten we dat er oneindig veel meer is dan we op dat moment kunnen zeggen. Juist dat ‘meer’ wakkert het verlangen aan om door te schrijven. Nooit kunnen we zeggen dat we voorgoed ergens thuis zijn gekomen en dat er niets meer ontbreekt.” en “Juist in het ‘onbeschikbare’ schuilt de mogelijkheid om geïnspireerd te raken, ervaringen die hij in de kunst, muziek en literatuur, maar ook in de verwondering over de natuur terugvindt.” 

Maar nu lees ik dus ‘Moderne natuur’ van Derek Jarman en het is het afscheid van ‘Onder een andere hemel’ waard want het is weer een schot in de roos. “Wie tuiniert spit in een andere tijd, zonder verleden of toekomst, begin of eind. Het is een tijd die de dag niet opsplitst in spitsuren, lunchpauzes, de laatste bus naar huis. Wanneer je de tuin in loopt, glip je die tijd binnen: het moment waarop je hem betreedt laat zich niet herinneren. Om je heen is het landschap veranderd. Hier bevindt zich het Amen na het gebed.” Het kan niet toepasselijker zijn op alle uren die ik het voorbije half jaar in de tuin heb doorgebracht. Mijn tuin was mijn redding in een hele donkere periode. Ik kon de achterdeur achter me dicht trekken en vluchten, mijn rusteloze handen een doel geven, mijn verwarde hoofd een focus, ik kon creëren, uitkijken, eenvoudige handelingen uitvoeren waar zoveel belofte en hoop in lag. 

En nu ben ik, na een hele dag rommelen in die tuin, te midden van alle weelde gaan zitten. Weelde die ik gecreëerd, gecomponeerd heb in die donkere maanden. Achter me de kleine serre, waar we intussen bijna alle aardbeien hebben opgepeuzeld en de plantjes nu volop uitlopers in het rond schieten op zoek naar nieuwe grond om te wortelen. Waar de joekels van coeur de boeufs maar blijven groeien en steeds meer kerstomaatjes plukrijp zijn. Telkens als ik enkele tomaatjes – de perfecte kleur rood en verleidend glanzend – in mijn handen voel vallen, denk ik: ik moet ze bewaren voor de huisgenoten. Maar nog voor ik de keukendeur open, heb ik ze met veel genot en gezucht naar binnen gespeeld. Mijn moeder zegt altijd dat eten zoveel lekkerder is als iemand anders voor je gekookt heeft. Bij zelfgekweekte tomaten is absoluut het omgekeerde waar. Ze kunnen onmogelijk zo hemels zijn als ik vind dat ze zijn. Als ik diezelfde tomaatjes uit een bakje van de supermarkt zou proeven, zou me nauwelijks opvallen hoe ze geuren en hoe rijk en zoet en sappig ze zijn. Ik zou ze nooit met dezelfde aandacht en focus naar binnen spelen. En ik zou niet langs mijn neus weg aan de jaloerse echtgenoot vertellen hoe lang ze nog nasmaken naar de warmte en de geur en de sfeer van de serre. En als die coeur de boeufs nu eindelijk ophouden met groeien en de juiste kleur gekregen hebben, zal ik ze opensnijden met zoveel genot, hun sappige vlezige binnenkant bewonderen en iedereen zal horen hoe heerlijk ze smaken, zelfs al vallen ze dik tegen.

Links naast me drie grote zonnebloemen die nog net niet bloeien maar al bijna onder hun eigen gewicht bezwijken en daartussen korenbloemen en strobloemen, die laatste in wel vijf verschillende kleuren. Rechts van mij, om het hoekje van de serre (ik zie ze niet maar ruik ze wel) manden met basilicum en munt. Voor me de lavendel die ik vroeg in lente samen met de dochter op verschillende plaatsen aan de rand van het weggetje heb geplant en die nu prachtig bloeit. De bijtjes zoemen heen en weer tussen de lavendel en daarachter de vlinderstruik. Ik had die in maart nog helemaal kort gesnoeid maar de plant staat er nu groots en majestueus bij en bloeit in intens donkerpaars. Niet dat fletse paars van de meeste vlinderstruiken die ik zie aan de kant van de weg. (Je weet wat ze zeggen: eigen vlinderstruik, mooie vlinderstruik) Ik zag er al zoveel soorten bijen, vliegen, hommels en vlinders zich aan tegoed doen.

Wat verder rechts de uitgebloeide slaapbollen, wiens zaadbollen loom wiegen in de wind. Daarvoor de frisse, felle goudsbloemen, het komkommerkruid, de bolderik en de phacelia, bijna volledig uitgebloeid. In het hoekje bij het kippenhok heb ik een andere soort goudsbloem gezaaid, a touch of red, en ik kan niet wachten tot ik de zaadjes kan oogsten zodat ik er volgend jaar een veldje vol van kan zaaien. Ze vallen minder op maar kleuren zoveel zachter, geschakeerder en subtieler dan hun feloranje soortgenoten.

Terwijl de man daarnet naar zonnevlekken keek door zijn telescoop, plukte ik een boeket van korenbloemen, goudsbloemen, reukerwten, cosmos en voegde wat zaaddozen van uitgebloeide juffertje-in-het-groen, slaapbol en klaproos toe want hoe mooi zijn die toch. Daarna verzamelde ik de uitgebloeide klaprozen, bolderik, goudsbloemen, slaapbollen, korenbloemen en cosmos. Terwijl de zaaddozen en het zaad in de keuken liggen te drogen, heb ik alweer zoveel ideeën over hoe en waar ik ze in de lente ga zaaien, welke combinaties mooi zouden zijn en waar ik nog wat bloemenveldjes bij kan creëren. Ik heb mezelf nooit echt creatief gevonden, maar ik blijk wel groene vingers te hebben en kan maar niet geloven dat deze prachtige tuin het resultaat is van wat gepruts en proberen aan mijn kant. 

Het is een moeilijk jaar geweest maar ik zit nu midden in mijn uitbundige tuin, ik hoor een merel zingen en dat ontroert me altijd, de man leest een boek, de dochter hangt tegen hem aan, het zoontje geeft de bloemen water met zijn imaginaire gieter. De eerste zonnebloem, naast de vlinderstruik, bloeit al en dat belooft want ik heb er een tiental her en der verspreid staan in de tuin. 

Jarman schrijft over zijn tuin: ‘Afgezien van dat knagende verleden – film, seks en Londen – ben ik nog nooit zo gelukkig geweest als de afgelopen week.’ Hermsen schrijft: “Nooit kunnen we zeggen dat we voorgoed ergens thuis zijn gekomen en dat er niets meer ontbreekt.” Ik leerde die gedachte – er zal altijd iets ontbreken – de voorbije weken aanvaarden, en net daardoor ontbreekt er af en toe, nu bijvoorbeeld, helemaal niets.

Over ongeduld en wachten

Als kind was het mijn lievelingsmaand want ik ben dan jarig. Blijkbaar was één dag in het middelpunt van de belangstelling mogen staan, genoeg om een hele maand tot lievelingsmaand te kronen. Toen ik ouder werd en jarig zijn wat van zijn magie begon te verliezen, ontdekte ik wat een lastige maand februari is. 

Februari beweegt niet, of toch nauwelijks merkbaar. In februari wacht je. Het is een maand van stilstaan. Je wil niet meer omkijken want de duisternis die achter je ligt, wil je zo snel mogelijk vergeten. Je wil alleen vooruit nu. Meer licht. Meer leven. Meer buiten. Bloemen zaaien in de tuin. Je bent vreselijk ongeduldig. 

Maar dat is buiten februari gerekend. Februari grijpt je bij je kraag als je voorbij rent. Duwt je op een stoel en dwingt je tot wachten. Zitten en wachten. Omdat niet alles snel kan gaan. Als je lente wil, dan moet je eerst door februari. Want soms is er alleen maar tijd nodig. Soms kan je niets doen om het beter te maken behalve wachten. Ook al voelt het alsof er niets verandert, dag na dag. En je wil zo graag verandering. Je wil groei. Je wil hoop. 

Enkele jaren geleden besloot ik februari een titel te geven. Ik doopte het tot ‘maand met het mooiste licht’. Ik vond het fijn dat ik dat zomaar kon besluiten en geloven. Februari, trots op die pas verworven titel, veranderde voor mijn ogen. 

(Later merkte ik dat niet februari maar oktober de maand is met het mooiste licht. Maar oktober heeft geen titel nodig. Oktober is beminnelijk. Oktober beweegt, verandert, koestert en danst. Oktober ademt melancholie en verlangen uit. Het is een maand die de voorbije maanden over zijn schouders heeft gedrapeerd, als een deken en daar dan mee pronkt. Omkijken is nog niet nodig. Het is nog vers genoeg, je voelt en beleeft de voorbije zomer nog terwijl je vooruit gaat. Pas in november kijk je om, pas in november word je zacht en triest. Neem je afscheid.)

Het is dus tijd nu voor die maand van stilstand en traagheid. En ik ga proberen om februari zijn werk laten doen. Want de zichtbare, vermeende stilstand betekent ook dat er onder de oppervlakte voorbereidend werk begonnen is. Ik ga me overgeven aan de tijd. Vertrouwen dat, ook al voel ik soms weinig hoop, ook al ben ik vreselijk ongeduldig omdat ik zo graag groei en beterschap wil, deze maand van wachten nodig is. En vanuit die stilstand, vanuit dat wachten en vertrouwen dat de tijd zijn werk gaat doen en dat de lente komt, ga ik zoeken naar het mooiste licht. Het licht dat februari met veel trots gaat presenteren. En dat gaat een pak beter als je niet aan het rennen bent. 

(Oh en ik ga februari natuurlijk ook een beetje de loef afsteken. Want enkel en alleen wachten, dat is nu ook weer niet aan mij besteed, hoe mooi ik het hier ook kan uitleggen. Vandaag heb ik voor het eerst weer in de tuin gewerkt. De dochter zat te zingen met een kip op schoot, het zoontje gilde van plezier op de schommel. Ik heb bedacht wat ik waar en wanneer ga zaaien zodat ik weer een tuin vol bloemen krijg. Zo vroeg mogelijk én zo lang mogelijk. Ik heb een heel ondergronds netwerk van netels opgerold. De kippen gelukkig gemaakt met elke regenworm die ik kon vangen. En ik ga binnenkort alvast wat bloemen voorzaaien in de keuken, waar het warm en licht is. Nog even en het staat hier vol zaaipotjes met klaprozen, cosmos, lupine, korenbloemen en slaapmutsjes. Allemaal vorig jaar zelf geoogst. Die groei ga ik toch mooi al van dichtbij kunnen zien – in your face, februari!  En dromen van een tuin vol bloemen. Het is niet omdat ik nog niet mag rennen dat ik niet al kan dromen van hoe het voelt om te rennen. Ofzo.)

te Londerzeel

Het is ochtend en kind één weent lang en luid omdat iets niet eerlijk is. Kind 2 probeert gefrustreerd haar huiswerk te maken want dat was je vergeten en ze begrijpt het niet en je legt het niet goed uit. Je bedenkt dat er ongeveer niets van wat je in je schoolcarrière met bloed, zweet en tranen hebt van buiten geblokt, is blijven hangen. “Repeteren” van Samson en Gert kan je nochtans woord voor woord meezingen. En uit de lagere school kan je dat ene gedicht van de Siamese kat reciteren. Soms overloop je het nog eens in je hoofd en dan wou je dat iemand vroeg: “Oh, dat gedicht van de Siamese kat? Ken jij dat?! Oh zeg het alsjeblieft eens op!” en dat je dan iemands dag zou maken daarmee. Maar niemand vraagt dat. Uit het middelbaar herinner je je ‘Egidius waer bestu bleven’ en matrices, of toch het woord matrices, want je hebt geen flauw benul meer wat dat precies waren. Van de universiteit: “gij hebt mijn ogen Georges” en ook dat je in Algemene Taalkunde iets leerde over het feit dat een woord niet lijkt op dat waar het naar verwijst en dat Nikolas, die naast je zat, toen het tegendeel bewees met ‘bed’ en je heel hard moest lachen. En daar zit je nu met een hoofd vol gedachten die zelden nuttig zijn, een Siamese kat (en de wijze levensles: ‘wie in de wol wordt grootgebracht, ontbreekt het vaak aan levenskracht”) en verder bitter weinig kennis.

En je bent zo’n moeder die het huiswerk van haar dochter vergeet. Die altijd weer vergeet welke schoen- en kledingmaat ze hebben. Die hen niet genoeg wast want na bijna acht jaar heb je nog steeds geen vaste badroutine. Die elke ochtend vergeet te zeggen dat ze hun tanden moeten poetsen. Hun nagels pas knipt als ze bijna scheuren. Die niet meer weet hoeveel ze wogen bij hun geboorte, wat hun eerste woordje was of hoe oud ze toen waren. Die geen toffe ideeën heeft voor verjaardagsfeestjes. En een hekel aan shoppen waardoor ze kleren dragen die te klein zijn of met gaten in of met vlekken op want je bent óók nog eens zo’n moeder die geen vlekken uit de kleren krijgt. Die gaat slapen met mascara. Die te lang wacht met verse lakens op de bedden te leggen. De ramen bijna nooit wast. En je weet dat je moeder dat wel deed. En je vriendinnen en buurvrouwen en schoonzussen dat ook doen. En je voelt je soms een beetje een mislukking. En zegt dan in de spiegel: dat ben je niet.

En omdat dansen meestal helpt, negeer je de kinderen en begint te dansen op de vervelende kindermuziek die je man heeft opgezet. En ze staren je een poosje uitdrukkingsloos met open mond aan en je weet dat de bewondering, de adoratie en het levensgeluk (want zó’n moeder) dra op hun gezichten zal verschijnen. En ze beginnen te lachen, te proesten en ze zeggen: je kont! en dan tegen elkaar: haha, haar kont! Ze komen niet meer bij. Gisteren in bed vroeg je dochter weer een T-shirt van jou om mee in slaap te vallen en dat streelt steeds een beetje je ego. Je trok je T-shirt uit en ze snoof eens diep en zei: mmmm, het ruikt naar zee, en je dacht nog, oké, een zilte zeegeur, niet slecht, tot ze er nog genietend aan toegevoegde: en naar dode dieren. En dat was om meerdere redenen verontrustend.

En dus breng je de kinderen nu naar school (het is nog steeds niet eerlijk en het huiswerk is niet af) en zeg je nadien in de spiegel in de gang: geen mislukking, goeie kont, lekkere geur. En kinderen het mooiste geschenk.

eb

Ik spoel de modder van mijn voeten in een emmer bij de achterdeur en zie hoe de nagellak steeds verder van mijn teennagels glijdt, alsof het ongemerkt eb is geworden. Ik denk aan de zee en hoe jij mijn zeegezicht het mooiste vindt en dat ik er nog eens heen wil. 

To en ik hebben even op bed gelegen vanmiddag want ik was zo moe. Hij aaide mijn hand en gaf zoentjes op mijn blote schouder. Hij keek lang naar de poster van ‘Caféterras bij nacht’ die in onze slaapkamer hangt en vroeg toen hoe van God het zo had geschilderd dat het niet plat leek maar diep. Ik zei van Gogh en hij zei dat hij nochtans in God gelooft en ik niet. 

Hij maakt patroontjes met de strijkparels, heel geconcentreerd. Ik ben alleen thuis met het kind dat bij mijn stemming past. Zij zou nu aandacht vragen. Spelletjes willen spelen. Entertainment eisen. Ik zou driftbuien moeten opvangen. Emoties helpen reguleren. Problemen oplossen. Bij To niets van dit alles. Hij maakt tekeningen, hangt ze random op aan de muur. Loopt rond met draadjes en schroefjes en doet daar vanalles en niets mee. Hij zingt liedjes en praat tegen zichzelf. Doet imaginaire deurtjes open. Volkomen verzonken in zijn spel. En ik plooide naast hem de was, verzonken in mezelf. Denkend aan de vrouw die nog even naar de man toe fietste terwijl hij stond te wachten bij het licht. Hij had zijn koptelefoon al op. Ze tikte hem op zijn schouder, zei iets, ze lachten. En ik weet niet of ze echt waren of ik ze droomde. 

Weer kon ik het gras niet afrijden want het was te nat dus heb ik me op de brandnetels gestort. Tot ik me herinnerde dat ik ergens las dat de rupsen van de dagpauwoog en de kleine vos enkel brandnetels lusten. Ik heb verstrooid sorry gezegd. De kippen wijsheden toegezongen (‘pak het vast, gooi het weg, laat het los’). De frambozenstruik op goed geluk gesnoeid. Gerommeld in wat hoekjes. Dingen uitgetrokken. Doorgeknipt. Zonnebloemen die nu op zolder hangen te drogen.

Ik denk aan mensen van vroeger en wie ik toen was. En aan mensen van later en wie ik zal zijn. Of ik afscheid zal moeten nemen en van wie en of het pijn zal doen. Ik kijk nog eens naar die teennagels. Ik zou er korte metten mee kunnen maken. Dissolvant bovenhalen. Ze verwoed schoonboenen. Maar ik ben niet zo goed in korte metten. Liever staar ik naar de restjes van wat heel bijzonder was. Dat en ook dat ik mottig word van dissolvant. 

Het is eb geworden en dat is schoon en dat doet pijn en het zal weer overgaan. Binnenkort zijn mijn zonnebloemen gedroogd. En dan lak ik mijn teennagels opnieuw en gaan jij en ik naar zee.  

sneeuw

de kinderen vragen of ik de babyzeemeermin kan vinden in het zoekboek en de zon doet zo uitbundig en de hitte is opeens ondraaglijk en ik wou dat ik het gras nog niet had afgereden want ik wil iets kortwieken

ik denk dan maar aan dikke pakken sneeuw uit een ander seizoen die ik met veel geweld op dat brandende hart schep zodat het nog even nijdig sist en dan uiteindelijk toegeeft en weer stil en tevreden verder klopt zoals voorheen en de babyzeemeermin zit bij het achterste raam in de bus en ze zwaait

ge wittet é

Toen mijn mémé net gestorven was, wandelde ik het park in met mijn hart wagenwijd open.

Het was een prachtige dag en de zon scheen door het riet heen en de pimpelmeesjes die daartussen zaten kwetterden opgewonden. Alles wat ik zag leek van zo’n betoverende schoonheid en ik dacht aan mémé en ze voelde zo dichtbij. 

Ik had haar enkele dagen daarvoor nog gezien, ze had mijn handen en die van mijn vader steeds opnieuw vastgegrepen, als bij wonder mijn naam gezegd en bleef met hese stem in dat vertrouwde, warme dialect herhalen “ik zie u hèrn, ik zie u zwo hèrn, ge wittet é”. 

Ineens zag ik helder dat ze dat áltijd had gezegd, zolang als ik me herinner had ze elke gelegenheid aangegrepen om te kunnen zeggen hoe graag ze ons zag. Altijd weer opnieuw. Wat was ik als kind graag bij die vrouw die niets liever deed dan ons verwennen. Een mémé vol liefde.

En daar in het park leek het goud van de zon die liefde door het riet heen te spuiten. Overdadig, kwistig net zoals zij was geweest met haar liefde. Een warme gloed trok door me heen en het voelde zo warm en schoon en ik huilde ontroerd. Het verzachtte het gevoel van schuld omdat ik haar de laatste jaren te weinig bezocht had. Dat confronterende beeld van mémé die er niet echt meer was, die steeds hetzelfde zei en me niet meer kende, had me daar weggehouden. 

Maar op dat moment voelde ze zo dichtbij en ik bedacht me dat zij en pépé ook jaren dagelijks in het park hadden gewandeld. Het park van Heule stelt qua grootte niet veel voor in vergelijking met het Rivierenhof maar zou ze ook, net als ik, zo vaak ontroerd geweest zijn door wat ze zag? Stilgestaan hebben met tranen in de ogen, omdat wat ze zag niet te vatten was? Dat licht, die geur, die mist en de geluiden. En dan nog iets wat niet met woorden te beschrijven is, iets dat alles overstijgt, iets dat je vult met vreugde en spijt tegelijkertijd. Een verlangen naar, iets dat er even is maar ook niet echt en zo weer weg. 

Toen ik jaren geleden besefte dat ik niet meer kon geloven in dat verhaal waar ik mee opgroeide, die ene manier, die ene weg die alle andere resoluut uitsloot, dacht ik dat dat het einde van spiritualiteit moest zijn voor mij. Dat het niet anders kon. Alles of niets. Zo leerde ik het en die overtuiging zit daar blijkbaar nog ergens, na al die jaren. 

Maar de laatste tijd zie ik het soms, ver weg van een boek, een kerk, ver weg van taal. In het park voelde mémé zo dichtbij. Ik voelde troost en diepe ontroering. Als mijn hart zo wagenwijd openstaat dan raakt er iets diep en het voelt niet van deze wereld. Er is meer mystiek daar dan er voor mij ooit geweest is met dat boek of in die kerk. Het gaat niet over vragen en zeker niet over antwoorden, maar over diepe ontroering en verwondering. 

Ze werd begraven in intieme kring. Het zoontje had zacht over de kist geaaid. Iemand vertelde de kinderen dat als er tranen zouden vloeien, ze niet moesten schrikken. Dat dit geen tranen van verdriet maar van dankbaarheid waren. Kinderen schrikken niet zo snel van tranen, ook niet als die van verdriet zijn, is mijn ervaring. Ze zien ze weinig bij volwassenen, dat wél. Maar als ze jong genoeg zijn, voelen ze nog dat er geen goede of slechte emoties zijn, dat dankbaarheid niet boven verdriet staat. Er vloeiden natuurlijk tranen. Van dankbaarheid, zeker. Van ontroering. Maar ook van verdriet. En dat was oké. 

Nadien zat ik met de kinderen in de zetel. ‘Heb ik al gezegd hoeveel ik van jullie hou?’ vroeg ik de dochter. ‘Ja ja’, zei ze terwijl ze met haar ogen rolde, ‘al ontelbaar keer’. Ik dacht aan mémé en glimlachte tevreden. ‘Goed zo. En wannéér hou ik van jullie?’ ‘Altijd’, vulde het zoontje aan. ‘Als ik blij ben, als ik boos ben, als ik Mira pijn doe.’ Hij dacht even na en zijn ogen fonkelden. ‘Als ik het huis in brand steek.’ De dochter nu met een grijns: ‘Als ik kaka op jouw hoofd doe.’ Ik wist welke kant we opgingen. Niet geschikt voor gevoelige lezers in ieder geval. Maar ik bevestigde met een glimlach, ‘ook dan hou ik van jou’. En mijn hart stond wagenwijd open.

was ik een boom

Sinds september probeer ik bijna elke ochtend een wandeling te maken in het park, dat steeds meer mijn therapeut én mijn muze is. Ik moet mezelf bij de vijver regelmatig met tegenzin wegrukken. Ik sta daar soms met tranen in de ogen en voel dan een intens verlangen om een boom tussen de bomen te worden. Niemand die me nodig heeft, geen moeilijke keuzes te maken, geen verwachtingen, geen ongemakkelijke gesprekken in de supermarkt en op de eerste rij om alle schoonheid daar te aanschouwen. Te zíjn. 

Maar welke boom zou ik dan zijn? Graag zou ik een magnolia zeggen, of een kerselaar. Een boom met zachte bloemknoppen die eind maart al open zijn of toch klaar zitten en die het nog kale, slapende park zachtjes wekken met hun geuren en kleuren. Een betoverende en hoopgevende boom. 

Maar ik moet eerlijk zijn. Vandaag bleef ik af en toe bij een boompje staan en kon niet anders dan meewarig en licht spottend mijn hoofd schudden. Én toegeven, jaja ‘t is al goed, dít ben ik. 

Een boompje dat zijn, intussen droge, krakende, vuilbruine bladeren, nog steeds vasthoudt ook al is het eind maart. Een bang boompje dat niet durft. Dat controle wil. Dat koppig wacht met loslaten tot het helemaal zeker is dat de lente daar is. Tot het vogelgezang oorverdovend, de bloesems overal en genoeg frisgroen om niet meer te twijfelen dat de stilte, het wachten, het doodse nu definitief voorbij is. En dan snel die bladeren loslaten. En jaloers zijn op zij die dat eerder durfden. Want ik wil óók nu al bloesems. 

Ik zou groeien naast een magnolia. En smoorverliefd zijn natuurlijk. Genieten van alleen maar naast haar staan, in haar nabijheid. En met mijn dorre herfstbladeren nog in de handen trachten haar aandacht te trekken. Ze sexy laten kraken en ritselen door wat te wiegen. Ik zou haar nooit kunnen krijgen en we zouden dat allebei weten. Maar ze zou beleefd wat van haar geur mijn richting uit sturen en er zou al eens een bloemblaadje op mijn takken landen. En dat zou genoeg zijn. 

Maar misschien doe ik mezelf wat teveel onrecht aan. 

Zo zag ik op diezelfde wandeling een kleuterklasje op uitstap. Ze stonden netjes per 2, droegen fluovestjes en zongen één of ander schattig liedje over een paasei. Want het kan natuurlijk niet dat je in maart in het park loopt en dan sinterklaasliedjes zingt, dat is erg verwarrend voor plant en dier. 

Een moeder of juf stond bij het poortje van het arboretum, waar ik graag naar binnen wilde.

Ze stond er recht voor en had het poortje voor alle zekerheid ook nog eens in het slot gedaan. Niet dat het poortje op een drukke straat uitkwam, gewoon op een weggetje in het park. Ook niet dat die kinderen enige tekenenen van ontsnappingsdrang vertoonden. 

Voorzichtig schoof ik het slot open en opende het poortje. Ik zag de angst in haar ogen. Haar neusgaten sperden iets verder open terwijl ze iets té luid probeerde verder te zingen alsof er niets aan de hand was (er was dan ook niets aan de hand). Intussen liet ze haar blik gejaagd heen en weer gaan tussen het poortje dat enkele seconden zou opengaan en de kinderen die daar nog steeds lieflijk stonden te zingen.

Het poortje viel meteen achter me dicht en ze kon niet snel genoeg het slot weer dichtschuiven. Opgelucht zong ze weer wat zachter (wat mij dan weer opluchtte) en keek me nog even met een strenge “dat was nipt mevrouwtje!”-blik aan. 

Ik keek nog eens naar de kinderen om te zien of ik iets gemist had, maar nee, ze stonden nog steeds op exact dezelfde plaats te zingen en schattig te zijn en hadden, zo zag ik nu, nog minstens 5 extra begeleiders bij. 

Nee, ik was te streng geweest voor mezelf, concludeerde ik nu. Díe vrouw, zíj was de bange boom met de herfstbladeren in maart. 

En ik?

Ik ben geen moedige magnolia wiens bloemknoppen al klaarzitten in de herfst en die zo weer, wind en vrieskou trotseert. Maar misschien ben ik wel die ene boom aan de overkant van het water. Tegenover de magnolia. Die nu nog kaal is, maar waar de bijna niet zichtbare knopjes al klaarzitten. Te wachten. Tot het eens stevig zal waaien. De magnolia plots weer kaal zal zijn. En dan zal ik op mijn tempo (traag dus) steeds groener kleuren. En de magnolia zal naar me opkijken en onder de indruk zijn. Én smoorverliefd. 

En vooral: nooit meer zal ik aan de kassa moeten praten met die andere ouder van de school van mijn kinderen waartegen ik begot niet weet wat gezegd. Nooit meer. 

treuzelaar

overal schoonheid

in januari ligt het er wat minder dik op
het is niet zo uitbundig, makkelijk te missen, veel subtieler

het vraagt zoeken, wachten, ademen, treuzelen, op je passen terugkomen, anders kijken

vandaag drijft tussen wat een eindeloze reeks druilerige, troosteloze winterdagen lijkt en toch

ik heb gezocht, gewacht, geademd, getreuzeld, kwam op mijn passen terug, keek anders en vond weer zoveel schoonheid

opgelucht

als het op een dag als vandaag kan, ligt nog zoveel meer te wachten, onder een gebroken tegel, achter een muur van verdriet en tussen kapotgevroren bloemen
ik denk dat het een kwestie is van wachten, treuzelen en blijven kijken

en ik ben een eeuwige treuzelaar dus sta graag voor wie maar wil op de uitkijk