en zo voelt november

Eind november en de was puilt uit de wasmand maar als ik het wat aandruk valt het niet zo op.

Ik bak klaaskoeken hoewel ik anders nooit iets bak maar ze herinneren aan donkere winteravonden in Bissegem. Aan de kachel die brandde en mijn gloeiende oren omdat ik het binnen altijd iets te warm had. Mijn moeder die riep dat het klaar was en mijn broers en ik die aanvielen en schrokten en te wild het cacaopoeder door onze melk roerden. We moesten snel zijn anders had de ander misschien meer. Ik was ‘s morgens waarschijnlijk naar de bibliotheek geweest en had weer een nieuwe van Thea Beckman mee. En ik had buiten gespeeld tot de straatlichten brandden en mocht langer opblijven want het was zaterdag. Ik zou nog iets grappigs kijken op televisie en ‘s avonds in bed nog lezen want Thea Beckman liet je niet wachten. Niet met het nachtlampje want dan zagen mijn ouders het licht onder de deur maar onder mijn deken met de wekkerradio die net genoeg licht gaf voor telkens één zin.

Eind november en soms in het gezelschap van vage pijn. Vaag en toch zoveel tranen die tijdens het wandelen zwollen in mijn borst en sijpelden in mijn armen en ik kreeg ze niet uitgeschud. Maar bij thuiskomst zag ik ze langs het raam naar beneden druppelen en even later stromen. Dat pijn zien in zijn essentie een soort van deugd kan doen.

Eind november en de kinderen weten zich soms geen blijf. Maar na wat rond te ploffen en scherven en tranen belanden ze op onze schoot en we steken de kachel en kaarsjes aan en ze zeggen geen sorry maar geven kopjes. 

Ik zet de wasmachine aan en de wasmand lijkt nog even vol en zo voelt november. En ik heb niet de juiste uitsteekvorm maar wel iets wat op een paard lijkt en een hart en mijn oren gloeien als ik de koeken uit de oven haal. 

glimp van vrouw

je denkt aan je dochter voorop
kraaiend en genietend
op de fiets 
en jij dan lieve woordjes bij haar oor
dat nekje ruiken
en die krulletjes daar toen
waarvan je dacht dat ze altijd
bij haar zouden horen

hoe opeens 
ineens 
zo plots 
ze nooit meer voorop want te groot
zelden achterop want ze fietst nu zelf
en nu het nog eens gebeurt
haar knieën in je billen prikken
en die prikkende knieën
je vervullen met trots
tot tranen toe roeren
net zoals die krulletjes in dat nekje
dat eens deden 

aan hoe ze eerst nog 
tussen handpalm en elleboog paste
eindeloos kwetsbaar 
en toen je even weg keek
kort kuchte
je een kwartslag draaide
een nieuw universum zich aandient
waarin ze met haar ogen rolt
ironisch “oh, waauw” zegt 
waar ze leunt
het ene been achteloos over het andere
waarin ze veelbetekenende blikken werpt
nonchalant huiswerk maakt
vol drama en overtuiging vertelt 
en wij aan haar lippen 
haar T-shirt in haar rokje propt
omdat ze in de spiegel iets zag 
een glimp van vrouw 
en wat zou kunnen zijn 
een leven dat geruisloos openplooit

je denkt aan je dochter 
die krulletjes slechts een herinnering 
van iemand die zij allang niet meer is
je zou haar kunnen missen
maar haar knieën prikken in je billen
roepen je naar hier en nu
en wat een geluk
want ze was nooit mooier
dan hier
dan nu

dichtig

alles is relatief
alles is perspectief

je kan dat perspectief altijd kantelen
de andere kant opkijken

zo kan je vandaag vergelijken met een prachtige zomerdag en dat moeilijk vinden
of met die donkere dag vorig jaar in december en opgelucht zijn
jouw leven vergelijken met dat van iemand wiens leven je graag zou willen
of met dat van iemand die jóuw leven wel zou willen
je glas kan halfvol zijn in plaats van halfleeg
die vriend die je kwetste werd ongetwijfeld zelf gekwetst
die boze chauffeur had vast een moeilijke dag

ik ben daar best goed in als het over mijn leven gaat, als het over anderen gaat
dat kantelen en zoeken naar het perspectief waarbij je niemand onrecht aandoet
waarbij dankbaarheid primeert

het enige perspectief waar ik koppig in blijf volharden
is hoe ik mezelf zie
hoe ik over mezelf denk en praat
dat besefte ik onlangs tijdens het wandelen
ik ging in mijn hoofd weer mijn lijstje aan tekortkomingen af
dat ik liever anders zou zijn, andere capaciteiten zou willen hebben, op een ander wil lijken
ik bedacht me dat ik dat wel vaker doe, dat het bijna een gewoonte is
en dat ik het misschien eens moest kantelen

alles is perspectief, dus dit ook
ik moest iets schrijven voor mezelf, over mezelf
ik moest en zou woorden vinden
de andere kant opkijken en mezelf eens wat minder onrecht aandoen

en het is gelukt!
het was niet eens zo moeilijk

bij deze daag ik je uit:
probeer het ook eens? het hoeft niet te rijmen 😉
‘t is echt fijn, en je verdient het

het mag hieronder in de comments, stuur het naar mij privé, schrijf het in een schriftje of op een papieren zakdoek of spreek het eens uit voor de spiegel of tegen je baby of huisdier

doen hé!

het past

er zijn zo van die dagen
vandaag is niet zo’n dag, en daar ben ik blij om
maar ze zijn er af en toe
dus ik wou iets schrijven over de teleurstelling die ik dan voel, de schaamte zelfs
omdat ik dacht dat ik “goed bezig” was, omdat ik mijn omgeving niet wil teleurstellen en vooral omdat ik niet die persoon wil zijn

maar dat wringen in wat niet past
die deur uit alle macht dicht houden
haalt me uiteindelijk in
en dan scheurt het

ik wil niet wachten tot het scheurt
open doen als het zich aandient
plaats maken in de zetel
en het laten zijn
míj laten zijn
zonder oordeel

tot het weer over gaat
want het gaat áltijd weer over

tijd verliezen

tijd verliezen 

vier kinderhandjes die langzaam en geconcentreerd de groenten snijden en telkens net niet in hun vingers en het kan zoveel efficiënter en de ovenschaal die daar staat te wachten en de oven allang op temperatuur maar je wil hen niet opjagen, want dit is zo’n moment waarover je vanavond iets zal willen schrijven

je geliefde die je nek en schouders masseert en je krijgt maar geen genoeg van zijn sterke, warme handen maar je spieren zijn allang los nu en zijn handen vast pijnlijk en je hebt in gedachten al vijf keer ‘ge moogt gerust stoppen hé’ gezegd maar krijgt het nog niet over je lippen 

op zondagmiddag met je vermoeide kleuter in bed gaan liggen en hij neuriet tevreden en streelt gedachteloos met het vuile, versleten lapje stof dat zijn lievelingsknuffel is jouw gezicht, telkens opnieuw

of je bladert door een dichtbundel terwijl een grote berg kleren nog gewassen moet en je struikelt plompverloren tussen twee woorden in die weldadige wereld van alles wat niet met woorden beschreven kan maar wel altijd tussen twee woorden te vinden is

dat is verliezen op z’n best

mei

de trap op naar de badkamer waar die lotion staat met de geur van vijg en roos
een beetje op mijn handpalm en dan langzaam mijn handen over mekaar laten glijden
ruiken hoe de geur vrijkomt en heel traag inademen
voelen hoe zacht en geen weerstand
even geen weerstand

de merel die ik tot hier hoor zingen en het genot dat door mijn lijf stroomt
mijn hart dat wat zwelt en een onbestemd verlangen naar iets wat ik nog niet ken

mijn blote voeten op de houten trap en dan over de koude vloer, ze plakken een beetje en even later over het zachte hoekje van het tapijt

de tuin in zodat ik grond voel en mijn voetzolen zich krullen over de hobbels en zich plooien in kleine putten en het voelt als een trage dans

een briesje onder mijn armen door waardoor ik ze even strek en mijn hele lichaam lichter wordt en ik een fractie denk te zweven

het bloemenbed dat ik maanden terug met de kinderen zaaide en dat elke dag wat voller en groener en de intense voldoening van nu hier en daar wat wit en paars en de belofte aan nog zoveel meer

haar armen vanmorgen, voor ze haar klas inging, nog even rond zijn nekje en het zachte ‘ik hou van jou’ in zijn oor en hoe hij met een tevreden grommetje zijn hoofd tegen haar aan schurkte

vooral dat

Chicago

In de auto met gesloten ogen. Ik hoor de dochter hardop lezen in een boek en voel hoe de zon voluit schijnt en mijn gezicht verwarmt. De lucht is stralend blauw en dat is nu al de hele week zo. Het kan niet op. Ik heb me aan elk straaltje zon gelaafd en gevoeld hoe mijn lijf zich als een batterij vulde met warmte en hoop. Het begon bij mijn tenen en heeft zich nu al rond mijn hart genesteld. Als ik mijn ogen open, zie ik door de achteruitkijkspiegel hoe het zoontje de grappigste grimassen trekt omdat de zon in zijn gezicht schijnt. Dat gezichtje, daar kan ik naar blijven kijken. Er wordt vanop de achterbank nog niet geklaagd over de grotemensenmuziek dus we genieten van Gorki die zingt over Mia. 

Ik sluit mijn ogen weer en ben 15 jaar. Ik zie een filmische scène voor me waarbij ik op een fuif op de rand van een laag podium zit. Het is al laat en er wordt niet veel meer gedanst. En dan begint Luc De Vos te zingen en een onbekende, knappe jongen stapt op me af. Hij zegt niets maar steekt zijn hand uit en even later dans ik in zijn armen. In mijn gekleurde herinnering zijn we de enigen die nog dansen en staat een zachte spot op ons gericht. Ik leg mijn hoofd op zijn schouder en hij voelt vertrouwd. Na het nummer bedankt hij me beleefd en verdwijnt even plots weer uit beeld. Een 15-jarig tienermeisje zou voor minder eindeloos fantaseren over deze onbekende. Over dat lege omhulsel dat ik kon vullen met wat ik maar wilde in een man. 

Dé man – zo’n echte, van vlees en bloed – vertelt enthousiast aan de kinderen dat we vandaag door 3 landen zullen rijden. Opeens zoeven we van onze eigen hobbelige snelwegen over de zeer aangename wegen van ons buurland. Meteen ziet alles er minder rommelig uit. In dit land lijkt alles altijd nieuw en schoon. 

Ik zing mee met het heerlijke ‘Chicago’ van Sufjan Stevens. ‘All things go’ en ‘all things grow’. Het heeft nog nooit zo geruststellend geklonken als vandaag. De muziek brengt me naar mijn eerste kot. Ik weet weer hoe het daar rook en voel de goedkope vinyl nog onder mijn blote voeten. Ik lig op bed en luister naar dit nummer. Het galmt door de slechte boxen van mijn prehistorische pc. Ik ben eerder die dag op het dak gekropen met de jongen die nog even mijn lief was. Daar verteld dat ik dit niet meer zag zitten en hij daar iets te vlot mee ingestemd. We hebben nog een laatste keer gekust in de dakgoot en ik vond het heerlijk en spijtig en romantisch en triest. Dus nu lig ik op bed en luister muziek tot diep in de nacht, me wentelend in melancholie en tristesse. Alzo het leven van een 18-jarige kotstudente. 

We komen aan in het derde land waar alles zo mogelijk nóg schoner en nieuwer is. En er zijn bossen en meren en die zon blijft maar stralen. We knuffelen onze vrienden die we al zo lang niet meer zagen en gaan wandelen in de bossen vlakbij. 

‘s Avonds rijden we terug, genietend van de steeds lager hangende oranje zon, de mist die al over de velden hangt en de gigantische wieken van de windmolens die loom en onverstoord door de lucht glijden. Zo rijden we ons eigen rommelige landje binnen, waar we de grote stad naderen en dus file, ook op een zaterdagavond. Erg vind ik het niet want die oranje bol is net verdwenen en de lucht kleurt prachtig rood. 

De man, die echte van vlees en bloed die luid zou protesteren als ik het niet meer zou zien zitten, zit naast me. We luisteren glimlachend naar het fantasiespel van de kinderen op de achterbank. Ze verzinnen om beurten en een spannend verhaal ontspint zich. Ze houden dat de hele weg naar huis vol en opeens vraag ik me af of één van hen later graag zal schrijven. In gedachten sta ik al in de boekenwinkel aan te schuiven voor een boek mét handtekening. Ik denk aan mijn dochter die vanmorgen zei: ‘soms ben ik verliefd op mezelf’. Ik bedenk dat ik dat misschien ook af en toe moet zijn, verliefd op mezelf. Een mooie liefdesbrief schrijven met de hand. Mezelf op handen dragen. Blind voor de scherpe kantjes. Af en toe een oogje dichtknijpen en dan dromen. Dus ik knijp mijn beide ogen stijf dicht en zie heel even wie die handtekeningen uitdeelt in mijn dromen. Drie keer raden. 

Gebakken suiker

Hij roept me. Ligt in zijn nieuwe, grote bed in de kamer die nu hun kamer is. 

Ze oefenen al twee dagen. “Onze kamer” zeggen ze, en dan glunderend naar elkaar kijken. Op vakantie sliep hij al twee weken in een groot bed op dezelfde kamer als zijn zus. En dat ging goed. Hij vroeg geregeld naar zijn bedje. Wanneer we weer naar ons eigen huis zouden gaan en hij terug in zijn eigen bedje kon slapen. Met zijn twee tutjes en zijn twee baby’s. Hij stak dan van elk handje zijn duim en wijsvinger op. 

Zijn lijfje groeide uit zijn bedje, maar toch wilde hij er blijven slapen. In zijn ‘slaakslak’ met zijn gezicht in een hoekje tegen de spijlen. We vroegen het soms. Of hij het grote bed niet eens wilde proberen. Het stond daar al een tijdje klaar, naast zijn babybedje. Geduldig te wachten. Maar hij koos dan veilig en bekend. Hij heeft dat van geen vreemde. 

Op vakantie was er enkel dat grote bed. En het ging goed. De thuiskomst dus het moment voor die steeds weer uitgestelde verandering. En meteen bij zijn zus op de kamer. Dat wilde ik al een tijdje. De man twijfelde steeds want zouden ze dan niet slechter slapen, vroeger wakker zijn en we hadden toch twee kamers. Mijn eigen herinneringen aan alleen slapen als kind zijn niet zo fraai. Mijn angsten kregen dan de overhand. Op den duur was ik overdag al bang voor de nacht die me zonder genade elke avond weer opwachtte. Die nooit een keer kon worden overgeslagen. Dus hield ik vol. 

De man haalde zijn bedje uit elkaar. Hij was erbij en hielp. Ze sleepten het grote bed naar de kamer van zus. En oefenden ‘onze kamer’ en ‘de speelkamer’. En toen ging de bal aan het rollen. Want die grote slaapbank die bij ons op zolder stond, kon nu naar de speelkamer, zo werd het ook een logeerkamer. En toen kwamen zakken vol kleren en andere spullen tevoorschijn die veilig achter die slaapbank weg geborgen stonden. En de vriendin die van opruimen en inrichten houdt was er toevallig bij. Dus toen begonnen we de zolder op te ruimen. Zakken vol kinderkleren gingen eruit. Dekentjes van toen ze klein waren. Voor de kringloopwinkel. Een loopkarretje. Lelijk en van plastiek. Ze zetten er allebei hun eerste stapjes mee. Een zak vol zwangerschapkleren. Waar mijn buik tegenaan zwol en armpjes, oortjes en hersenen onder groeiden. Ik zag de man genieten. Zoveel kleren weg. De zolder werd ruimer. Rustiger. Ons bed kon nu anders staan. Er kwam een hele muur vrij. Ik zag het ook. Maar voelde het niet. 

‘s Avonds lag ik in bed. In die opgeruimde zolder. Gezelliger ingericht nu. Ruimte en rust. En ik voelde me wat ontwricht. Die kleertjes. Waar ze eerst in- en later uitgroeiden. Waar zij voor het eerst in kroop en de buitenproportionele euforie en trots bij ons toen. Broekjes, afgesleten aan de billen want daarop schoof hij aan een stevige snelheid door het huis. Pakjes waarin ze gulzig dronken aan de borst en hoe mij dat altijd bleef verbazen. Tegen mij aan in slaap vielen. Geurden naar zure spuug en uitgelopen pamper. Dekentjes waar ze voor het eerst op rolden. Dat loopkarretje. Waar zij op 9 maanden al het huis mee rond croste. En hij, 19 maand oud, zich eindelijk, bijna met tegenzin, eens aan optrok. Ik miste hen. Die versies van mijn kinderen die ik al die tijd dicht bij mij had op de zolderkamer. Ik dacht aan mijn man en hoe zeker hij was, meteen na de geboorte van de tweede. Dat twee genoeg was. En hoe ik nooit zeker ben, over niets. En kiezen is verliezen. Ik voelde verlies. Ik dacht aan mijn zoon die zo had uitgekeken naar zijn kleine bedje, twee weken lang. Daar lag hij nu, in een nieuwe kamer en in een bed waar hij amper in te vinden was, enkel zijn twee tutjes en twee baby’s waren gebleven. Hij had niet geklaagd. Niet naar zijn kleine bedje gevraagd. Ze hadden goed geslapen. 

Hij roept me. Vanuit zijn grote, nieuwe bed. We zijn al beneden, zij aan het ontbijten maar hij wou nog even blijven liggen. Ik ga kijken. en tut in zijn mond en eentje naast hem op ooghoogte, in elke hand een baby. Beentjes opgetrokken en zijn neusje begraven in zijn kussen. Tevreden. Hij ziet er tevreden uit. Hij kijkt op en zegt: “Mama, ik ruik naar gebakken suiker.” Ik frons, gebakken suiker? “Ja, zoals op een pannepoek. Ruik eens?” Ik ga bij hem liggen, want dat kan nu, met mijn neus in zijn nekje en ruik het ook. Gebakken suiker. En tevredenheid.

belachelijk veel

Een ritueel uit mijn absolute top-10! Ik kan een hele dag uitkijken naar dat moment. 

Voor hij gaat slapen, mag hij kiezen, een paar liedjes uit het boek van de “Bakkebein”.

Dat ventje zit daar dan, in zijn slaapzak met zijn knuffel naast hem.
Eén en al tevredenheid.
Het boek op zijn schoot, de tut in zijn mond. Zijn vingertje zweeft boven de foto’s.
Blijft af en toe ergens hangen maar dan bedenkt hij zich, schudt zijn hoofdje en zoekt verder.

Hij zuigt geconcentreerd op zijn tut.
Zijn ogen schieten over de foto’s, houden halt, keren een rij terug, gaan weer verder.
Het genot spat eraf. Hij heeft hier de controle. Hij mag dit helemaal zelf kiezen.
Hij rekt dat kiezen en dat twijfelen dan ook heerlijk lang. Dit is zijn momentje.
En ik zit daar en kijk naar hem. Voel belachelijk veel liefde. 

En dan ineens weet hij het.
Het vingertje gaat resoluut naar een foto, we zoeken de juiste pagina en ik zing zacht terwijl hij de foto nu in het groot bestudeert. 

Daarna mag hij een nieuw liedje kiezen en kan het zoeken en twijfelen weer beginnen. 
Hij geniet, ik geniet en ik wil dit met hem doen, voor eeuwig en altijd.
Of toch zeker tot ik 93 ben. Daarna wordt het misschien een beetje raar.

en wat doen we dan

Zo’n dag zonder kinderen.
En wat doen we dan?

Ik ben rond 4u opgestaan voor haar en dan om 6u voor hem en de dag is begonnen.
Ik rijd hen naar West-Vlaanderen en dan met lege auto terug naar huis.
Radio aan.
Er moeten geen rijstkoeken en drinkbussen aangereikt worden.
Stilte op de achterbank.
Geen gevallen knuffels opgeraapt.
(zo met één hand aan het stuur, onderuit gezakt, één hand achter me graaiend terwijl de dochter instructies geeft: ja, je bent er bijna, een beetje naar rechts nog, nee nog iets verder, … En dan gejuich als ik een stuk knuffel kan vastgrijpen)

Dat nu dus niet. Gewoon in alle rust naar de radio luisteren, een beetje meezingen en lachen met de mopjes van de presentator. Beetje praten tegen mezelf. En tegen de imaginaire interviewer die af en toe naast mij zit. 
Overdreven lachen naar de chauffeur in de auto naast me.

Thuiskomen in een leeg en stil huis. Opgeruimd ook. Hun laarzen naast elkaar, op een rijtje.
En de man even later daar met onze lunch.
Samen eten aan de keukentafel.
Bijna onwennig tegenover elkaar, alleen wij twee, met tijd om te praten zonder onderbreken. Teveel halve zinnen, gestarte verhalen die nooit zijn afgemaakt tussen ons in.
Te veel om in te halen dus we doen geen moeite. 

Ik een klopke dus zomaar even in de zetel gaan liggen in het midden van de dag. Zon op mijn gezicht. Vijf minuten wegdommelen terwijl de man zachtjes op zijn toetsenbord tokkelt. Wakker schrikken want plots een knie in mijn buik verwachten. Of snot tegen mijn wang.
Maar nog steeds dat leeg huis en die stilte. 

Samen op de fiets nu.
Gewoon schoenen en jassen aan en vertrekken. Alsof het niets is, zeggen we verbaasd. 

Rustig een museum doen. We hebben alle tijd.
Alles kunnen lezen, bestuderen, grappige weetjes delen, af en toe wat tegen elkaar aan leunen. Samen stil zijn. 

Ik fiets alleen terug naar huis. Er zijn zo absurd veel vogels opeens. De avond valt, de lucht kleurt donkerblauw en dit parallelle leven is er opeens. Op de fiets zonder een kind in het stoeltje.

We eten weer, zachte muziek en rode wijn erbij. Het huis nog steeds opgeruimd. Wij herontdekken aarzelend hoe dat ook weer werkt. Zinnen afmaken. Daar op reageren. Vragen stellen. Antwoorden. Luisteren naar dat antwoord. Zo van die dingen.

’s Ochtends stommel ik de trap af. Wakker geworden van koerende duiven op ons dak.
En hun laarzen daar gewoon naast elkaar, op een rijtje. 
Tijd om mijn koffie te proeven. Me mijn droom te herinneren. Te voelen dat de lente en waar komen toch al die vogels opeens vandaan.

En ik wil niet dat dit overgaat, ik wil dit leven altijd en ik kan niet wachten tot het weer verdwijnt.
De laarzen weer kris kras in de gang. 
En snot op mijn wang.
De interviewer knikt begripvol. Een uitroepteken in zijn boekje.