lief verdriet

Lief verdriet

We hebben veel tijd samen doorgebracht de laatste maanden. Je zit bij ons in de zetel of ligt ’s nachts plots naast mij in bed. Maar ik zie je vooral heel veel bij haar. Soms ben je zacht. Soms hard en meedogenloos. Je wijkt zelden van haar zij. Soms neem je wat afstand, dat wel, maar je blijft altijd in de kamer.

En ik weet het, je bent nog lang niet klaar om te vertrekken. Ze heeft je gezelschap nog een lange tijd nodig. Maar soms wenste ik dat je haar even met rust liet. Al was het maar één dag. Eén dag zonder jou. Ik wou dat ik het haar kon geven.

Maar dat kan niet, nog lang niet. Dus ik wil je vragen, wees dan zacht. Neem eens wat vaker afstand, gun haar wat rust. Laat haar ademen. Ga niet voor de zon staan als die haar gezicht wil strelen.

Gebruik haar tranen om haar wonden te verzorgen. Zorg dat het niet ontsteekt. Dat haar pijn zuiver blijft. De wonden open zolang dat nodig is.

En als ze er ooit aan toe is, zorg dat ze goed dichtgroeien. Zorg voor mooie littekens die in al hun kwetsbaarheid haar sterkte worden. Versier haar ermee. Heel haar. Want daar ben je voor. En blijf haar af en toe bezoeken. Ze kent je nu zo goed.

Maar doe het zacht.

alles zinderde

op wandel deze ochtend met haar, terwijl half Deurne (man incluis) nog sliep
de natuur daarentegen was al uren gank (had ik gehoord toen ik om 4u even opstond, de vogels hadden toen al erg veel zin in hun dag)

hier en daar kruiste een vroege jogger ons pad, met een kruin vol dansende zonnestralen

alles zinderde:
het verstilde park, de spelende schaduwen, het nog vochtige, glinsterende gras, de donkere, stille stukken aarde die haast nooit zon zien en zich daar mopperend bij hebben neergelegd, de bomen die hun zachte geheimen af en toe met elkaar delen als de wind goed zit,

alles zinderde van verwachting zoals dat enkel in de lente mogelijk is
en ik dus ook en dat was verdomd lang geleden
verwachting, verlangen, zoals een soort stoffige, lang vergeten verliefdheid
de herinnering daaraan plots vers, weer pril

dit nog verlaten park hield zoveel achter de hand, er was toen op dat moment, daar op die plaats weer zoveel mogelijk
zoveel meer dan in mijn dagelijkse realiteit waar alles zo vertrouwd, voorspelbaar en soms behoorlijk onontkoombaar is
dat mijn hart nog eens heerlijk bijna openbarstte van verlangen

mijn dochter zat stil in de buggy en ik vergat haar
mijn nog slapende man gomde ik even weg
en ik voelde spanning, verwachting, schoonheid, opwinding, verlangen

en ik weet: die realiteit, dat vertrouwde en voorspelbare is goed voor een mens,
goed voor mij vooral,
en ik zou het niet anders willen of kunnen

maar op dat moment, op die plaats was die realiteit er niet, of niet belangrijk
en dat was heerlijk bevrijdend

de dag nadien

De dag nadien, het is als een mooie begrafenis, alles is zo triest en toch ook zo mooi. We wandelen en tussen ons in onze vreugde en hun verdriet, die afwisselend een lichtheid en een zwaarte over ons laten komen.

We wandelen en zwijgen. Het water komt en gaat, de wind streelt en slaat onze gezichten, we kijken naar onze voeten die wegzakken in het zand en dan naar de einder en het landschap dat ontroert en verstilt en vertraagt.

En wat zijn we plots groot geworden. De gevolgen harder, de toekomst onontkoombaarder en echter. Dat dromen, dat huppelen, zingen en giechelen zeldzamer. De stiltes zwaarder, geladen.

Wat zijn we plots ondraaglijk groot geworden. Ik kan er om janken, om wat kwijt is. Een versie van mezelf die ik nog koester en mis maar die kwijt is. Maar het ontroert me dat we elkaar niet (altijd) kwijt zijn. En soms is het verdomd moeilijk en soms lukt het niet. Maar vandaag is het zoals een mooie begrafenis, zo triest en toch zo mooi. En we genieten van die intensiteit. En we vinden mekaar af en toe.

gedachten van een mama

Ondergedompeld in jouw wereld. Al 4 maand ondertussen.

Mijn leven bestaat eigenlijk vooral uit jou nu. Nog een maandje en dan moet ik terug naar de ‘echte wereld’. Ik ben zo aangenaam verrast: hoe fijn ik die onderdompeling vind, hoeveel rust jij brengt, hoeveel ik leer over mezelf, wat jij met me doet, wat jij brengt: ontroering, vreugde en schoonheid. Hoe ik nog nooit zo duidelijk geweten heb als nu, wie ik ben: jouw mama. Alles is zo relatief, alles verandert, alles onzeker, behalve dit: ik ben jouw mama, jij mijn dochter. Jij leeft al 4 maanden enkel en alleen dankzij de melk die mijn borsten voortbrengen. Hoe speciaal is dat? Niets anders heb jij nodig om te groeien en te bloeien. Jouw voortdurende onrustige lijfje vindt ’s avonds rust aan mijn borst, jij bent dan een soort verlengde van mij. Jouw lijfje tegen mijn lichaam, het is verslavend.

Jouw onrust, je nieuwsgierigheid, je schrikken en niezen, jouw wipneusje, je blik van herkenning en dan die heerlijke lach, je pruillipje, die mondhoekjes die naar beneden gaan voor je begint te huilen, je grijpende vingertjes, je navel, je prachtige oogjes, je concentratie, je haastige lipjes aan mijn tepel, je hysterie, je beentjes die niets anders willen dan zich afduwen, je trotse blik als je heel je lichaampje kan strekken, het druppeltje speeksel dat onderaan je lipje hangt als je je heel erg inspant daarbij, je tranen, je heerlijke eierhoofdje, mijn onvoorwaardelijke liefde voor jou. Het brengt me zoveel vreugde. Liefde die van zo diep komt.

Vreugde, liefde, schoonheid, een wonder. Het zijn woorden die me doen denken aan wat ik leerde over god vroeger. Is dit god? Dat mag, dat moet niet. Ik heb het in relatie tot die god van toen nooit gekend. Later wel, met jouw papa. En nu, met jou, dankzij jou. Meer moet dat niet zijn, iets hogers hoeft niet. Het mag, maar het moet niet.

IMG_1589

mirakel

je bent nu vier weken bij ons
wat was het rustig voor zij er was – wat hadden we veel tijd – wat waren we vrij
hebben we tegen elkaar gefluisterd
maar ook:
wat is ze mooi – wat ruikt ze heerlijk – wat houden wij van haar
we maken soms ruzie over wie jou mag vasthouden, bij wie in de draagdoek,
zelfs wie je mag verversen

we leren je kennen, elke dag een beetje meer
je neusje dat moedig wipt, voorzichtige nog niet bewuste lachjes
grote ogen gefascineerd door licht, kleur, onze haarlijn
je verslavende geur
grijpende vingertjes, wriemelende beentjes, een schattig o-mondje als je honger krijgt

ik heb gehuild:
ik wou slapen
wist niet wat je van me wou
ik weet het zo vaak niet
jij weet het zelf niet, denk ik dan

jij leert jezelf kennen, elke dag een beetje meer
en de wereld:
mama en papa, geur, geluid, pijn, honger, zoveel verschillende armen en stemmen
onbekend allemaal, zo nieuw
na 9 maanden in die rustige, vertrouwde, warme plek maakt het je bang, onrustig

maar geborgen in onze armen word je dan plots:
een heerlijk ontspannen meisje, in diepe slaap, met vage glimlach, zachte kreuntjes
één en al vertrouwen, deel van ons en wij deel van jou

Insjallah

Dat hij sterk is en dit wel zal kunnen. En als hij eenzaam is heeft hij toch foto’s om naar te kijken.

Bellen dat kan soms met veel vertraging en storing. Zijn bange moeder die hem sust, zussen die snikken wanneer zij mogen, een brommende vader dat het goed komt insjallah.

Bellen kan soms maanden niet, dan kan hij enkel in zijn kleine kamer het nieuws volgen en bidden dat ze nog leven insjallah. Maar dan heeft hij toch foto’s om naar te kijken.

Moeders armen voelt hij niet, vreemden raken hem al eens aan. Een hand tegen zijn wang die hij dan koestert en ruikt naar sumak. Hij droomt van zijn zussen dat ze gelukkig zijn insjallah en hij heeft foto’s om naar te kijken.

Dat hij sterk is en gretig. Hij pikt op en hij knippert, vinger in de lucht. Hij behaagt en charmeert, een brede glimlach en altijd juiste antwoorden. Hij zal het hier goed doen insjallah. En ’s avonds, in die andere wereld, heeft hij foto’s om naar te kijken.

Voor Shadi

een brief?

Het is iets nieuws, dat klein geluk. Behoorlijk aanhoudend, klein geluk en rust. Wat doet het deugd.

Zo kuste ik vanmorgen mijn ouders, stond in de bijna vrieskou wolkjes te blazen en zat even later op een heerlijk kalme trein, met Dostojevski op mijn schoot en onder andere Hay Colin in mijn oren. Wetende dat thuis in ons kleine, herfstige huisje mijn geliefde op mij zat te wachten.

Het was een mooi weekend. Eerst die ene vriend die al 10 jaar mijn vriend is, daar hebben we op geklonken. Die buitengewone gesprekken. Dat vertrouwen en dat verlangen om te vertellen en om te luisteren vanaf minuut één als hij uit de trein stapt. En we hebben verteld en geluisterd en het werd erg laat.

En een avond met die twee bijna-zussen en de slappe lach met tranen en pijnlijke buikspieren. Enkele weken geleden nog hadden we ook weer zo’n fantastisch liefdevol moment, op een trouwfeest buiten bij het water stonden we met 3 te dansen en te zingen op de muziek en ik kon huilen van ontroering. We zijn niet meer zo zorgeloos als we ooit geweest zijn. We hebben niet meer dat leven vol opties waarnaar we zo gretig konden kijken en waarvan we konden proeven en waarin we konden bladeren en terugbladeren. Maar we hebben samen gekeken en geproefd en gebladerd en niemand zal ons dat ooit afnemen. En we zullen nooit stoppen met houden van elkaar zoals wij dat doen.

Ik geniet van de liefde die ik op steeds meer plekken zie en vind. Ik val in herhaling denk ik, ik heb het hier al een paar keer gezegd: ik ben zo vaak ontroerd en er zijn zoveel mensen die zo’n mooie dingen zeggen en doen, met zoveel wijsheid en schoonheid. En weet je. Die ontroering en die liefde, mensen vragen dan, is dat dan niet god. Maar voor mij is het zoveel eenvoudiger en mooier om het gewoon te zien als: ontroering en liefde. En als je er god bijsleurt dan denk ik aan kerk en aan leiders en een boek en interpretaties en vooral veel frustraties. Dus neen dank je. Ik hou van de eenvoud en de schoonheid van: gewoon liefde, gewoon ontroering. En als god niet meer is dan dat, als god enkel dat is, en de kerk en het boek en de leiders en de frustraties achterwege mogen blijven, dan wil ik het wel eens god noemen ook.

Er zijn steeds meer mensen die vragen wanneer het aan ons is. Ik denk het ook steeds vaker, wanneer is het aan ons. Wanneer willen we, durven we. Maar de rust, dat klein geluk en die ontroering. Het leven zoals het nu is, daar hoeft geen verandering in te komen. Het is zo goed. En die verandering maakt alleen maar bang. En dat hoeft nu nog even niet.

jaren zonder god

Al enkele jaren nu
geloof ik niet meer dat
de wereld zo rond draait
de antwoorden zo eenvoudig zijn
het slechts op één manier juist is
liefde zo logisch is
en zoveel tegenstellingen zomaar samenhoren

Al enkele jaren nu
moet ik het doen met
een vierkante wereld
soms eenzaamheid en pijn
juist op zoveel manieren
veel vragen en weinig harmonie
omdat ik het enkel zo kan

Al enkele jaren nu
heb ik meer rust en soms meer onrust
begrijp ik het leven beter
soms slechter
heb ik heimwee en verdriet om wat niet meer is
omdat het te mooi was om waar te zijn
maar zie ik meer liefde dan vroeger
ontroert het leven me meer en het is nu gewoon
echter, oprechter
gewoon
zonder god

over je pijn

het ene moment – zo lijkt het – in het eindeloze water
de zon verwarmt onze schouders en er zijn zachte bergen
we grijpen elkaars handen en gezichten
onze lichamen vinden elkaar ook als de zwaartekracht ze lost
we zuchten tevreden dat er soms bijna teveel liefde lijkt
‘dit is zo goed dat het pijn doet’ zing ik
en hetzelfde water loopt tussen mijn lippen en streelt jouw kin

het volgende moment – zo voelt het – naast elkaar en jij schokt eindeloos
je rug met mijn tranen als een Berlijnse muur tussen ons in
en ik grijp naar je handen en gezicht
je pijn wil ik vangen met mijn lichaam
omdat teveel liefde ook teveel verdriet betekent
ik wil troostend voor je zingen dat het pijn doet
en mijn tranen lopen langs mijn lippen en jouw tranen landen bij je kin

mijn lief
je loopt nu rond met ogen en mondhoeken zwaar van verdriet
mijn blik volgt en ziet:
je valt zoveel mogelijk terug op jezelf
als een overlevingsinstinct
tot je struikelt in mijn richting
en mijn hart weent en ik reikhals en kan je buik grijpen en kussen
voor je zingen en met je vrijen
maar ik kan je pijn niet helemaal vangen met mijn lichaam

 

mooi hé

Vandaag is zo’n dag en het is lang geleden. Geluk. Ik moet het opschrijven en ik moet opletten want als ik het opschrijf kan het weer weg zijn. Er is zon en groen, er zijn straks mensen maar ze zijn nog ver genoeg, er is muziek, er is een mooie fluitende man, een dag vrijheid. Er is in mijn hoofd al een gerecht, straks ook op ons bord. Ik ruik het al en proef die zon. En dat groen toch altijd gelukkiger maakt. Mij toch. Blij met weinig. Een terras met wat plantjes. Is beter dan een terras zonder. Of zonder terras. Stel je voor.

Er is hier een kerk in de straat. Elke zondagochtend lokt zij ons met haar klokgelui, al 3 jaar lang. We zijn er nog niet geweest. Maar ik hou van het gelui. Ik voel dan ook geluk. En ik vind het veilig, dat ze blijft lokken. Niet opgeeft, niet aandringt. Elke zondag lokt ze, nodigt ze uit, dat staat vast. Daarover bestaat geen twijfel. Dat troostende klokgelui. En misschien, op een dag, zal ik eens binnengaan. Op zoek naar dat gevoel dat me zoekt. Waarschijnlijk ga ik nooit binnen. Ik heb geen vraag die uit woorden bestaat. Ik heb een verlangen, dat niet te bevredigen lijkt. Ik koester dat verlangen, ben blij dat het niet bevredigd kan worden anders ben ik het kwijt. Ik zie zoveel moois. Ik ben heel vaak ontroerd. Ik voel dan verdriet maar altijd met liefde. En dat is toch genoeg? Ontroering, moois, verdriet, liefde en verlangen. Mooi hé.