bijna-zussen

Er zijn nooit zussen geweest. Wel altijd bijna-zussen. We deelden alles, belandden steeds weer in elkaars armen: snikkend, gierend, opgelucht. Elkaars armen, de enige plaats waar we begrepen werden. Onze huizen slechts enkele straten van elkaar verwijderd. In elkaars keukens. Bij elkaars moeders. Op de bankjes, bij de bomen, in de hoekjes van wat ons territorium was. Het gebied tussen de huizen was van ons. De bijna-zussen. We hoefden niet ver te rennen als we elkaar nodig hadden. We gaven boekjes rond waarin we onze diepste gedachten en vertwijfelingen neerschreven. We botsten tegen elkaar op, geloofden andere dingen, ervaarden het leven verschillend maar toch kenden we elkaar, de bijna-zussen. We bevestigden elkaar zoveel als dat nodig was, diezelfde bevestiging zouden we later eisen van de mannen die geen flauw idee hadden van hoe we elkaar verwend hadden. De bijna-zussen, altijd binnen handbereik.

Nu scheiden meer dan enkele straten ons. Een lange treinrit. Er is een baby en ik heb altijd gedacht dat ik dag in dag uit bij de baby’s van mijn bijna-zussen zou zijn. Omdat wij zo hecht, zo veel waren en dat zo zou blijven. De baby is prachtig maar een lange treinrit van me verwijderd. De bijna-zussen veranderen, leven, hebben lief en lijden en zijn niet meer binnen handbereik. Ik mis mooie momenten, trieste momenten, ik mis de gesprekken die voor een nieuwe wending zorgen. Ik ben er zo vaak niet bij.

Maar ach wat is een treinrit. Ze zijn slechts een treinrit verwijderd. Ik mis belangrijke momenten maar ben er ook zo vaak wel bij. De belangrijkste, daar ben ik bij. Ik hield de baby vast toen ze slechts enkele uurtjes in deze wereld was gegleden. Ik voelde haar warm lichaampje en zag haar trillende oogleden voorzichtig licht en donker in haar leven binnenlaten. Ik plakte de deuren en ramen van de nieuwe woonst af. Zag de nieuwe liefde waar we allemaal zo naar hadden uitgekeken en zag dat het goed was. Ik was erbij. En nog steeds botsen we tegen elkaar op, geloven we verschillende dingen en ervaren we het leven anders. Nog steeds kennen we elkaar.

En plots zijn er ook zussen. Schone zussen.
Een broer zorgde voor een zus die voor een nichtje zorgde. Een wijze zus die snel begrijpt en op weg helpt. Een mooie zus die een perfecte start maakte als vriendin. Slechts enkele straten van mij verwijderd. Een zus die zichzelf goed kent en sterk in het leven staat. Die onzekerheden en twijfels kan relativeren en vooruit kijkt in plaats van achteruit. Een zus naar wie ik opkijk.

Een lief zorgde voor vier zussen. Een kleine speelse zus met wie ik rondjes door de woonkamer dans. Met wie ik door de tuin ren en liedjes zing en wiens lieve handen vol vertrouwen in de mijne rusten. Een zus van wie ik hoop dat ze lang zo onbezorgd, speels en kinds zal blijven. Een andere zus die langzaam vrouw wordt maar dat ziet ze zelf nog niet helemaal. Een prille schoonheid, zich daar niet van bewust, die woelige jaren voor zich heeft. Ik hoop dat haar mooie ogen mooie dingen zullen zien en ik hoop dat ik erbij mag zijn als ze minder mooie dingen ziet. Dat ze me zal vertrouwen en dat ik haar vriendin kan zijn. Er is ook de ontzettend moedige zus die al twee keer moeder is. Ze toont zo eerlijk haar zwaktes waardoor ik zie dat ik ondanks de compleet verschillende achtergrond meer op haar lijk dan ik had kunnen denken. Ik hou van haar zwaktes omdat ze haar zo menselijk maken. Zo echt. Ze heeft daarnaast ook zoveel sterktes die haar de mooie vrouw maken die ze is. Ze is de zus die haar eigen bijna-zussen nooit ziet omdat ze aan de andere kant van de wereld wonen. Ze kijkt naar me en wil me kennen en ik wil haar ook graag kennen en haar vriendin zijn. En dan de vierde zus, ook al moeder van twee, één van de meest integere personen die ik ken. Ze ziet mensen, oordeelt zelden en heeft zoveel ongecompliceerde liefde voor de mensen die haar dierbaar zijn. Haar eenvoud maakt haar ontzettend mooi en geeft haar een soort ongewone wijsheid.
Bijna-zussen, de allerliefste, slechts een treinrit ver. Schone zussen, talrijk, dichtbij of verder weg.

De vrouwen in mijn leven.

Hoe ik leef

Het is goed zo.

Ik fiets onder bruggen, met wind die huilt en trekt en draait en die ik bejubel in mijn rug of aan het water of als ik binnen zit en die ik vervloek als ik de energie niet vind er tegenin te gaan en ik me zo leeg en machteloos voel, dat kan alleen de wind met me doen. De herfst is mijn beste. Alleen de herfst krijgt mij aan het dansen en op mijn knieën, zuigt mij leeg en vult mij weer, jaagt mij naar buiten en trekt me weer naar binnen, en maakt het mogelijk te schreeuwen zonder gehoord te worden. Alleen de herfst kan dingen veroorzaken en ongedaan maken zonder daar om te geven, herinneringen brengen en weer laten sterven met de rest.

En mijn ander deel hij kijkt rond terwijl ik lees. Ik probeer het uit te leggen en hij knikt en glimlacht, zo lief. En als de trein vertraagt pakt hij onze spullen in terwijl ik lees tot het allerlaatste moment waarop hij het boek uit mijn handen neemt en dichtklapt. En soms dansen wij rond de tafel zonder kleren met onze vuisten in de lucht omdat wij strijden met het leven en het omarmen. Omdat wij met elkaar strijden maar nooit zonder het omarmen. En dat wij bang zijn van nieuw leven omdat wij bang zijn van dit leven. Omdat wij zo langzaam en zo plots alles wat we geloofden hebben achtergelaten. Wij durven soms niet te leven en kunnen soms niet leven met onze vragen en zijn soms gewoon bang om samen eenzaam te zijn zonder antwoorden.

Vier keer in de zetel. Zij leunt tegen het kussen, ik mijn hoofd op haar schouder, mijn ander deel rust op mijn arm en wordt door de vierde omarmd. We houden van elkaar en van de gezellige warmte in elkaars huizen, elkaars keukens, elkaars terras. In de zomer dronken en rookten wij samen, luisterden naar krekels en vleermuizen en probeerden elkaar te vinden. In de winter stookten wij het warm, wij lachten en huilden zelfs soms en sneeuw hielp ons lief te hebben. Vier keer in de zetel, we zwijgen en houden elkaar vast omdat we dit willen vasthouden. Ik weet dat we bang zijn voor wat komt en dit niet meer beter kan gaan en we elkaar misschien ergens zullen verliezen.

Ik worstel met hen die ik liefheb, met mezelf, met dit leven en met wat ik niet meer geloof. Ik hou vast en omarm. Ik werk, ik fiets, ik heb lief, ik droom en ik huil soms.

Het is goed zo.

vier jaar meer

Ik ben ondertussen vier jaar verwijderd van jou.

En ik ben vier jaar meer. Meer verdriet, meer geluk, meer bitterheid, meer liefde, meer teleurgesteld, meer geschaterd, meer geschreeuwd, meer gedanst, meer gebonkt op muren, meer verlangd, meer gezien, gehoord, geleerd, meer liefgehad, meer gemist, meer pijn, meer angst, meer vastgehouden, meer storm, meer zon, meer leven.

Vier jaar meer leven. En wat waren dat vier ontzettend mooie jaren om te leven, want wat is leven ontzettend mooi.

En dat van jou was vier jaar geleden zo plots over, en wat is en blijft dat onbegrijpelijk. Zoveel ‘meer’ dat jij nooit mocht hebben, kennen en voelen en waar ik blijkbaar wel recht op heb. Nooit zal ik het begrijpen en het maakt me nog altijd zo kwaad en opstandig. Maar ik leef en besef hoe veel geluk ik heb, hoe ongelooflijk mooi leven is en hoe graag ik leef. Ik vind het steeds fijner en waardevoller en ik leef steeds liever.

Ik leef ondertussen vier jaar liever. En ik ben vier jaar meer gemis.

ik noem u lief

dat het zo plezant blijft met u, dat het goed gaat en gij zorgt dat ik zorg en ook wij voor elkaar
in elkaars hoofden en wij graaien en aaien zodat het meestal geen pijn doet
dat wij smakken en smachten en elkaar om de oren slaan
dat gij rust zijt en thuis en de was ophangt zo banaal en heerlijk

dat de aarde draait en wij daarop en genieten van de grond onder onze voeten
uw liefs smeert gij op de muren en het is niet te groot, nooit te groot dat ik weg zou moeten gaan
dat gij zoveel zijt en soms bijna alles en ge ploft in mij rond
dat het zo plezant blijft met u en dat gij de vuilzakken buiten zet zo banaal en heerlijk

dat antwoord ik niet als ze vragen hoe het gaat,
ik zeg eerder iets als: heel goed, jaja, echt heel goed

Kinderen zijn soms helden (maar dat blijven ze niet)

Ik zit met de handen over elkaar en kijk voorzichtig flauw glimlachend. Mijn kinderlijke, korte vingers die wat onwennig naast elkaar rusten op het tafelblad zullen nooit veel vrouwelijker worden dan dit. Mijn lippen samengeknepen tot een miniglimlach, zeker geen lach waarbij mijn tanden zichtbaar zijn. Dat wordt ten allen tijde vermeden. Ik oefende voor de spiegel, voor de juiste glimlach. Zonder tanden maar het moet toch nog een lach zijn. Het is er amper één geworden, eerder een ernstige glimlach van een kind dat het goed meent met de wereld maar veel wil veranderen. Dat wil ik ook. Ik wil liever arm zijn en in een klein huisje wonen in het bos, maar gelukkig, dan rijk en ongelukkig. Want zo leerde ik het. Als ik ooit geld zal hebben, deel ik het met alle arme mensen. Roken is slecht voor je gezondheid dus waarom zou je het ooit doen. Mensen die roken zijn dom. Als ik in de buurt kom van mensen die roken, hoest ik altijd extra hard. Elke woensdag papiertjes oprapen in de wijk, zakken vol in mama’s vuilbak. Ik gooi nooit, maar dan ook nooit, iets op de grond. De natuur is heel belangrijk, ik word later boswachter of tuinvrouw. Ik heb een beste vriendin aan wie ik alles vertel en voor wie ik zou sterven als dat nodig is, we dragen een vriendschapsbandje. Ik begrijp niet dat mensen geheimen kunnen hebben voor elkaar. Het is toch veel moeilijker om geheimen niet te vertellen dan wel. Mijn kleren maakte mijn moeder zelf. Zo past mijn haarband bij mijn jurk. Dat vinden mijn mama en haar vriendinnen heel mooi, mijn eigen vriendinnen ook maar andere klasgenoten lachen wel eens. Zij dragen kleren van merken waarvan ik nog nooit gehoord heb, maar geld is niet belangrijk, gelukkig zijn wel. En zij zijn rijk dus waarschijnlijk ongelukkig, want zo leerde ik het. Als je goeie dingen doet, zal je gelukkig zijn en God bestaat.

Ik weet nog niet dat ik het leven nooit meer zo eenvoudig zal vinden.

nu jij geweest bent

Nu jij geweest bent. Ze zeggen dat zo in gedichten: dat zoenen troosten. Je zoenen doen dat. En nu je allang weer weg bent drukken ze nog wat na, zacht. Nu ik alleen ben met je zoenen fluisteren ze. Ze weten precies waar en waarom en zo zacht. Je vingers kalmeren nu wanneer ze glijden, zacht knijpen en eeuwig blijven nastrelen. Je buik ligt nog ergens op mijn bed net binnen handbereik en gaat traag op en neer. Je navel stopte met zingen maar bromt nog wat na en pluist voorzichtig zoals bloesems in de lente. Voorzichtig mag je ook alweer terugkomen eigenlijk, zoals de bloesems in de lente.

iedereen wil zo’n gaatje

schaterende handjes gillende beentjes bolle wangen guitige oogjes. ze vallen zacht van de ene zon in de andere in de andere in de andere. ze kennen geen verdriet dat echt genoeg is en duwen met hun wijsvinger gaten in de dikke wolken als het licht weg is. onder zo’n gaatje is er voor hen altijd zon. de vogels ontstaan wanneer zij lachen. ze vliegen in grote cirkels boven hun hoofden en verspreiden zich daarna in bossen en boven vijvers. ze hebben alle kleuren en zingen want ook zij kennen geen echt verdriet. ze vallen zacht van de ene tak in de andere in de andere in de andere.

ze vallen zacht want ach wat is nu echt verdriet

dichter

Zo zitten we uren langs het water. We klimmen op één van de oude kranen waar je eigenlijk niet op mag. Prachtige houten kranen zijn dat, met binnenin een droomnest voor duiven. We zaten er in de zomer, als de laatste hitte met de zon verdween en genoten van de zonsondergangen. Nu zitten we er in het donker in de vrieskou. We praten over de liefde en drinken rode wijn. Ik leer je vooral daar kennen, op de kraan aan het water. We kruipen dicht tegen elkaar en kijken naar de prachtige boten die voorbij varen. En we vertellen aan elkaar wie we zijn en wie we niet zijn en waarom. We weten vaak niet waarom.

Jij hebt vaak geen woorden en ik heb er veel te veel. Alleen als we wijn drinken wordt het anders. Wijn maakt mij traag en stil, wijn doet jou praten.

Het fijnste vind ik jouw gezicht in mijn hand. Ik probeer het vaak, je ganse gezicht te omvatten met mijn hand. Als je gezicht in mijn hand rust, voel ik dat dit het dichtste is dat we kunnen geraken. We willen graag dichter, maar dichter is moeilijk. Dus jouw hoofd in mijn hand doet ook steeds een beetje pijn.

waai !

Kom heel rustig binnen:

Wees vriendelijk en beleefd, veeg uw schoenen zorgvuldig af, geef me een zachte, aarzelende handdruk en kus me voorzichtig op m’n wang, net iets te dicht bij mijn mondhoek, laat uw lippen ook net iets te lang mijn wang strelen, vraag of u even gebruik mag maken van mijn toilet, was uw handen achteraf zodat ze zacht zijn en lekker ruiken, leg mijn tijdschriften recht nadat u er even door bladerde, bekijk mijn schilderijen en houd uw hoofd af en toe schuin terwijl u dat doet, loop naar mijn boekenkast en prijs me om mijn smaak, proef mijn cake en lik uw vingers af, smak daarbij, maak een huppelpasje met mijn vliegenmepper in uw handen.

Haal daarna alles,
maar dan ook alles overhoop.

Alstublieft.

schilder

Met uw penseel.

Ik kan u zien zitten in uw rommelige, kleine kamertje. U bent een beetje verbaasd dat ze zo voor u zit, is het niet? Vindt u haar mooi? Ik denk het wel, ik zie uw blik wat verzachten nu u wat langer naar haar kijkt. Kan u aarzelend uw penseel opnemen, die door uw vingers laten glijden en dopen in warme verf? Kan u haar haren uit haar ogen schilderen: zacht, langzaam en zorgvuldig? Kan u dan met een paar vegen haar rimpels laten verdwijnen? Brom ondertussen een liedje, zacht en vals. Zal u haar bezorgde trekken overschilderen? Daarbij kan u haar stromende tranen gebruiken voor de landschappen en kastelen die u op haar gezicht zal toveren. Zal u haar gezicht zo strelen tot het straalt? En vertelt u daarna het verhaal dat u schilderde: over landschappen en kastelen, tot ze in slaap valt, tegen u aan. Kan u van haar houden meneer de schilder, als ze ineens zo kwetsbaar in uw armen ligt? Geeft u haar dan zoete kussen als ze wakker wordt.

U kan dat want u bent een kunstenaar, meneer de schilder.