Dat gij op uw knieën moet plaatsnemen in een veld vol witte bloemen en daar touwen rond uw vingers moet binden. Heel traag want gij zijt zo geduldig. Dat merk ik soms. En dat gij daarna vlinders moet vangen. En ge moet snel zijn want ze komen één voor één onverwachts uit de grond gekropen. En gij moet hen grijpen en zij zullen verbaasd zijn over uw snelheid. Dat droom ik soms. Dat als gij het uiteindelijk zult wagen en gij uw hand zult uitstrekken en haar hals strelen, zij naar u zal opkijken en fluisteren, ja. Dat zegt ze soms. Dat gij hoeden moet maken en die daarna verkopen. En dat iedereen een hoed van u zal willen, omdat gij de mooiste hoeden van het land hebt. Want gij hebt ze zelf gemaakt en alles wat gij maakt is mooi. Zo lijkt het soms. Dat gij moet knikken als gij de muziek hoort, eerst zacht en steeds harder tot gij het niet meer voelt. Want gij kunt dat zo dat er alleen nog muziek is. Dat zie ik soms. En dat gij een einde moogt verzinnen. Ge moet het zacht doen zodat het aanvaard zou worden, en ge moet haar vasthouden als gij het fluistert. Want gij kunt dat goed, eindigen. Dat denk ik soms.
Categorie: gedacht
jouw lied
Ik zou zacht een lied voor haar zingen, de nacht in. Met een mondharmonica op de achtergrond. Het lied zou zeggen wat ik niet kan. Iets met heel veel houden van. Met bruisend en levendig en zo ontzettend onverwachts. Het zou gaan over heel veel tranen en pijn in mijn hele lichaam. Waardoor rechtop lopen moeilijk geworden is. Ook iets van een gemis, zoals een plas water die je maar niet opgekuist krijgt omdat steeds nieuwe plassen gevormd worden. Een plas die je niet wíl opkuisen omdat je als je daarmee bezig bent, steeds jezelf erin ziet. Een lied over hoe de pijn en het zingen alleen moet. Het zou ook een lied zijn over heel veel moois. Omdat ze een prachtige bloem was die zoveel mensen gelukkig maakte. Één van de mooiste wezens op aarde. Het zou een lied zijn over nog één keer: hoe is het met je hart?
Ik zou het lied niet kunnen uitzingen door de echo in de nacht. De echo die alles weerkaatst en uitvergroot. Omdat mijn woorden zouden terugkomen om me grijnzend in het gezicht te slaan. Hard. (En omdat mijn stem zou komen vast te zitten van de tranen en een hand mijn hart ruw zou samenknijpen. Zoals nu.)
Zoals nu
IJsland
De man staat met opgestroopte broek in het water. Hij draagt een groene regenjas die te groot is en wappert tegen zijn benen. Zand schuurt langs zijn voeten. Het is zo’n nacht waarin lucht én water inktzwart zien en je nauwelijks een onderscheid ziet. Hij speelt gitaar en zingt een lied voor haar. Zijn stem gaat meteen verloren in het gewoel van de zee, en enkele gitaarakkoorden drijven nog wat verder met de wind mee. We staan daar en we kijken. Omdat het al zo lang donker is in zijn hoofd begint hij eraan te wennen, en soms ziet hij haar. Dan lacht ze.
Op de top van de wereld staat hij met zijn gitaar en zingt een lied voor haar. Het sneeuwt en zijn haar en snor en baard zijn wit van sneeuw en ijs. Hij lijkt een hele oude man. Wij staan onderaan terwijl vieze regen langs onze gezichten loopt. We luisteren hoe hij zingt en kijken hoe enkel hij daar kon geraken. We zeggen dat het niet erg is en vanbinnen sterven we. We glimlachen naar elkaar en zeggen dat hij niet zal vallen, maar we houden onze handen voorzichtig open. Omdat het al zo lang donker is in zijn hoofd is hij wat gewend aan de duisternis en soms kan hij haar zien. Ze lacht naar hem.
We vragen of hij ooit nog zal durven liefhebben. En we kijken allen naar elkaar en durven nooit meer lief te hebben. We rennen naar de eerste vreemde die voorbij wandelt en vragen of hij ons wil ontvoeren naar IJsland. Daar worden we gekust.
Hij zit achterop een huifkar, zijn haren staan alle kanten uit omdat zijn hoed allang van zijn hoofd gewaaid is. Hij zingt een lied voor haar en speelt op zijn gitaar.