
zó zien we het kind haarscherp afgetekend
balancerend, de armen open,
doelgericht de ene voet voor de andere
het kind dat zingt, telt, rent, woest brult en stampvoet
zich ‘s avonds in onze armen nestelt
de eeuwige kikkermuts (met naam en persoonlijkheid) op
dat zich dankbaar wikkelt in elke zweem van fantasie op haar weg
die aantrekt als een tweede huid
en moeiteloos verweeft met haar werkelijkheid
het kind dat wipt, wiebelt, klimt, bouwt
nooit of te nimmer een milliseconde stilzit
dat zelf kleren kiest die zo min mogelijk matchen
liefst enkele maten te groot of te klein
dat de wereld: wat goed en fout, recht en onrecht is,
ziet in eenvoudig zwart en wit
en voor wie grijstinten nog niet zichtbaar zijn
haar bed vol levende knuffels
haar wereld vol monsters
die bestreden worden met haar zelfgemaakte zwaard,
in een Narniaans universum met draken, centaurs en haar broer aan haar zijde
zó zien we ook de tiener soms
nog vaag, onduidelijk, in mist gehuld
maar soms duikt ze even op
horen we haar ergens diep vanbinnen grommen
als ze ‘s morgens met donkere blik beneden komt
niet aanspreekbaar blijkt
als ze zich geneert bij het afscheid
als ze haar schouders naar achteren trekt
licht heupwiegend door het huis wandelt
als ze met haar ogen rolt
en mijn pogingen tot een aai of knuffel steeds behendiger weet te ontwijken
als ze de tiener zelf opmerkt
somber zegt dat ze het eigenlijk niet wil: groter worden
zo zien we haar balanceren
op het slappe koord tussen twee werelden
dansen, wiebelen, schipperen tussen kind en tiener
als ze valt
rapen we het kind op
we troosten, verzorgen en wiegen
met de tiener zullen we wachten
tot ‘s avonds
als iedereen weg is
het buiten donker is en niemand nog kijkt
haar weerstand verdwijnt
en dan doen we hetzelfde



