dichtig

alles is relatief
alles is perspectief

je kan dat perspectief altijd kantelen
de andere kant opkijken

zo kan je vandaag vergelijken met een prachtige zomerdag en dat moeilijk vinden
of met die donkere dag vorig jaar in december en opgelucht zijn
jouw leven vergelijken met dat van iemand wiens leven je graag zou willen
of met dat van iemand die jóuw leven wel zou willen
je glas kan halfvol zijn in plaats van halfleeg
die vriend die je kwetste werd ongetwijfeld zelf gekwetst
die boze chauffeur had vast een moeilijke dag

ik ben daar best goed in als het over mijn leven gaat, als het over anderen gaat
dat kantelen en zoeken naar het perspectief waarbij je niemand onrecht aandoet
waarbij dankbaarheid primeert

het enige perspectief waar ik koppig in blijf volharden
is hoe ik mezelf zie
hoe ik over mezelf denk en praat
dat besefte ik onlangs tijdens het wandelen
ik ging in mijn hoofd weer mijn lijstje aan tekortkomingen af
dat ik liever anders zou zijn, andere capaciteiten zou willen hebben, op een ander wil lijken
ik bedacht me dat ik dat wel vaker doe, dat het bijna een gewoonte is
en dat ik het misschien eens moest kantelen

alles is perspectief, dus dit ook
ik moest iets schrijven voor mezelf, over mezelf
ik moest en zou woorden vinden
de andere kant opkijken en mezelf eens wat minder onrecht aandoen

en het is gelukt!
het was niet eens zo moeilijk

bij deze daag ik je uit:
probeer het ook eens? het hoeft niet te rijmen 😉
‘t is echt fijn, en je verdient het

het mag hieronder in de comments, stuur het naar mij privé, schrijf het in een schriftje of op een papieren zakdoek of spreek het eens uit voor de spiegel of tegen je baby of huisdier

doen hé!

het past

er zijn zo van die dagen
vandaag is niet zo’n dag, en daar ben ik blij om
maar ze zijn er af en toe
dus ik wou iets schrijven over de teleurstelling die ik dan voel, de schaamte zelfs
omdat ik dacht dat ik “goed bezig” was, omdat ik mijn omgeving niet wil teleurstellen en vooral omdat ik niet die persoon wil zijn

maar dat wringen in wat niet past
die deur uit alle macht dicht houden
haalt me uiteindelijk in
en dan scheurt het

ik wil niet wachten tot het scheurt
open doen als het zich aandient
plaats maken in de zetel
en het laten zijn
míj laten zijn
zonder oordeel

tot het weer over gaat
want het gaat áltijd weer over

koester

je wordt wakker en mist je zus
die het vliegtuig nam
en zo plots, zo zonder waarschuwing
uit dit leven werd weggegomd

je mist je baby
gisteren nog slapend op je arm
maar tussen je vingers geglipt
kruipend, fietsend, studerend
de blik op vooruit

misschien mis je bijna alle herinneringen
maar blijf je lachen omdat
de rafelige randen van die zwarte gaten
zacht en pluizig zijn
en als je met je oude handen
aarzelend het gezicht
van één van je kinderen omvat
wéét je weer hoe mooi het was

of mis je je man
die op een dag met zware schouders vertrok
op de keukentafel
het gevoel van afwijzing achterliet
als een cadeautje
dat aan de muren blijft plakken
hoe hard je ook schrobt 

en je mist je vader nu al zo lang
zijn zachte stem en vertrouwde lach
zijn melodie, zijn lichtheid
zijn sterke armen
die nooit zijn kleinkinderen wiegden

ach, je mist je land zo intens
de mensen, geuren, smaken en muziek
zomaar de straat op lopen
en dan klanken vangen die thuis zijn
de armen van je moeder en hoe ze thee zette

je zal altijd missen
rauw en diep en zacht en scherp
allesoverheersend of rustig ergens achterin

je zal altijd missen
iets of iemand drukte, kort of lang,
een stempel op je hart
wat overblijft is de afdruk
en het koesteren van die afdruk

je zal altijd missen
je zal altijd koesteren
je zal altijd liefhebben

mens

hoorde ik nu
dat jij ook soms
zo bang bent
doodsbang
van het leven
dat je maag keert
je oren suizen, je hele lijf
in staat van alarm?

zag ik het goed
dat jij daar op de fiets
twijfelde aan jezelf
dat je ook soms
die stem gelooft
dat je zwak bent
niet genoeg
minder dan al die anderen?

keek jij ook net
door het raam
denkend aan alle keuzes
die je maakte en dus ook
niet maakte
aan alle levens
die hadden kunnen zijn
en welke dan de beste
voelde jij ook een
fluisterend gemis
met paarsblauwe randen?

huiver jij ook soms
van genot
sta je stil omdat je even
niet verder kan
huil je soms
omdat iemand die woorden
zo zorgvuldig koos
en in de juiste volgorde
op een briefje schreef?

giert je lichaam soms van verlangen
bij het horen van die muziek
en dans jij ook soms bloot
voor het raam?

word jij ook
zacht en diep en stil
van dat hoofd in je schoot
en die vingers in je hand?

voel jij je ook soms
oneindig eenzaam
en dan weer die eeuwigheid
dat uitgesterkt en verbonden zijn
vervuld en verlangend

gaat het bij jou ook soms
van zo hoog naar zo laag
en andersom?

zag ik nu net
dat jij
ook
een mens
zoals ik en
mag ik jou
nóg eens zien?

februari

ik zeg ‘het is februari’
de maand hiervoor zo donker, zo grijs met
dat beetje daglicht dat zich af en toe
moedig loswrikte
zich heel even liet zien
en dan weer werd opgeslokt
door de nacht

maar nu is het februari
we zitten naast elkaar
schuifelend in ons eigen drijfzand
we hebben elkaars handen
gegrepen
geknepen
elk zo wankel

ik heb verteld over de afgronden 
die jij niet ziet
maar wel gelooft
hoe die plots opduiken
jij over de mist die er hangt
de ruis in je hoofd

ik zeg ‘het is februari
de maand met het mooiste licht’
en ik kijk niet uit het raam
waar het regent en even grijs als
de maand hiervoor
nee
ik kijk naar je gezicht

en in je handen
zie ik je zelfgemaakte brug
voor mijn afgronden
(die leugens zijn)
sterk genoeg voor ons beiden
licht genoeg voor op de rug

ik zeg ‘dit is een lied’
en ik zal het zingen tot de ruis naar de achtergrond
de mist iets minder dicht
het is tenslotte februari
dat is de maand met het mooiste licht

op weg naar huis van een veel te drukke Colruyt met volgeladen fiets en hoofd

dag jonge vrouw
met je broek net iets te kort
je zwarte legerschoenen en roze haren 
je vel is bleek en je ogen donker
maar jij licht
want je danst een beetje 
en de hielen van je schoenen 
tikken ritmisch op de grond
en ik vind dat mooi

dag knappe man op de fiets
ik kijk iets te lang dus je glimlacht tevreden
je mondhoeken krullen zelfzeker omhoog
je neusvleugels iets wijder 
en je wenkbrauwen schuin
je hele gezicht zegt:
“ja, kijk maar, ik ben echt heel mooi hé?”
en ik moet hardop lachen
want ’t is echt waar
maar dan nog

dag kleine meisje
achterop bij je mama op de fiets
ze draagt een rugzak en buigt naar voren
zo ver als ze kan
maar je kijkt me aan
zo van:
allemaal goed en wel maar
ik zit hier toch maar met een rugzak op schoot

dag slapende man
op die harde bank
je gezwollen gezicht in de ochtendzon
bloed op je wang en je lijkt nog zo jong
hoe vredig lig je daar
en ondanks de zware nacht
het harde leven dat jij kreeg
deed je toch je schoenen uit
zette die netjes naast elkaar
bij het bankje op de grond
want slapen doe je niet met schoenen aan

dag kindjes op jullie hurken
aan het einde van dat straatje
naast dat bloeiende struikje daar
druk in de weer met mijn kookpot
krijtjes pletten, blaadjes plukken en wroeten in de aarde
zeulen met een veel te grote gieter
roeren met stokken in een papje

dag jongetje
je ziet me en rent nu op me af
zo snel als je korte beentjes je kunnen dragen
dag meisje
je springt op en neer
jullie roepen:
mama, mama, mama!
steeds luider
alsof ik terugkom van een lange wereldreis
en ik heb me nog nooit ergens 
zo welkom en geliefd gevoeld

dag lieve vuile modderkindjes
in mijn armen nu
wat was het druk in de Colruyt
wat zijn er veel mensen en verhalen

en wat ben ik blij om nu hier bij jullie
met jullie zwarte nagels, snottebellen,
luide stemmen en zachte wangen
thuis te komen

het zou straks weer gaan regenen

na een nacht vol buien
fietsten we in de vroege ochtend door het park
één kind bij mij, het andere fietste zelf
ze taterden om het hardst

ik keek naar al dat groen
dat nog moe en loom
zwaar van al die liters
lag te bekomen

en bij de eerste zonnestralen
richtte het zich op: fris en hoopvol
damp steeg op uit de grond
en wij middenin die pracht
haalden diep adem en vielen stil

hij had de dochter over atomen verteld
dat alles daaruit bestaat
ze dacht daar nu al dágen over na

we zagen prille zwanenkuikens,
een veulen, een reiger en een specht
we lachten om de meerkoet
hoe die in het water dook
allemaal atomen, vroeg ze?
allemaal atomen, echt

en toen ik zei:
snuif eens diep, kijk eens om je heen
zie hoe wonderlijk die boom
zweeg zij eerst en juichte toen
ze wist wat niet uit atomen bestond:
haar schaduw en haar droom

nu dit was opgelost wat haar betrof
ze weer magie gevonden had 
vervolgden wij – alledrie tevreden nu –
onze weg door het Rivierenhof

ik zag haar alweer fronsen
hoorde het ongeduldige drummen van
nieuwe twijfels en vragen op een kier
het zou straks weer gaan regenen
maar nu scheen de zon
en wij waren hier

Herinnering

hoe we daar zaten op de stoeprand
knieën omhoog
het rook naar vers gras en warm geluk
het was in jouw stad
waar die oude eik stond
ik had
je gepord en jij riep uitgelaten
dat je mijn gezicht zó mooi vond

de zon die ons naar elkaar toe scheen
het danste in mij
onze hoofden dicht bijeen
en ik kon maar niet geloven
dat jouw hand daar net
en we ‘s avonds bij elkaar in bed

dat je zo veilig en lief was
zorgeloosheid morste
en mij laagje na laagje
bloot pelde

wij zouden nu groeien
misschien wel blijven

we zijn er nog
en na een lange winter schijnt de zon
hier en ook verderop een kind
ik ruik vers gras en jij zucht:
dat je mijn gezicht toch zó mooi vindt

mussen kwetteren en wij doen
alsof de zorgeloosheid nog in voorraad
en soms is dat genoeg

want de winter was lang
en wij zijn er nog