Herinnering

hoe we daar zaten op de stoeprand
knieën omhoog
het rook naar vers gras en warm geluk
het was in jouw stad
waar die oude eik stond
ik had
je gepord en jij riep uitgelaten
dat je mijn gezicht zó mooi vond

de zon die ons naar elkaar toe scheen
het danste in mij
onze hoofden dicht bijeen
en ik kon maar niet geloven
dat jouw hand daar net
en we ‘s avonds bij elkaar in bed

dat je zo veilig en lief was
zorgeloosheid morste
en mij laagje na laagje
bloot pelde

wij zouden nu groeien
misschien wel blijven

we zijn er nog
en na een lange winter schijnt de zon
hier en ook verderop een kind
ik ruik vers gras en jij zucht:
dat je mijn gezicht toch zó mooi vindt

mussen kwetteren en wij doen
alsof de zorgeloosheid nog in voorraad
en soms is dat genoeg

want de winter was lang
en wij zijn er nog

de jongen in de woestijn

Ik had een heerlijke ochtend met de kinderen in het park. 

We hadden het perfecte plekje gevonden, ik zat op een boomstam in de zon en zij klommen en plukten en wroetten en zongen. Kwamen af en toe iets tonen of vertellen of even knuffelen en ik dacht dat dit moment eeuwig mocht blijven duren.

En toen nam ik mijn gsm erbij. Of ook: wat je NIET moet doen als je wil dat een moment eeuwig blijft duren. Ik las het nieuws over de jongen van 10 jaar die 4 uur alleen had rondgezworven in de Texaanse woestijn. Het contrast met mijn idyllische momentje in het park kon niet groter zijn. Die gedachte brak mijn hart in 1000 stukjes. Zijn ondraaglijke situatie bleef me de hele dag achtervolgen dus ik schreef dit gedicht voor hem.

zullen we?

psst,
kom
kom eens hier
ja, hier bij mij
onder mijn arm is nog wat plaats
kom maar
ik zit hier
in dit hoekje
naast de kast
onder die plank
zie je?

zullen we hier even samen zitten?
en
deze onvoorspelbare
veranderlijke
wereld
die vandaag weer
veel te ver uitdijt
vergeten

zullen we gewoon voelen?
elkaars warmte
de troostende begrenzing van
die muur aan de ene
de kast aan de andere kant
en dan die geur van hout
de plank die iets te laag
waardoor we net niet
comfortabel zitten

zullen we gewoon even voelen?
deze te krappe ruimte en hoe
die gewoon is en wij
hier zijn
jij, mijn lief kind
en ik
zullen we rustig worden
ademen
ver weg van
de gevaarlijk uitdijende wereld

zullen we voelen?
grond onder onze voeten
jouw warme hand in de mijne
je lijf onder mijn arm
tot onze harten weer rustig kloppen

iets te warm wellicht
mijn nek pijnlijk
jouw knieën zeuren
en zullen we dan toch
nog wat langer
blijven zitten?

zullen we?

het is daar

het is daar op haar bed
dat geurt naar 
sluimerende slaap
bloemen
en wat vage restjes modder
in het vers krakende donker
terwijl haar ademhaling nog gejaagd
ze af en toe schrikt, kreunt,
haar hand omhoog vliegt
als een duiveltje-uit-een-doos

ze ‘ik wil niet slapen!’ roept
in haar slaap

het is daar aan haar voeten
dat de drukte van de dag
nog wat naschokt
in haar lijf
ze vertraagt
en ook mijn haasten en zuchten
mijn zenuwen en vluchten
uiteindelijk 
lang genoeg genegeerd
afdruipen
wegglippen
via de kier onder de deur

want het is stil geworden

het is daar in die stilte
aan haar voeten
op het bed
dat ik luister naar niets

en de woorden in mijn hoofd
dan pas
schuw
tevoorschijn komen 
zichtbaar worden 
zich ordenen

het is dan als ik
op het bed van mijn
slapende dochter zit
dat gedichten ontstaan
zoals nu, ineens,
dit

neergelegd

je was niet moe
je lijfje onrustig
ik
na zo’n vijf keer op en af
wél moe
had me erbij neergelegd
zag je in streepjes

jij stil nu – dat moest
maar ik zag je
eeuwig bewegen
benen de lucht in,
de knuffel liet je
alle hoeken van je bed zien
krassende nagels
luidruchtig gesmak
slaap nog ver weg

ik onderdrukte ergernis
focuste op je zachte lokken
die ik in gedachten aaide
luisterde naar je ademhaling

verbaasd plots
dat er nog leven was in deze kamer:
mijn god!
mijn kind
mijn prachtige kind

via
los van 
altijd deel van
mij

maar het was nogal veel
leven
op dit uur
ik zuchtte, geeuwde, wist
nog even volhouden
en dan is de slaap daar
ineens

ik had gelijk
ik zag het niet aankomen
voor ik er erg in had
sliep ik 

raceje

we gingen fietsen in het park
de sneeuw bleef niet liggen
dus we wilden proeven
en voelen bovenal

we keken naar boven
zagen witte pijltjes
vliegensvlug en niet te tellen
een zachte winterse aanval

frisse vlokjes tussen onze wimpers
in mijn neusgaten
eentje smolt (‘echt lekker!’)
op zijn uitgestoken tong

hij zei: ‘mama Tobe raceje doen?’
telde alvast af ‘1, 3, 5 start!’
hij zat op de fietsstoel vooraan
echt eerlijk was het niet
dus hij won

’t is niet eens poëzie

soms heb ik genoeg
zie ik het overal
wordt het alleen maar meer
volle teugen en armen vol
en dan wil ik morsen
troosten
uitdelen

‘t is heel gewoon:

de pompoen met look en rode ui in de oven
een beetje parmezaanse kaas erover
geraspt
en dat raspen zo’n woord is
dat helemaal klinkt zoals het doet
het licht hier binnen dat de zachte paarse blaadjes streelt
en dat strelen ook zo’n woord is
een beetje dille bij de rijst en zijn handpalm
haar vurige, groene ogen en tijdens het wandelen
de kool- of pimpelmeesjes, ik weet het nooit zeker
reigers, een witte zelfs, een roodborstje, een eekhoorn en moeten die nu niet winterslapen en is dat wel een werkwoord?
als ik geluk heb, en ik had al twee keer geluk, de ijsvogel
de geur die uit de winkel gewaaid komt
waar de deur altijd open
en nog wat restjes noten muziek het plein op
de lachrimpels vanachter hun mondmaskers in de klas
een stem die zich nestelt in de verre hoeken van het huis
lekker waspoeder van de fietser voor mij
die een trui waar ik mijn neus in wil
met een kap waar ik mijn hand onder wil, want altijd het warmste plekje
zachte, ronde woorden zoals bedeesd, blozend en duizelen

‘t is niet eens poëzie
en een beetje banaal
maar ‘t is schoon
dus ik heb het uitgedeeld