Ik had een heerlijke ochtend met de kinderen in het park.
We hadden het perfecte plekje gevonden, ik zat op een boomstam in de zon en zij klommen en plukten en wroetten en zongen. Kwamen af en toe iets tonen of vertellen of even knuffelen en ik dacht dat dit moment eeuwig mocht blijven duren.
En toen nam ik mijn gsm erbij. Of ook: wat je NIET moet doen als je wil dat een moment eeuwig blijft duren. Ik las het nieuws over de jongen van 10 jaar die 4 uur alleen had rondgezworven in de Texaanse woestijn. Het contrast met mijn idyllische momentje in het park kon niet groter zijn. Die gedachte brak mijn hart in 1000 stukjes. Zijn ondraaglijke situatie bleef me de hele dag achtervolgen dus ik schreef dit gedicht voor hem.
psst, kom kom eens hier ja, hier bij mij onder mijn arm is nog wat plaats kom maar ik zit hier in dit hoekje naast de kast onder die plank zie je?
zullen we hier even samen zitten? en deze onvoorspelbare veranderlijke wereld die vandaag weer veel te ver uitdijt vergeten
zullen we gewoon voelen? elkaars warmte de troostende begrenzing van die muur aan de ene de kast aan de andere kant en dan die geur van hout de plank die iets te laag waardoor we net niet comfortabel zitten
zullen we gewoon even voelen? deze te krappe ruimte en hoe die gewoon is en wij hier zijn jij, mijn lief kind en ik zullen we rustig worden ademen ver weg van de gevaarlijk uitdijende wereld
zullen we voelen? grond onder onze voeten jouw warme hand in de mijne je lijf onder mijn arm tot onze harten weer rustig kloppen
iets te warm wellicht mijn nek pijnlijk jouw knieën zeuren en zullen we dan toch nog wat langer blijven zitten?
het is daar op haar bed dat geurt naar sluimerende slaap bloemen en wat vage restjes modder in het vers krakende donker terwijl haar ademhaling nog gejaagd ze af en toe schrikt, kreunt, haar hand omhoog vliegt als een duiveltje-uit-een-doos
ze ‘ik wil niet slapen!’ roept in haar slaap
het is daar aan haar voeten dat de drukte van de dag nog wat naschokt in haar lijf ze vertraagt en ook mijn haasten en zuchten mijn zenuwen en vluchten uiteindelijk lang genoeg genegeerd afdruipen wegglippen via de kier onder de deur
want het is stil geworden
het is daar in die stilte aan haar voeten op het bed dat ik luister naar niets
en de woorden in mijn hoofd dan pas schuw tevoorschijn komen zichtbaar worden zich ordenen
het is dan als ik op het bed van mijn slapende dochter zit dat gedichten ontstaan zoals nu, ineens, dit
je was niet moe je lijfje onrustig ik na zo’n vijf keer op en af wél moe had me erbij neergelegd zag je in streepjes
jij stil nu – dat moest maar ik zag je eeuwig bewegen benen de lucht in, de knuffel liet je alle hoeken van je bed zien krassende nagels luidruchtig gesmak slaap nog ver weg
ik onderdrukte ergernis focuste op je zachte lokken die ik in gedachten aaide luisterde naar je ademhaling
verbaasd plots dat er nog leven was in deze kamer: mijn god! mijn kind mijn prachtige kind
via los van altijd deel van mij
maar het was nogal veel leven op dit uur ik zuchtte, geeuwde, wist nog even volhouden en dan is de slaap daar ineens
ik had gelijk ik zag het niet aankomen voor ik er erg in had sliep ik
soms heb ik genoeg zie ik het overal wordt het alleen maar meer volle teugen en armen vol en dan wil ik morsen troosten uitdelen
‘t is heel gewoon:
de pompoen met look en rode ui in de oven een beetje parmezaanse kaas erover geraspt en dat raspen zo’n woord is dat helemaal klinkt zoals het doet het licht hier binnen dat de zachte paarse blaadjes streelt en dat strelen ook zo’n woord is een beetje dille bij de rijst en zijn handpalm haar vurige, groene ogen en tijdens het wandelen de kool- of pimpelmeesjes, ik weet het nooit zeker reigers, een witte zelfs, een roodborstje, een eekhoorn en moeten die nu niet winterslapen en is dat wel een werkwoord? als ik geluk heb, en ik had al twee keer geluk, de ijsvogel de geur die uit de winkel gewaaid komt waar de deur altijd open en nog wat restjes noten muziek het plein op de lachrimpels vanachter hun mondmaskers in de klas een stem die zich nestelt in de verre hoeken van het huis lekker waspoeder van de fietser voor mij die een trui waar ik mijn neus in wil met een kap waar ik mijn hand onder wil, want altijd het warmste plekje zachte, ronde woorden zoals bedeesd, blozend en duizelen
‘t is niet eens poëzie en een beetje banaal maar ‘t is schoon dus ik heb het uitgedeeld
ik heb gedacht dat het perfect was op dat moment en gevoeld dat het vluchtig en breekbaar ik heb heel hard gelachen ik heb luid geschreeuwd tegen hem, voor het eerst daarna huilend gebeld naar haar, niet voor het eerst
ik heb gemist: hen eens goed vast pakken en de kinderen tevreden in hun armen de gezelligheid op een ander, de geuren in hun huizen, de dekentjes en mijn voeten opgetrokken in haar zetel vriendinnen, vertrouwd als zussen, te ver weg een tafel vol lekkers en een heleboel mensen daarrond
ik heb hen zo veel gezien, bewonderd: dat starten en ontwaken die explosie van groei, leven en licht terwijl alles rond hen stilviel
ik heb hen te veel gezien, wanhopig: om de strijd die zij altijd weer creëerde en wij maar zwaaien met onze witte vlaggen mijn hoofd tegen de muur, want zo ver over mijn grenzen (zelfs een “dubbelefakjoe”, de ultieme belediging uit mijn kindertijd die ergens diep verborgen zat en ineens onbeheersbaar naar boven borrelde)
ik heb gezongen zachtjes naast hun warme lijfjes in bed heel hard alleen in de auto terwijl tranen over mijn wangen
ik heb gevoeld verslindende, verlammende angst en voor het eerst met iemand gepraat geluk, in kleine beetjes en af en toe die heerlijke volle laag verdriet en dat het nog rauw, om wat nooit meer zal en zo schoon was tevredenheid om die beetjes geluk, dat lachen en dat groeien schaamte om mijn ontevredenheid want zoveel meer geluk dan anderen
ik heb gevoeld zijn ogen op mij gericht vol bewondering, begrip, adoratie, liefde en ook triest, ontgoocheld, verward, geërgerd zijn handen, zijn adem, zijn huid
en ik heb boekjes gestapeld, kruimels samen geveegd, de stinkende schotelvod in de wasmachine haartjes gekamd, nagels geknipt, vetvlekken van de keukenkast ik heb kleren geplooid, handjes gewassen, mondmaskers op 60 °C de slappe lach gehad gedanst in onze keuken in zijn achterwerk geknepen herhaaldelijk