voor alle kinderen uit Moria, nee, voor alle kinderen

als je maar kon horen:
het zingen van je moeder, spelende broertjes, een warme winterjas die wordt dichtgeritst,
het belletje in de tram, gelach en muziek, de stem van iemand die je mist

als je maar had:
een dak boven je hoofd, gevulde brooddoos, je beste vriend aan de schoolpoort,
een plek met verhalen, verbeelding en romantiek, iemand die je tranen hoort

als je maar kon ruiken:
pruttelende soep, zonnecrème, isobetadine op je bloedende knieën,
vers gewassen lakens, een geurende ovenschotel, nieuwe shampoo met vanille

als je maar kon voelen:
strelende handen, een kam door je haren, veiligheid, een zacht kussen,
stromend water, de deurklink van je huis, knuffelende ouders en jij ertussen

als je maar was:
geborgen, veilig, gezond, droog en warm, naar waarde geschat
als je maar kon komen, als je maar kon blijven, kom, blijf, wij kunnen dat

vanop de eerste rij

ze dansten
ze begroef haar neus in zijn nek
zijn geur die haar thuis was en zou blijven, zo hadden ze net beloofd
ze hadden de woorden uitgesproken
de hare zacht en vastberaden, de zijne aarzelend en breekbaar
wij hadden geluisterd, geknikt, geloofd, geklapt
en nu wiegden ze die woorden tussen hen in
heen en weer
ze streelden, koesterden ze, zouden er goed voor zorgen
hij wist zo weinig en toch zo veel
dat hij dit wilde, met haar
dat zij hem kende en toch wilde blijven
het beste was wat hem kon overkomen

we keken vanop op de eerste rij naar hun dans
hun verstrengelde vingers
haar tranen soms en hij die niet wist hoe ze te stoppen
zijn tranen en zij die ze soms niet zag
dan draaide één van hen zich om
of namen ze wat afstand
duwden zachtjes de ander weg
maar ze bleven dansen, wiegen
de woorden door hun warme lijven omringd,
door hun harten gekoesterd

wij bleven kijken, genieten, fronsen, herkennen
vanop de eerste rij
maar op één of andere manier hebben we niet gezien
dat zij op een dag
de woorden alleen droeg
dat hij te ver weg danste om ze nog te horen
in een onmetelijke duisternis, alleen
haar zwaartekracht geen effect meer op hem had
hij niet meer terug kon, wou
zij probeerde nog
maar de woorden te zwaar voor één
glipten weg tussen haar vingers en losten op

we dansen
ik denk aan onze woorden
wat wisten we zo weinig en toch zo veel
we huilen, onze vingers verstrengeld
we wiegen en troosten mekaar
stellen geen vragen, willen geen antwoorden
we weten zo veel
maar ook zo weinig
bang
maar fluisteren als een mantra:
we zullen niet loslaten

nooit meer

dat het nooit meer wij 4 in de zetel zal zijn
jaren met wijn, muziek, vragen en peilen en tranen en troost en stiltes en gelach
jaren van vechten, huilen en omarmen, van humor en genieten
van eerlijk en kennen
en denken dat we hiervoor konden vechten
dat wij konden zorgen dat dit zou blijven bestaan
dat dit altijd zou blijven bestaan

toen werd het wij 3 in de zetel
wij en zij
die eerste keer alleen, huilde eindeloos
onze dochter met grote ogen
nog nooit zo stil
nestelde zich op haar schoot
en bleef daar zitten, als een trouwe hond
wij vol ongeloof, pijn, zoveel verdriet om haar, hem, hun zoon
om ons

wij en hij diezelfde dag
en ik die alleen maar kon zien hoe hij er niet meer was
dat eerlijk en kennen een illusie
hoe wij niet konden vechten en hij niet wilde vechten
wij machteloze toeschouwers
onze vuisten klaar
maar het werden handen die streelden
armen die vasthielden wat gebroken was

wij 2 in hun zetel
ik vanaf nu op zijn plaats
zijn geur nog daar
die hoek gevormd door hem, voor hem
en ik pas niet helemaal
zij kreunt en huilt en is zo mooi
ze rouwt en probeert moedig niet kapot te gaan
en mijn hart breekt
omdat ze valt en ik haar niet kan vangen

zij 2 in onze zetel
onze dochter in haar armen
terwijl ze ook haar eigen zoon wiegt
ze sluit haar ogen
haar gezicht getekend door het vele huilen, nachten zonder slaap,
de pijn, paniek, wanhoop
en toch is ze zo mooi
onze eeuwig onrustige dochter thuis bij haar
hoe ze brak en blijft breken
en toch nog kan geven

hij weer
ik één en al vuist
maar dan die blik, die pijn, die peilloze diepte in zijn ogen
en ik voel alleen maar liefde
en verdriet, zoveel verdriet om wat nooit meer zal zijn

fotomaart-35

1 jaar

je lange, krullende wimpers
als wijsvingers die ons wenken:
kom dan
en we komen maar al te graag

aan de borst aai je zachtjes mijn arm
op en neer
alsof je wil zeggen:
je doet het goed mama
een bank vooruit
en een kus van de juf

je voelt geen haast om dingen te leren
’t is goed zoals het is
je blijft graag zitten waar je zit
zolang wij in de buurt zijn
en er genoeg wordt aangedragen
het liefst met touwtjes en lintjes
zodat je vingertjes kunnen wriemelen en frullen

je voelt je nog een pasgeboren baby denk ik soms
hulpeloos en afhankelijk
of een oud ventje
wijs, in rust
en een beetje lui

je voetjes zachte kussentjes
die kusjes vragen
waarna steevast geschater volgt
geschater ook als je moe bent
en zij zich weer eens huilend op de grond werpt
prachtig theater vind je dat
dramatiek ten top
en als ze schreeuwt:
HET IS NÍET GRAPPIG!
dan kom je niet meer bij

en soms, steeds vaker
is daar ineens datzelfde drama
laat je zien dat ook jij pittig kan zijn
dat er ook wel wat vuur schuilt
in die schijnbaar immer tevreden boeddha
wij kennen pittig
wij kunnen dat aan
laat maar komen!

clone tag: -1366306718377907982

altijd genoeg

zij was een storm, een prachtige storm
raasde eerst door mijn lichaam en dan door ons huis en onze harten
ze gooide alles maar dan ook alles overhoop
en ik wist niets meer:
waar te zitten, hoe te staan, wat te voelen, wie ik was
ze stormde in mijn hart en hoofd
op den duur wist ik: dat ik zo’n liefde nog nooit gevoeld had, liefde die me beangstigde en wezenlijk veranderde,
ik was méér geworden (‘mama’ ofzo) en moest mezelf opnieuw leren kennen
die jaren met haar, het zijn de moeilijkste en mooiste uit mijn leven
jaren vol worsteling, wanhoop, twijfels en frustratie
maar ook: bakken liefde, geduld, begrip en ontroering
nodig om haar ruimte te geven om te stormen, de bliksem en donder een plaats te geven
en ook te bewonderen maar die de storm in haar ook af en toe kunnen doen liggen

hij is een riviertje, een heerlijk riviertje
vloeide door mijn lichaam en kabbelde ons huis binnen
stilletjes en voorzichtig alsof hij ons niet wou storen
en ik weet het nu:
waar ik zit en waarom, wat ik voel, wie ik ben
hij brengt rust in mijn hart en hoofd
de alles overweldigende liefde ken en herken ik, maakt me niet meer bang,
ik hoefde maar één keer mama te wórden, deze keer ben ik het gewoon
ik weet wie ik ben en dat het goed is zo
de eerste weken met hem erbij kloppen helemaal
weken waarin zij stormt en hij kabbelt, en soms andersom, wij worstelen en twijfelen
maar onze bakken vol liefde, geduld, begrip en ontroering staan in elke kamer van dit
huis en er is genoeg voor hen samen, niet altijd (zoals er ook niet altijd genoeg was voor haar alleen)

maar uiteindelijk wel, altijd

wat een prachtbuit, die twee

een broer

het was lang wachten, jij een brokje ongeduld
maar nu eindelijk: een broer

geniet van zijn zachte wangen
als je natte kusjes geeft
wieg hem en zing voor hem
en vang zo zijn pril verdriet

wees maar boos als hij je stoort
en je speelgoed en aandacht moet delen
vecht voor jouw plekje bij ons

maar als je samen groeit, word zijn vriend
leer hem deugnieterij, heb geheimen, wijd hem in
wees vier vieze handjes op één buik

en als jullie en ook de zorgen groter worden
het leven soms zwaar
vang elkaars verdriet, raak elkaar niet kwijt

want het was lang wachten, maar jij gerustgesteld:
een broer is voor altijd

slaaa-peeeun

het begin met jou leek nooit voorbij te gaan
een beetje eeuwig zweven
een kluwen van dagen en nachten
je sliep op mij, huilde bij mij, hing tegen mij,
je lijfje als een puzzelstukje
paste me perfect, maakte me compleet soms
of juist hol, als een parasiet die me wegvrat

de tijd stond stil en alles was zo groots:
wanhoop en ontroering zonder einde
jouw huilen waanzinnig luid
je geur waar ik nooit genoeg kon van krijgen
het leek soms alsof ik daar uren, dagen, jaren lag
met mijn neus in je nekje

het was een wolk, soms roze soms heel donker,
die het concrete, het praktische, het relativeren, het luchtige
ver oversteeg

nu zwaai jij ‘dag’ naar de poes
maait wild met je armen en roept ‘paadje!’ naar alle hondjes die je ziet
je schudt resoluut ‘nee’
komt met je schoentjes in de hand aangelopen want de zon schijnt
wij naar ons werk, jij naar de crèche,
waar je kushandjes leert werpen en handjes draaien
alles zo concreet geworden, zo praktisch
en ik nog zelden zo wanhopig of ontroerd
de tijd tikt vrolijk verder
ik opgelucht

maar als jij ’s avonds moe bent en huilend je handjes uitstrekt,
tranen op je wangen, een veeg snot naast je oog
dan pak ik je op en jij schurkt je lijfje tegen me aan, hoofdje op mijn schouder
je gezichtje eerst nog zo verongelijkt
nu sluit je tevreden je oogjes
je past me nog perfect
ik weer iets vollediger, wij iets eeuwiger
alles valt samen en jij fluistert: ‘slaaa-peeeun’

carryon-2T

applaus

eerst was het dat hulpeloze huilen
volledig afhankelijk, afwachtend
dat kleine, lichte pluimpje op mijn arm
die zoekende lipjes
en dan, als ze vonden wat ze zochten
dat verwoede drinken
eerst haastig en steeds rustiger en vrediger
die symbiose
zij als verlenging van mij
hoe zij enkel hier rust vond in het begin
en hoe wij samen adem haalden
op het ritme van elkaars lichaam
verzonken in elkaars geur & warmte
één

nu, 14,5 maand later, is het dat sterke dametje
dat naar me toe komt en aan mijn t-shirt trekt
ze weet wat ze wil:
drinken maar óók een boekje lezen
en liefst nog mét pop onder de arm gekneld
dat dametje dat na het drinken applaudisseert
mijn borst dag zwaait
of boos protesteert als ze nog niet klaar is
beide borsten ter beschikking wil
om dan afwisselend van de ene en van de andere te drinken
als een spel
een eigen persoontje
speels, actief, boos, hyper
de symbiose en rust ver te zoeken

het is heel mooi geweest
maar het einde zit er al een tijdje aan te komen
ik stelde het uit
koester dat moment waarop zij bij mij komt
in ons hoekje in de zetel
hoe ze naar mij kijkt tijdens het drinken
met haar mollige handje mijn andere borst aait

maar het is mooi geweest
mijn pittig dametje met haar eigen ik
is al een tijdje klaar voor iets meer los van mama
dus ik ga al wat oefenen
stap één van het grote loslaten
dag borst
applaus

sporrewoan

elke dag is ongeveer hetzelfde:
ze kan vandaag ongeveer even weinig als gisteren
ze is vandaag ongeveer zo klein als gisteren

en zo gaat dat nu al tien maand
dus moet ze toch ongeveer
zo klein zijn en zo weinig kunnen
als tien maand geleden

maar ze schatert en ik kijk op
het lijkt zo plots
dit vinnig explorerend mensje
een sporrewoan zoals opa haar noemt
ze kan zo ongelooflijk veel al

stond net haar papa te assisteren bij het uitladen van de vaatwasmachine
wijst en kruipt en stapt en trekt en is boos en proest en brabbelt en
slaat blokjes tegen elkaar en charmeert en luistert en luistert niet

zij zit daar, ze kijkt me aan met die grote, vertrouwde ogen
verwonderd om mijn tranen
wijst ze en kruipt naar me toe

zo plots is dit meisje, dit prachtige meisje, een peutertje geworden
en ik huil daarom

omdat ik haar al mis, toen ze nog in mij
en ook lang daarna nog deel van mij was
maar ook omdat ik haar zo mooi vind
en elke dag mooier
omdat ik zo dankbaar ben om haar
om haar vingertje dat aarzelend mijn tranen aanwijst
en daarna resoluut in mijn neusgat verdwijnt

img_3927-2