en het antwoord is zacht

zacht zijn
van verlangen van
verbinden
van verlies zonder bitter
winnen zonder waan

zacht van omarmen
van compassie
verlangen zonder schaarste
zacht van genoeg van overvloed
van genezen van
vurig wensen
van strijden
voor mensen
die zinken door lijden

zacht zijn
van raken van
aanraken van
gestreeld gekrabd geroerd
zacht van zien en gezien
van mildheid en hoop

zacht van deuren opendoen
van stappen klimmen springen
van groeien zonder ver-
zacht van zuchten
van verlichting van genot van tevreden
zacht van
lippen op blozende wangen
van wiegen gedragen omgeven

zacht zijn
van raadsels als
wat is krachtiger dan hard?
het antwoord is: zacht
en het antwoord is zacht

ik ben soms zo dankbaar, ik ben soms zo bang

Vier september, de stilte hangt weldadig in de keuken. Ik drink koffie, zie hoe in de tuin de vroege ochtend zich presenteert, zich niet bewust van haar toeschouwer. De ramen van de serre zijn beslagen, mezen, vinken, putters bij de rozenbottelstruik. De dag die al wat licht (het mooiste) vooruit heeft gestuurd. Als een aankondiging. Ik zie de vroege ochtend. Anders dan de voorbije weken, toen we rond dit uur nog sliepen en die vroege ochtenden skipten. Bloot en opgekruld, de plakkerige lakens ergens in de nacht van ons afgeworpen. Tijdens die zomermaanden de dag wat vooruit geduwd, opgeschoven, waardoor de ochtend moest beginnen zonder toeschouwers en er ‘s avonds laat nog kindervoeten de trappen op en af renden.

Ik open een nieuwssite, het is sterker dan mezelf. Ik schrik, word triest, boos, bang zoals steeds. Dit leven, deze overvloed, dit geluk: zo fragiel. Ik wil niet verder lezen. Niet afdalen, niet de duisternis in die als een donkere wolk deze frisse septemberochtend bedreigt. Liever wil ik uit het raam kijken nu. De ochtend beleven. Over een half uur zal ik boven een wekker horen afgaan. Een rolluik dat wordt opgetrokken, gestommel in de badkamer. Het zoontje zal aangekleed en fris beneden komen. Zich meteen op mijn schoot nestelen. Alsof hij me gemist heeft, de hele nacht. Misschien vertelt hij een droom. De dochter zal nog even blijven worstelen met de slaap tot we nog eens en nog eens roepen. Een gefrustreerde brul zal door het huis klinken. Ze zal met ongekamde haren en een donkere blik de keuken binnenstampen. Het zal niet lang duren. Als wij onze mond houden op het juiste moment en haar herinneren aan iets leuks later vandaag, zal ze opklaren. De man zal meteen druk in de weer zijn. Koffie zetten, in de koelkast rommelen, boterhammen smeren. En ik zal me een beetje schuldig voelen dat ik hier al zolang zit. Dat ik dat eigenlijk al had kunnen doen. Maar dan mijn zoon zijn lijfje tegen me aangedrukt voelen en blij zijn dat ik hier zat, dat mijn schoot het eerste was dat hij zag. 

Maar het is nu nog stil. Ik ben nog alleen en kijk uit het raam. De vroege ochtend presenteert zich, doet zo z’n best en het is intiem en zacht en ik zou me diep gelukkig kunnen voelen maar krijg de duisternis niet goed weggeduwd. De ochtend, de rust, dit leven: zo fragiel. Zo dankbaar ben ik opeens dat straks die wekker gaat. Zo verlangend naar de stilte die zal oplossen. De duisternis die zal wegtrekken. Verlangend naar de liefde die, samen met verwarde haren, rammelende borden, dromen die opgedist worden, plannen die gemaakt worden, onze keuken zal binnenrollen en opstuiven en rond dwarrelen als een stofwolk. Opeens voelt de keukentafel zo leeg. Jeuken mijn armen van leegte, ben ik één en al ongeduld. Zo graag wil ik nu vasthouden wat ik heb. Hen ruiken, horen, voelen. Mezelf ervan verzekeren dat ze er nog zijn. Dat geen enkele psychopaat met macht hen van me zal wegscheuren. Deze vrede, deze rust, dit geluk aan diggelen zal slaan. Ik ben soms zo dankbaar, ik ben soms zo bang.

De wekker gaat af. Ik ben soms zo dankbaar, ik ben soms zo bang. 

viskom

ik zie op het scherm hoe hij 
met bolle wangen 
kaarsjes uitblaast
lipjes, een neus en een blik
zo aandoenlijk
van een kind duidelijk 
twee jaar jonger nog
dan de jongen hier nu
op mijn schoot 

nu ligt hij
hangt hij 
in mijn heupen
als een vis
wat gevouwen 
in een plots te krappe viskom
het stoort hem niet 
zijn hand aait verstrooid mijn wang

ik trok gisteren twee tanden 
vlak na elkaar 
de tweede stuiterde zijn mond uit 
hij lachte (nadat hij huilde) 
en die twee plotse zwarte gaten 
slokten alle laatste restjes kleuter op

hij hangt languit nu
ledematen alle kanten op
ik de te krappe viskom
maar zijn hand aait verstrooid mijn wang 
en het stoort niet 

zacht

We hebben het weer vlaggen. Eergisteren en gisteren kamde ik respectievelijk 12 en 8 luizen uit de haren van het zoontje en ik moet eerlijk zijn, ik genoot van deze reuzevangst. In mijn eigen haren vond ik er slechts 2, wat best teleurstellend was. De laatste jaren werden we ervaringsdeskundigen en intussen gaat het uitkammen hier gepaard met een ritueel. Ik zoek een lange haar (aangezien ik zowat de helft van mijn haar uittrek tijdens het kammen, is dat niet moeilijk) die ik in een cirkel rond de luizen schik. Het duurt dan niet lang voor elke luis op diezelfde haar klimt en rond begint te kruipen. Het lijkt een soort vrolijke carrousel met grote en kleinere exemplaren, die ieder een ander tempo aanhouden en dus al snel tegen elkaar op botsen. Ik hoor ze in gedachten met hoge stemmetjes kazoo spelen of cimbalen tegen elkaar slaan. De meeste luizen gaan dezelfde richting op, maar er zijn altijd een paar tegendraadse beestjes die de andere richting kiezen, dat zijn mijn favorieten. Als ik klaar ben met kammen, heb ik ze nog net geen namen gegeven en met spijt in het hart, stofzuig ik ze dan (allemaal, zelfs mijn favorieten) op. En met evenveel spijt in het hart, moeten de kinderen en ik dan aan de luizenshampoo, wetende dat ik nadien hoogstens nog dode luizen uit de haren ga kammen, die voorlopig koppig weigeren deel te nemen aan het carrouselexperiment. Dat schijnt kenmerkend te zijn voor dode luizen.

Ik lees de gebruiksaanwijzing van het product en het zinnetje “Spoel het haar vervolgens uit met een zachte shampoo” trekt mijn aandacht. Zachte shampoo. Wat is dat? Zou er ook shampoo verkocht worden die pretendeert niet zacht te zijn? “Agressieve shampoo”. Een giftig, bijtend goedje dat je lekker voelt branden op de hoofdhuid. Dat op de adem pakt en slecht is voor je haar én voor het milieu. Met een extra shotje parabenen. Zou daar een publiek voor zijn? Ik kan me er wel iets bij voorstellen. Mensen die vinden dat iedereen tegenwoordig veel te soft geworden is. Dat kinderen gewoon af en toe nog eens een goed pak slaag verdienen. Dat er de dag van vandaag geen echte mannen meer zijn. Dat al dat gedoe over zorg dragen voor de planeet en de medemens complete onzin is. Dat minderheden niet zo moeten zagen. Die de auto nemen om iets te halen bij de apotheek om de hoek en 3 extra plastic zakjes vragen in de winkel. Die dromen van een apocalyptische tijd waarin de aarde bijna compleet verwoest is en de mensheid nog net niet uitgestorven. Want zij leven nog, uiteraard. Gehard door die giftige shampoo die ze al die jaren ter voorbereiding gebruikten. Ronddwalend met een kalasjnikov, klaar voor de constante aanvallen van zombies en buitenaardse wezens. Die nu eindelijk (aan die 3 andere mensen die ook nog in leven zijn) kunnen tonen wat dat is: man zijn. (want ik schreef wel ‘mensen’ maar ik denk toch dat ik eerder ‘mannen’ bedoel) 

Ik lach ermee maar ik denk wel te begrijpen waarom er ‘zacht’ staat in die gebruiksaanwijzing. Het woord wil iets goedmaken. Het wil je doen vergeten dat je net een uur lang chemisch spul in je haar en hoofdhuid liet intrekken. Het wil je het gevoel geven dat er iets goed te maken valt. 

Taal is een construct. Taal schiet te kort. Taal kan zoveel níet zeggen. Verarmt. Je geeft je gedicht, je brief, je maand een titel en opeens is het enkel dat nog. Je gebruikt een metafoor maar doet jezelf en de ander daarmee zoveel te kort. Je zit naast elkaar in de zetel en zoekt woorden voor die vertwijfeling, dat barstje, die onrust, maar ze bestaan nooit allemaal, de woorden die je nodig hebt. En dus zwijg je. En zakt dat onbeschrijfelijke in een diepte waar je steeds moeilijker bij kan. Dat ongemerkt groeit en zich dan tegen je keert. Niet meer te temmen, niet in een carrousel te vangen, onmogelijk nog op te stofzuigen.

En dan lees je een boek of stapels boeken. Gedichten. Een gebruiksaanwijzing. En tussen al die woorden vind je exact dat wat onbeschrijfelijk is. Niet 1 keer maar wel honderd keren. Op zoveel manieren. En daar zit je dan met dat boek en die lege fles luizenshampoo op je schoot en plots komt dat onbeschrijfelijke naar boven drijven, aaibaar, mak als een lammetje. Het wil alleen nog gezien worden. Vastgepakt. 

En er is iemand die schrijft over een “zachte shampoo” na een luizenbehandeling. En dat slaat eigenlijk nergens op. Maar ik wil geloven dat de schrijver daarmee wat troost de wereld instuurt. Dat het een metafoor is. Een metafoor die tekortschiet weliswaar. Die niets verandert aan de toestand van je haren noch aan die van de wereld. Maar toch. Als ik mijn haar was na de behandeling, met exact dezelfde shampoo die ik altijd gebruik, voel ik deze keer de zachtheid, de troost. Ik laat mijn handen met iets meer zorg en aandacht door mijn haren glijden. Ik voel dat er iets goed te maken valt. Dat er misschien een manier is om goed te maken, te verzachten wat je eerst bijna kapot maakte. Niet door de shampoo zelf, maar door dat ene woord, zacht, dat alles verandert. Want ook dat doet taal.

Zeg eens wit

Zondagnamiddag. De zon schijnt ons huis binnen, er wordt een domino parcours gemaakt met Kapla blokken en er wordt geconcentreerd gepuzzeld. Maar niet door mij. Ik kocht een puzzel van 1000 stukjes in de Kringwinkel. Dacht, misschien is het wel fijn om ‘s avonds samen met de kinderen te doen. Misschien word ik daar wel rustig van. Misschien doet me dat goed, dat is toch een ding hé, volwassenen die puzzelen? Wat klassieke muziek op de achtergrond en dan harmonieus met de dochter zoeken en proberen. Lekker meditatief. Zo stelde ik me dat voor. Ideaal voor haar om rustig te worden na een drukke dag vol prikkels en frustraties (“Ik kan niets!”). 

Dat bleek helemaal te kloppen. Het gedeelte over mijn dochter tenminste. Maar ik had mezelf eerder fout ingeschat. Wat een vermoeiend en frustrerend karwei is dat eigenlijk, puzzelen? Hoezo meditatief?! Het werd al heel snel duidelijk dat dit toch eerder een projectje voor de man en de dochter zou zijn. Af en toe roept ze me, vraagt of ik er niet even gezellig kom bijzitten. Dat het echt leuk is. Zij rustig neuriend. En dan zit ik daar, 5, 10, 15 minuten te turen, vind geen enkel passend stukje en word daar toch zo ongedurig en slechtgezind van. Liefst van al wil ik dan rechtspringen, “ik kan niets!” schreeuwen en de hele puzzel door de kamer gooien. Ik doe dat natúúrlijk niet. Ik ben volwassen! Ik bewaar mijn cool en zeg nonchalant iets in trant van: dit is zo saai, ik ga iets anders doen. En geef mezelf in gedachten trots een schouderklopje.

Het zoontje zingt op het toilet: ‘Wie vindt kaka lekker? Wie vindt kaka lekker?’ Aan zijn teksten moet misschien nog een beetje gesleuteld worden, maar hij zingt mooi en graag. Ik vroeg onlangs of hij geen muziekschool zou willen volgen. Hij moest daarvoor eerst het fijne weten van die muziekschool. Hoe lang je naar die school kon gaan bijvoorbeeld. Hij vond het bevreemdend dat dit eigenlijk je hele leven kan, als je dat wil. ‘Zelfs tot vlak voor je dood gaat?’ En ‘Zelfs tot jullie gaan verhuizen als ik groot ben?’ Ik wees hem er op dat niet wij, maar hij zelf zal moeten verhuizen als hij groot is. Hij was verward. Keek bezorgd. ‘Moet ik dan alles zelf inpakken of gaan jullie mij helpen?’ Ik verzekerde hem dat we hem dan gerust wilden helpen met het inpakken. De concrete taakverdeling stelde ik liever nog uit, dat vond hij lastig. Maar hij concludeerde, op basis van de verzamelde informatie, dat hij niet naar de muziekschool wilde. Voor je het wist ging je dood, of erger nog: moest je het huis uit en was je alles zelf aan het inpakken. De horror!

Even later hoor ik hem de woordjes oefenen die hij leerde op school. Ik hoor hem hakken en plakken zoals ik mijn andersgealfabetiseerde cursisten deze dagen ook aan het leren ben. Of toch bijna. Ik hoor: z uu s: zuus, k uu s: kuus, v ie s; vies, ie k: iek, m ie k: miek, … Ik wil hem corrigeren: zus, kus, vis, ik, maar weet dat het geen zin heeft want zo leerde hij en zo zal hij het zijn hele leven zeggen. Ik moet denken aan de hevige discussies die we als tieners hadden op kamp toen we voor het eerst hoorden dat die Antwerpenaeren ‘vies’ zeiden tegen een vis en wij overtuigd waren dat onze ‘ves’ de enige juiste uitspraak was. 

Hij leerde ook de ‘z’ en vertelt me opgewonden over een superheld, die – wel een beetje slordig maar ja, dat kan je ook niet zo netjes doen als je intussen aan het vechten bent, zegt hij kritisch doch begripvol – overal een z schrijft met zijn sabel. Zorro! Oh nostalgie! Mijn broers en ik hebben daar als kind zo vaak naar gekeken. Ik zoek een oude zwart-wit aflevering op Youtube en kijk er met de kinderen naar. Die intro! Die stem van Diego De La Vega. Zijn snorretje! Sergeant Garcia (van wie ik mijn eerste Engels zinnetje: “open the gates” leerde), de spanning, de muziek! Er vallen meerdere doden, dat maakt op de kinderen toch meer indruk dan dat op mij als kind deed. Op het einde vraagt de schone die door Zorro net uit de handen van de bandieten werd bevrijd, hoe ze hem toch ooit kan bedanken. Waarop hij geen moment aarzelt, haar in zijn armen neemt, uitgebreid kust en dan de donkere nacht in rijdt op Tornado. Zij blijft zwijmelend achter. Ik moet heel hard lachen en de kinderen begrijpen er niets van. Andere tijden. 

De dochter heeft op de achterkant van een verkiezingsposter een lijstje met moppen geschreven. ‘Wijs eens naar je neus?’ – wijsneus! ‘Zeg eens groen?’ – Je bent een pompoen. ‘Zeg eens zwart?’ – Je snurkt te hard. Ik leer haar enthousiast mijn eigen favorieten: ‘Zeg eens oranje?’ – Uw onderbroek ligt nog in Spanje. Moeders mopjes worden hier over het algemeen zeer kritisch onthaald, maar ze moeten toegeven, uw onderbroek in Spanje, da’s een goeie! Ik ben nu op dreef: ‘Zeg eens wit?’- Ge zit met uw lief op toilet! Ik moet zelf heel hard lachen, maar mijn kinderen kijken me fronsend aan. Wit, toilet, dat rijmt toch helemaal niet! Dat rijmt inderdaad niet als je wit uitspreekt als “wiet” in plaats van als “wet” lieve kinderen. Ik draai eens met mijn ogen en herhaal de mop in gedachten. In het West-Vlaams rijmt het wél, dus ik gniffel nog eens. Met uw lief op toilet. Haha! Die twee snotapen echter verrekken geen spier. 

Ik besluit hen mijn hilarische input verder te ontzeggen, pech voor hen, en duik de tuin in. Er bloeien nog wat zonnebloemen, dahlia’s en Oost-Indische kers. Nog even een tuin vol kleur en groen, schitterend in de oktoberzon. De rozenbottelstruik en zonnebloemen worden druk bezocht door meesjes en het is een genot om hen bezig te zien. Ik stopte her en der allerhande bloembollen in de grond die ik nu probeer te vergeten, zodat ze me in februari kunnen verrassen. In de serre steken de reusachtige tomatenplanten hun allerlaatste restjes energie in nog enkele tomaten, terwijl ze al geel kleuren en het proces van afsterven reeds in gang is gezet. Ik besluit dat het goed geweest is en sleur ze naar buiten, ze gaan de groencontainer in en de serre lijkt ineens zoveel lichter en ruimer. Ik hang de planken terug en geef er mijn aardbeienplantjes een plekje. Ik ben er wellicht veel te laat mee, maar besluit de vele uitlopers nog te stekken. Ik veeg mijn serre nog even schoon en kijk tevreden naar het resultaat. 

Het zonnetje schijnt binnen en het ruikt heerlijk naar herfst. Ik zie het al helemaal voor me. Ik ga hier, in het allermooiste herfstlicht, tussen de aardbeienplantjes, de komende maanden veel tijd doorbrengen. Een dekentje, een boek, een schrift. Lezen, schrijven en wegvluchten van puzzels en dat Antwerpse gespuis dat maar al te graag de spot drijft met hun West-Vlaamse moeder. Dát is nu eens rustgevend en meditatief! 

veurberaaid

Ik zing al de hele week de altlijn van een Italiaans nummer dat we inoefenden in het koor. Al heb ik geen bijzondere stem noch talent voor al die vreemde talen (intussen is de tekst die ik zing dan ook een compleet verzonnen doch nog enigszins Italiaanse klinkende versie van het origineel), melodieën nestelen zich zeer snel in mijn hoofd en blijven daar vlotjes – en ook iets te hardnekkig – hangen. Intussen kwam deze altlijn al zo vaak langs dat die voor eeuwig in mijn geheugen gebrand lijkt.

De kinderen zijn allebei op kamp met hun klas, dus na het werk moet ik helemaal nergens zijn en is er niemand die mij nodig heeft. Wat een genot. 

Ik fiets naar mijn favoriete tweedehandswinkel. Sinds ik ontdekte dat er in Antwerpen 5 van zijn, koop ik uitsluitend nog mijn kleren daar. Hoe fijn is het om daar te winkelen: er staat goeie muziek op, iedereen is lief en lijkt even verstrooid dromerig als ik me daar meestal voel. De winkels zijn klein, er hangt een ontspannen sfeer, ik glimlach naar iedereen en iedereen glimlacht terug. Na een snelle scan heb ik meestal een 3-tal leuke kledingstukken uitgezocht waar ik na het passen één van koop. 10 minuten duurt dat dan, niet langer en vandaag is alles aan vijf euro. Alles wat ik tegen shoppen heb (die geur! dat lawaai! te groot! ik vind de roltrap niet! te veel keuze! te veel mensen! te duur! te goedkoop! waar zijn de pashokjes? dat gebiep! ik vind de uitgang niet! ik wil hier weg!) vervalt hier. 

Ik spot al snel een leuk vestje en juich inwendig als het mijn maat blijkt. Bij de pashokjes roept een vrouw verrukt dat de schoenen passen! Mensen kijken op. Ze vertelt aan iedereen die het wil horen dat dit een prachtige dag is. Een topdag! Ze vond net al een goede regenjas én nu ook nog deze wandelschoenen. En dat voor vijf euro! Ze praat luid en opgetogen en wij lachen allemaal met haar mee. Ik voelde een gelijkaardige verrukking toen ik dat mooie vestje vond en ben nu lichtelijk jaloers op het feit dat zij ons zo ongegeneerd deel maakt van haar vreugde. Aan de kassa zegt ze nog: je weet natuurlijk niet of het een koude winter wordt, maar “we zin veurberaaid!” En ik knik bevestigend. Ik ben oprecht blij dat zij, áls het een koude winter wordt, haar dikke winterjas en wandelschoenen zal hebben. Ik zou bijna een strenge winter wensen, alleen voor haar. Vrolijk stap ik buiten. 

Ik wil nog even naar een andere winkel, die met de twee kruiden in de naam. Ik heb daar niets nodig maar in mijn klas zit een jongeman die naar die winkel ruikt. Telkens als ik bij zijn tafel kom, moet ik me inhouden om niet plots ongecontroleerd in zijn nek te gaan snuffelen. Ik heb iets met geuren. De man noemt me wel eens de bloedhond. Andere deo, een uur daarvoor chips gegeten, kleren die een jaar in de kast hebben gelegen en nog naar een vorig wasmiddel ruiken, ‘s avonds een vaag parfum van iemand die hem die ochtend een knuffel gaf, stiekem ergens fastfood gegeten, ik ruik het allemaal! Maar zoals je dus dat drankje wil kopen dat je net onbewust in een film zag passeren, zo wil je blijkbaar ook naar die winkel als je cursist er naar ruikt. Misschien leveren ze wel aan het asielcentrum, waar hij verblijft, en zit daar een hele marketingstrategie achter. Zó strikken ze die onwetende, argeloze lesgevers Nederlands dus in hun netten!

Tot mijn lichte weerzin is er al een hele afdeling kerstartikelen te vinden. Het is eind september en ik hou van de herfst en de waanzinnig lekkere geur die nu in het park hangt (een geur die zelfs de winkel met de twee kruiden nooit zal kunnen vangen). Toch ben ik ook nog niet helemaal klaar met de zomer. Mijn tuin probeert me wat te helpen, ik zaaide 2 keer zonnebloemen, 1 keer in mei en 1 keer eind juli. De eerste zijn nu bijna uitgebloeid en worden dagelijks bezocht door een troep halsbandparkieten die ervan smullen. De tweede groep zonnebloemen begint, geheel volgens plan, nu pas te bloeien, machtig is dat! 

En toch is het eind september en ruikt het, zelfs in mijn tuin, ontegensprekelijk naar herfst. En dat terwijl het gisteren lijkt dat de man en ik gingen trekken met de tent op de rug langs de Opaalkust, dat we later met ons vier in het schitterende Basel met het kabelbootje vol vlaggetjes de Rijn over staken, we prachtige bergwandelingen maakten tussen de stieren (waar enkel ik bang voor was), onze kinderen in het airbnb-huisje ‘s morgens in stilte of zacht zingend met Kapla speelden terwijl wij uitsliepen, waardoor de eigenaars dachten dat wij zo’n goeie ouders waren (HAHAHA). Dat we met mijn broer, schoonzus en de lieve nichtjes in die prachtige villa aan het Lago Maggiore arriveerden. De villa mét piano die helemaal de sfeer van mijn lievelingsfilm ‘Call me by your name’ uitademde. Helaas speelt niemand van ons deftig piano waardoor er de hele week dat ene zelfde melodietje weerklonk dat een onbedachtzaam iemand (ik noem geen namen) de kinderen de eerste dag leerde (oké ik beken, ik was het). Waar ik de was, die bijna instant droogde in de hete lucht, ophing, geassisteerd door mijn zoontje die met een stokje de onderbroeken uit de mand viste en me aanreikte. Waar de schoonzus me diep ontroerde terwijl ze zong en ukelele speelde, de koffie hemels smaakte, het water helder blauw, de hangmatten zacht en uitnodigend. 

Ik kan, nagenietend van de zomer, gerust aanvaarden dat het herfst is. Uitkijken zelfs. Naar die zachtige, zonnige herfstdagen buiten waar qua kleuren en geuren eigenlijk niets aan kan tippen. Maar zo’n afdeling vol kerstartikelen is er over, lieve winkelmetdetweekruiden. Er los over. Ondanks de geur en de rustgevende klassieke muziek, besluit ik er uit stil protest niets te kopen. Daar gaat hun hele marketingstrategie. HA! Mij hebben ze niet liggen! 

Ik adem nog even diep en genietend in voor ik de winkel verlaat. Buiten kan ik de herfst weer inademen. En vanavond snuffelen aan mijn stinkende kinderen die thuis zullen komen van het kamp. Dat zijn de enige momenten waarin deze bloedhond kan genieten van stank. Sterker nog, als ik zou moeten kiezen, kies ik altijd die stinkende kinderen vol verhalen, luizen, zand, de snotneuzen tegen mijn wang, de zwarte nagels, de zweetvoeten. De huil- en woedebuien door te weinig slaap en te veel prikkels neem ik er ruimhartig bij. En morgen kan ik dan ter compensatie weer onopvallend aan mijn cursist snuiven terwijl ik hem toon hoe hij de ‘u’ moet schrijven. 

Als ik toch nog wat zomer wil, heb ik mijn zonnebloemen. En ik kan natuurlijk ook altijd nep Italiaans zingen en me zo in het broeierige gezelschap van Thimothée Chalamet wanen. Maar laat de kerst en winter alsjeblieft nog maar even wachten.

Ík zin nog ní veurberaaid.

dankzij de ander

mag ik een traan laten omdat het kippenhok leeg is
de kippen gisteren doodgebeten                             
en ik vanmorgen uit gewoonte toch de tuin in liep
om hen wat restjes te geven
(‘hoe gaat het met mijn schatjes?’)
en ze me dan, terwijl ik kippenstront schep        
vragend lijken aan te kijken
(‘goed en met jou?’)
en ik dan altijd even voel hoe ik me voel
en dat nu niet weet

mag ik het volledige uur bij de psycholoog
aan mezelf wijden
míjn zoektocht
mag ik huilen om de mist
om wat vast zit
een vuist ergens in het centrum
die maar knijpt
omdat ik de luxe heb
in een land te wonen
waar tijd en ruimte en geld is 
voor zo’n persoonlijke zoektocht

mag ik in de klas
‘ik ben triest’
‘ik heb stress’
aanleren
en als het dan over de hel gaat, die Gaza heet 
over Soedan
over Syrië
de klas zich lijkt te vullen
met tranen en verdriet en pijn
we met z’n allen overspoeld
en ik hen nooit de woorden zal kunnen leren
om dat te beschrijven
omdat ze niet bestaan
en dus maar benadruk dat het ‘ik ben’ en ‘ik heb’ is
en niet andersom

en mag ik er dan de stop uit trekken
overgaan naar het weer
zodat het wegstroomt
we weer ademhalen
opgelucht
want ze moeten toch leren
hoe graag we hier over het weer praten
‘het regent’ de grootste bekommernis 

mag ik wegkijken 
van de beelden
omdat ze veel te diep snijden
mag ik het geluid dempen
van die huilende, radeloze kinderen
mijn oren sluiten voor hun doodsangst
hun ondraaglijke pijn
en verdriet zo oeverloos
omdat mijn moederhart het niet kan dragen

mag ik mijn hart ophalen
aan de zeldzame zonnestralen
en de bloemen in de tuin
de struik vol frambozen in wording
mijn serre vol tomatenplanten
mag ik genieten van het dieven
die takjes tussen wijsvinger en duim wrijven
en die geur heerlijk vinden?

mag ik me laten troosten
door die ene klaproos
die groeit op een plek omringd door beton
waar voortdurend zware bussen langs denderen
een plek waarvan ik zou zweren
dat daar nooit leven kon groeien
laat staan een bloem
zo mooi
zo kwetsbaar
zo perfect

mag ik op zoek naar ontroering en verwondering
daarover schrijven
als voor zoveel mensen
de realiteit alleen maar gruwelijk is
en ontroering en verwondering een verre droom

mag ik mijn rug draaien
naar zij die monsters genoemd worden
maar ook een hart hebben dat bloed pompt
die ooit een moeder hadden
bij wie ze op schoot gewiegd werden
omdat ze zo klein en kwetsbaar waren

die vergeten zijn
of nooit geleerd of begrepen hebben
dat mens-zijn is:
ontzettend kwetsbaar zijn en je toch veilig weten
dankzij de ander

mag ik mijn rug draaien naar wie dat vergeten is (het zijn er veel)
en mag ik kijken naar die duizenden, miljoenen mensen op straat (het zijn er veel meer)
naar hoop, moed, kracht en kwetsbaarheid
mag ik huilen van ontroering omdat ze met zovelen zijn
omdat de meeste mensen deugen
en dromen van
strijden voor
desondanks nog steeds geloven in
een wereld waar je ontzettend kwetsbaar mag zijn en je toch veilig weten
dankzij de ander

Saudade

Het zoontje heeft op mijn terugkomst gewacht. Beslist in een zeldzame vlaag van moed dat ik zijn losse tand er uit mag trekken. Een tand minder en bijna 2 uur huilen later (eindelijk weer wat ontladen in moeders armen) speelt hij, plots enkel in onderbroek en met oorwarmers op, in de tuin. Hij heeft een lange stok vast, zwaait wild in het rond terwijl hij heen en weer rent. Zoals altijd druk aan het praten tegen zichzelf of tegen een imaginair publiek, wie zal het zeggen. Hij is vorige week 6 geworden en er mocht absoluut niet voor hem gezongen worden. Feliciteren was wel toegestaan maar we moesten niet overdrijven. De twee beste cadeaus die hij gekregen had, waren de chocopot van oma en de lelijke, roze oorwarmers die ik voor een halve euro in de Kringwinkel vond. Zijn geluk kon niet op. 

Ik lig in de zetel met zicht op de tuin en de dochter heeft zich in mijn armen genesteld. De eerste jaren van haar leven had ik bijna dagelijks dat gevoel: die verwondering, dat ongeloof, hoe het toch mogelijk was dat dit mensje in mij was gegroeid, dat ze deels mij wás, zo broos, zo verbijsterend mooi, zoveel pure onschuld en ontroering in mijn armen. Het was soms bijna ondraaglijk.

Nu is ze acht en een prachtige, vurige, gevoelige wijsneus. Ze ligt tegen me aan, vindt geen goeie plek want mijn arm en schouder zijn te hard maar ze blijft toch liggen. En daar is het gevoel weer, nu ik haar een week niet gezien heb, die schok van ontroering en ongeloof, dat wij dit prachtige kind hebben gemaakt. Wisten wij veel dat we dit konden, dat er zoveel schoons kon groeien uit onze twijfels, ons verlangen, onze pijn, ons onvermogen. Uit ons.

Ik sluit mijn ogen, zie de smalle straatjes van Lissabon voor me, voel de honderden trappen die we beklommen in mijn kuiten, ik hoor de hartverscheurende Fado, het zangerige Portugees hangt nog rond me en ik proef de zoete pastéis de nata op mijn tong. Ik heb alles weer gretig in mijn hart gesloten en dan is gemis onvermijdelijk.

Het zoontje komt binnen. Hij neuriet, duwt zijn voorhoofd tegen het mijne. “Geen zoentjes geven!”, roept hij al bij voorbaat. Hij kent me, hoezeer ik zijn wens (NOOIT OF TE NIMMER ZOENTJES GEVEN) ook probeer te respecteren, dat smoeltje zoenen gaat vanzelf, dat is een reflex, geen bewuste handeling. Ik bekijk hem van dichtbij, opeens staat zijn neus vol sproeten, net zoals het park opeens groen geworden is en de tulpen en de azalea’s in bloei staan. Of hoeveel er kan veranderen in één week. Sproeten waar ik instant waanzinnig veel van hou, en oh wat valt het me zwaar dat ik ze niet mag bedelven onder mijn zoenen.

Hij zucht blij: mama is terug. Ik ben tevreden en weemoedig. Ik koester wat ik heb, mis wat voorbij is en verlang naar wat ik nog niet ken. Geen woord dat ik beter denk te begrijpen dan saudade. 

genoeg

er is de vroege ochtend en het licht traag de tuin in zien sluipen
er is de jongen in zijn onesie op zijn laarsjes in het kippenhok
het meisje in mijn armen gevleid dat zegt: nog heel even
en een moeder die denkt: of altijd?
er is tijd, er is wachten, er is niet-doen 

er is pijn die van zacht naar scherp van zacht naar scherp
er zijn kussen op zachte wangen
en op vochtige lippen die gewillig openen

er zijn brutale tranen op de fiets
ze komen als ze daar zin in hebben
onuitgenodigd en onaangekondigd
iemand zegt iets over een midlifecrisis
er zijn jonge, groene blaadjes
een park vol magnolia’s in bloei
en elke dag de man met de twee bananen
het bandje van zijn rugzak zit gedraaid
in gedachten draai ik het goed zodat het niet zo knelt aan zijn schouder
wrijf even over zijn rug
hij zwaait naar mij

er zijn twee kinderen lang na bedtijd met een lantaarn in het donker op de trampoline
er worden handen gewassen en het meisje zegt: ik heb het gevoel dat het zo’n dag was waarin we echt álles hebben samen gedaan,
en de jongen die dan zegt: ja, dat was echt héérlijk

er zijn handen, een boek, er is een vol schrift en een leeggeschreven pen,
schoenen vol modder, een groene gieter en gemorste verf op een tegel
er is zonlicht en er zijn honderden vogels
er is tijd, er is wachten, er is niet-doen 

er is de vrouw die Nederlands spreekt aan de telefoon, Engels tegen haar ene hond en Frans tegen de andere
er zijn twee gasten op de step met harde stem en onbewogen blik en de armen van de achterste innig rond het middel van de voorste geklemd
de kledingkeuze van mijn dochter waarbij alles met elkaar vloekt en het resultaat toch prachtig is
er is de cursist met een roze pennenzak vol glitters en een kaft met paarden van zijn dochter die geconcentreerd een oefening maakt
er is iemand gebogen en wankel van de drank en of zorgen in de gietende regen met regenjas en kap op maar die rits is open en ik wil graag stoppen en zorgzaam haar jas dichtritsen tot – even omhoog kijken – helemaal boven

er is zoveel waanzinnig goeie muziek
en de patroontjes en kleuren op de strijkparelwerkjes van de jongen

er is hout dat in stukken wordt gezaagd
iemand bouwt iets op, iemand breekt iets af
er is verlangen en missen en er is weerzien
er is landen op een zacht tapijt vol kleur en soezen in de zon
een ronkende motor in de verte en een haan die kraait
en er zijn nieuwe tranen bij het bestellen van een broodje met pitjes
er is een vrouw met hond die vrolijk heen en weer zwaait met een zakje kak als was ze roodkapje met een mand vol koekjes
er is pijn die van scherp naar zacht van scherp naar zacht
er is tijd, er is wachten, er is niet-doen 

er is iemand die desondanks tijd en ruimte gaf
en tijdens het wachten een serre bouwde
waar ik nu kan zaaien en schrijven, badend in het licht
luisteren hoe alles gewoon gebeurt
hoe oneindig schoon het zingen van een merel
mijn stoel die over de grond schraapt
een mier die ploeterend maar vastberaden de voor hem eindeloze werkbank oversteekt
er is potgrond onder mijn nagels
de stilte en de ademhaling
er is tijd, er is wachten, er is niet-doen en dan is er plots leven

er is steeds weer verdwijnen in die ene luide gedachte
opgeslokt door dat ene gevoel dat alle aandacht opeist
er is de illusie van schaarste
steeds opnieuw

er is achteruit stappen
omdraaien
driehonderdzestig graden horen, voelen, zien, lezen
er is de illusie van schaarste
maar er is altijd meer dan genoeg