raket

je zit hier op mijn schoot
want ik ben een raket
je zus, ze was bekaf
dus ligt al in haar bed

we vliegen naar de ruimte
de maan het gele kussen
je zus moest zo hard huilen
en ik kon haar niet sussen

je zus moest zo hard wenen
en eerst was ze heel kwaad
maar voelde in mijn armen
dat alles overgaat

want het leven voelt soms hard
het prikt en wringt en trekt
maar is soms plots weer zacht
en voelt bijna perfect

zoals je naar me kijkt
je armen rond mijn nek
je geeft me zachte kusjes
en ik ben weer op mijn plek

je zus moest echt hard wenen
maar toen het over was
haar lijfje weer ontspannen
toen voelde ik het pas

we zitten op een planeet
jouw rug tegen mijn knie
‘t is hier nochtans heel mooi
maar ‘t is de aarde niet

mijn lijf is een raket
en we gaan weer naar huis
want hier in onze zetel
hier komen we graag thuis

as long as there’s sun

we schommelden traag de zomer in die nooit helemaal wou doorbreken

maar we deden toch van blote voeten op straat, de voordeur open met de beste buren en broekjes vol krijt 

we sliepen in een tent met felle kleuren en kregen schemeravonden en dan pas hun bedjes in en wij dan nog wat staren naar de sterrenhemel maar als ik helemaal eerlijk toch iets te fris en iets te veel muggen en iets te moe om daar nog lang buiten naast jou

we werden wakker van loeiende koeien en oorverdovend gekwetter en het briesen van een paard en geruzie in hun tent want hij op haar deken en zij op zijn haar en ik had die nacht trouwens op hun potje geplast en voelde tevredenheid

en toen was er teveel regen en ik kreeg de beelden en koppen niet weg geschud en keek uit het raam en dan naar mijn huis en kinderen en kon het nooit allemaal tegelijk vasthouden en dacht aan hun verhalen over vluchten en was bang

we reden uren naar een plek waar het wat warmer en droger en moesten daar eerst bekomen van de lange rit en een moeilijk jaar en donkere gedachten en dat was toch iets te veel verwachten van zo’n zomerhuis met zwembad en ik las daar ook dat boek 

dat huis kon die donkerte niet helemaal oplossen maar het werd wel lichter want we werden nu wakker van kwetterende nichtjes en zaten elke ochtend allemaal aan die grote ontbijttafel waar gepord en gemopperd en gelachen werd en af en toe een droom gedeeld en steevast melk gemorst en we dronken koffietjes uit vier tasjes op een rij tot de laatste druppel uit de thermoskan en dan het zwembad in

we wandelden in grotten en steden met ballonnen, bloemen en fonteinen en zaten aan riviertjes met kaasjes en druiven en de overstromingen nu wat verder weg en mijn angst minder

de meisjes gilden meestal te luid en dan gingen wij wat verder zitten en het jongetje speelde overal behalve in dat zwembad en liet op zijn moedigste dag zijn voeten wel eens in het water bungelen

en toen was er vuur, overal vuur, dat schreeuwde mijn telefoon als ik die ’s avonds bekeek en ik dacht weer aan vluchten en de angst lag nu naast me in bed en kleedde me uit en bleef liggen ook lang nadat ik dat schermpje had uitgezet en jij erbij was gekomen

we vonden de beste plek tussen de wijngaarden op een heuvel om de zon te zien zakken en David Bowie zong door het autoraam ‘as long as there’s sun, as long as there’s rain, as long as there’s fire’ en de kinderen ‘ik heb de zon zien zakken’ en het rook daar naar geluk

we kwamen terug en het regende en we haalden wat er uit de dagen te halen viel en dat was best veel en warm en er werd gedanst en gelachen en gevierd (en de angst bij mij op schoot) 

ik zeg dag en zwaai en tot ziens en het is echt goed geweest en mijn zonnebril weer in het laatje linksboven in de bruine apothekerskast

morgen zal ik de angst (en telefoon) uit bed schoppen, opplooien en bij het strijkijzer leggen want dat is er wel maar we gebruiken het nooit en dan er is weer meer plaats voor jou en jij zal warm zijn en de lakens gewassen

ik was vergeten

ik was vergeten
hoe simpel troosten
toen was

want jij
nog niet bewust van jij
was gewoon wij
pijn was onze pijn
ík moest niets doen
behalve zijn

dragen wiegen zingen
ik wiegde niet jou
maar Ons
jíj had niets van míj nodig
want wist nog niet dat er
een jij en een mij
was

dat is vandaag anders
je wringt
weet je met je lijf
geen blijf

je wil dat ik het oplos
je wil niet los
aan mij, terug in mij
niet meer voelen dat pijn
alleen jouw pijn is
dat dragen wiegen zingen
van die ander komt 

maar een moederlijf
lost op
want jij wringt en ik wring
je kreunt en de pijn
trekt door míjn lijf

dus hang vandaag
maar dicht 
je hoeft nog niet los
ík vang je pijn wel
die nooit
alleen jouw pijn
zal zijn         

Een stralende toekomst

Na zo’n 6 maanden lesgeven met mondmasker moet ik toegeven: het is nog steeds vreselijk irritant maar het went ook wel een beetje. En, optimistisch als ik ben, heb ik zelfs – op vraag van Erika Vlieghe – enkele voordelen ontdekt:

  • Blozen. Je ziet het met mondmasker amper als iemand bloost. Blijkbaar vinden mijn hersenen dat zo geruststellend dat blozen onder dat mondmasker helemaal niet meer voorkomt. Als dit mondmaskertijdperk ooit voorbij is, moet ik dus “gewoon” een manier vinden om mijn hersenen te overtuigen dat mijn gebloos niet zichtbaar is, en dan zal ik voor eeuwig en altijd van deze irritante eigenschap verlost zijn. 
  • Koortsblaren. Het was lang geleden maar ik had gisterenochtend weer prijs. Je kent het wel, zo’n branderige, brokkelige koortsblaas, werkelijk een prachtig zicht waar mijn cursisten dan 3 uur lang moeten op zitten zien. Maar nu dus, mooi verborgen achter mijn prachtige mondmasker. (Ik wil optimistisch zijn, dus zet dit maar even tussen haakjes: dat betekent helaas wel 3 uur lang zo’n stofje dat tot bloedens toe over de koorstblaas schuurt)
  • Dingen die uit je neus hangen. Niets is zo irritant als naar een leraar/spreker/gesprekspartner… te moeten kijken bij wie een brokje/druppel/snotsliert aan de neus bungelt. Ik check dan ook altijd zorgvuldig mijn neusgaten voor ik aan mijn les begin. Dat moet nu dus niet meer. Ik kan dus ‘s ochtends een volle minuut langer slapen! En mijn kinderen houden daar ook altijd rekening mee! 

Hierbij helpt het mondmasker helaas niet:

  • Tandpastavlekken op mijn kleren. El-ke keer op-nieuw. Om pas in de pauze te zien, de vlek er dan met water uit te proberen wrijven waardoor ik er de rest van les uitzie alsof ik aan het lacteren ben. En ik heb al genoeg gelacteerd in mijn leven! 
  • Ladders in mijn panty’s. 
  • Okselvijvers.
  • Struikelen over de poten van het bord. En over de stoel die naast het bord staat. En daarna terug over de poten van het bord. En botsen tegen de scherpe hoek van de tafel omdat mijn lichaam al iets te vroeg naar rechts werd gestuurd, buiten mijn wil om. (Algehele lompheid eigenlijk.)
  • Mijn fles water die op de grond dondert nadat ik er met mijn achterwerk tegen bots, el-ke les. Waardoor mijn cursisten zich iedere keer rot schrikken.

Zei ik al dat ik optimistisch ben? Ik zie het namelijk ook helemaal goed komen.

Ik voorspel dat er een virus komt dat zich ook via onze poriën zal verspreiden. We zullen ons dan in een soort van ruimtevaartpakken moeten voortbewegen. Een mondmasker zal tegen dan pure nostalgie zijn. En dat pak heeft niet alleen dezelfde voordelen als het mondmasker, nee, beter nog, het zal mijn andere vervelende euvels ook verhelpen!

Alleen die algehele lompheid. Die zal blijven. Maar iedereen zal er dan mee worstelen, gezien de ruimtevaartpakken. En ik zal een voorbeeld worden van hoe je lomp én gelukkig kan zijn. Workshops en lezingen geven. Op (ingepakte) handen gedragen worden (en af en toe op de grond vallen). Uiteindelijk tot koningin gekroond! 

Erika had gelijk. We moeten stoppen met al dat zeuren, er wacht ons (mij althans!) een stralende toekomst.