De onderbuurvrouw

Toen ik de deur achter me dichtsloeg en de trap afging, kwam de onderbuurvrouw even kijken. “Zijt ge weer alleen, meiske?” Ze keek me met haar zachte, lieve ogen vol medelijden aan. De onderbuurvrouw, die zelf alleen en oud was maar boodschappen deed voor ‘de oude mensen’.  “Het moet toch wat zijn, zo hele dagen alleen in hun appartementje, door het raam aan het zien. Niemand om eens mee te klappen. Och, ik heb daar zo’n compassie mee.” Ze leek er geen erg in te hebben dat ze zich in precies dezelfde situatie bevond. Het ontkennen was haar remedie, want ze voelde zich zelden oud of eenzaam.

Terwijl ze me aankeek, vulden mijn ogen zich met tranen. Hoe kon het toch verdorie, dat deze vrouw die ik niet eens zo goed kende, meer van me wist dan mijn eigen vrienden of familie. Ze opende de deur voorzichtig en knikte uitnodigend. Terwijl de tranen over mijn wangen rolden, stapte ik naar binnen. In haar vertrouwde groene zetel, met een kopje koffie en een koekske, zat ik te snikken. Het was de laatste dagen, na die ene avond waarop zo luid werd geschreeuwd, erg stil geweest, zei ze. “Meiske toch”. Ze had gelijk, ik was weer alleen. Hij was vertrokken met slaande deuren. Gisteren was hij nog één keer langs geweest, bewust op een moment waarop ik er niet was. Ik wist het omdat zijn gitaar weg was en omdat hij had opgeruimd, dat had hij niet kunnen laten.

De onderbuurvrouw had weer alles gehoord. Het was hetzelfde verhaal, altijd weer opnieuw. In het begin hoorde ze gelach, enthousiast gehol op de trappen, gehijg en mijn enthousiaste, opgewonden gilletjes. Ze hoorde mijn geluk en passie en ze hield haar hart vast. “Ge laat ze te snel binnen meiske. Ge moogt zo rap niet zijn.” Terwijl ze hoorde hoe gelukkig ik was, wist ze al dat het niet zou blijven duren en kocht alvast koekskes voor bij de koffie. Ze hoorde steeds vaker harde woorden. Af en toe een deur die dichtsloeg. Dan een hoogtepunt aan geschreeuw, hoe later in de nacht hoe heftiger. En uiteindelijk de week stilte en de vraag: “Zijt ge weer alleen, meiske?”.

Ze kwam naast me zitten en zuchtte. “Zeg het eens meiske, vertel het eens.” En ik vertelde. Ik vertelde haar wat ik nooit iemand verteld had, behalve hem. Dat ik enkel kon slapen met een mannenlijf naast mij. Dat de spoken van mijn jeugd me enkel dan met rust lieten. Een mannenlijf, het maakte niet uit wie het was, was voldoende om mij te doen slapen. Dus ik haalde ze binnen, zo snel als ik kon. Ik zocht de wanhopigen die gemakkelijk te overtuigen waren. Ik zei dat dit liefde was en waarom zouden we dan nog wachten. En ik kreeg een warm lijf in mijn bed. Voor weken, soms maanden. En ik sliep.

Nu was ik weer alleen en had een week van slapeloze nachten achter de rug. Mijn moeder had het ook. In het land van mijn geboorte geloofden ze dat het een dode was. Een dode die bij het inslapen op je kwam zitten en je probeerde te wurgen. Mijn moeder werd soms wakker in de nacht en kon niet bewegen. Haar armen, haar benen, haar hele lichaam verlamd. En rond haar nek twee handen, steeds strakker waardoor ze niet kon ademhalen. Ze zag de dode, voelde zijn handen en hoorde hem fluisteren in haar oor. Toen ik er nog in geloofde, zag ik het ook.

Nu waren het bij mij enkel de stemmen, maar het was nog steeds verschrikkelijk. Ik werd wakker en hoorde duizenden stemmen fluisteren, oorverdovend fluisteren. Ik was doodsbang maar kon niets doen, ik kon niet bewegen, ik kon mezelf niet wakker schudden. De angst daarvoor hield me vele nachten wakker. Ik was bang om in te slapen, bleef liever een hele nacht op dan die stemmen van de dood in mijn oren. Die verlamming, die machteloosheid, dat afwachten tot het zou overgaan.

Deze keer was het anders geweest. Hij had zich niet zo snel laten overtuigen, hij was niet wanhopig maar wel erg verliefd. Ik wilde hem in mijn huis, niet enkel om te slapen maar ook om met hem wakker te zijn. Hij was niet spraakzaam maar aanwezig. Ik kon hem ruiken, voelen en proeven. Waarom zou ik in slaap willen vallen zolang hij in de buurt was? Ik wilde van alle momenten genieten met hem, voor zolang het zou duren.

Ik had hem zelfs verteld over mijn nachten wanneer ik alleen was en wat mij teisterde, hij was de eerste. Hij had mijn voorhoofd gekust en beloofd dat hij ze zou weghouden, de doden. Dat hij me met zwaard en schild zou verdedigen. Hij had me in mijn slaap horen praten in mijn moedertaal en was nog verliefder geworden. Ik had een keer gekwijld op zijn kussen en hij had daarvan gehouden.

“Hij is deze keer lang gebleven hé meiske. En ge waart zo rustig samen. Als hij voor u zong, kreeg ik kippenvel. Mijnen Julien kon dat toch niet hoor, zo zingen. Hij deed het wel eens, maar ’t was altijd vals.” Doodvermoeid rustte mijn hoofd tegen de onderbuurvrouw haar arm, die ze rond mij geslagen had. Ik voelde hoe ook dit lichaam genoeg zou zijn om in een diepe, bodemloze slaap te vallen. De onderbuurvrouw zette zich voorzichtig wat gemakkelijker in de zetel en geeuwde.

Ik hoorde de stemmen op de radio en het getsjilp van de kanarie eerst luid om daarna op de achtergrond te verdwijnen. Ik hoorde niet hoe beneden de voordeur openging. Ik hoorde zijn aarzelende voetstappen op de trap niet. Ik hoorde niet hoe hij een verdieping boven mij op de deur klopte en zijn sleutel gebruikte om binnen te gaan. Ik hoorde zijn gerommel in de keuken niet. Ik hoorde het gesnurk van de onderbuurvrouw niet. Ik sliep.

lang gewacht

Ik heb lang gewacht. Nog nooit zo durven hopen. Ik heb het gevoeld, de nacht die zich om mijn oren krulde en rustte in mijn nek. Het getintel van de lucht, de dagdeeltjes die ploften en oplosten en zwarte gaten achterlieten. De geur van restjes gras tussen mijn kleren. Nog nooit heb ik zo durven hopen als toen. 

We joegen op elkaar op diezelfde plaats. Onze naakte lichamen die gleden en streelden en kronkelden van genot en angst. De geur van restjes jij tussen mijn kleren. Je waarschuwde me: je tikte op mijn blinde rug, schudde mijn dove armen en kuste wanhopig mijn verlamde lippen. Ik blind, doof, verlamd, jij zag alles, de volle driehonderdzestig graden, van de striemen op mijn rug tot het pompen van mijn hart. Ik was niet meer aanwezig, overgeleverd aan je sterkte, je hitte, je energie, je mannelijkheid, week was ik, in jouw dienst. En dus kwam ik steeds terug, koortsachtig verlangend naar je geur. Altijd weer op diezelfde plaats, waar alles oneindig was, waar de nacht enkel voor ons was uitgevonden. 

En toen ik op een keer niet meer blind was en zag wat je wou tonen, loste ik – liep ik leeg – viel ik pijlsnel naar beneden. Jij kon me niet vangen, mocht niet dus ging ik stuk op diezelfde plaats. Jij kwam je prooi aanschouwen en verdween, jouw kapotte kleine jongen achterlatend. Je verdween en nooit was ik eenzamer. Slechts het wegstervende klokgelui in een spookdorp, door niemand gehoord, door niemand opgemerkt. Toen weende ik omdat ik mijn moeder niet meer had. Omdat ik haar troostende moedermelk wilde proeven op mijn tong, omdat ik wou rusten op haar sterke onderarm, gewiegd worden tegen haar borsten. Maar de nacht was donker en ik was alleen en de dood dichtbij. 

Nog een keer kwam ik bij je bed. De lucht in de kamer was dik en mistig en ik kon niet ademhalen, maar daar doorheen priemden je ogen. Overgeleverd aan een woest verlangen om te gaan met jou, sloot ik de deur en liet je achter. 

Ik heb lang gewacht. Nog nooit zo durven hopen. Het was de enige mogelijkheid: mijn hoofd, lichaam, handen vol hoop. De enige mogelijkheid om op diezelfde plaats te staan, te hurken, te wachten. Alle hoop die ik had kunnen vinden, verzameld op die plek. Gestapeld, goed in het zicht. Maar je scheurde zonder aarzeling weg en in stukjes. Je danste weg met onze nacht als een laken over je schouders gedrapeerd. Jouw schouders. Onze nacht. 

Ik ben op diezelfde plek. Ik ween om mijn moeder, kleed me uit en bedek me met scherven hoop. Een bereidwillige prooi zonder jager. 

zwart-witte minaars

Zwart-wit was onze liefde. Drie kinderen met lachjes en een mooie vrouw had je. Met volle lippen, groene ogen, blozende wangen, vuurrood haar, ronde vormen en hoge hakken. Jij de charmante, zwierige man die het gemaakt had in het leven. 

Zwart-wit was onze fictie. En jij, de zwart-witte minnaar. Eerst in pak. Je hoed die voor een eeuwige schaduw op je gezicht zorgde die zelfs bleef als je hem afzette. Jij zonder pak. Een deftig kuchje om aandacht. Bloot bij mijn raam. Geen licht behalve dat van de straatlantaarns dat van jou een schim in sepia maakte. Je gespierde schouders en de zachte lijn naar beneden. Je droeg niets dan een sigaret. Rook die rond je lichaam cirkelde. Eerst rustig dalend en dan terug langs je geslacht en navel het raam uit. Je stevige billen enkel nog twee witte rondjes en beneden zachte hielen die op de grond steunden, alles daarrond schaduw. 

Dus ik, nog naamloos, de zwart-witte minnares. Voorzichtig uit mijn nachtkleed gestapt. Gewichtloos neergestreken te midden van een nietsvermoedende rimpelloze vlakte. Nieuwsgierig verkend en gestreeld nu door de opgeschrikte golfjes water. Een bijna doorschijnende huid die glooide naar de donkere, aarzelende tepels die op het water dansten. Daaronder borsten als voorzichtige bergjes wit zand die bij de vroegste vloed zouden wegspoelen en verdwijnen. Tenen gekromd tegen de bleke badrand. Mijn kleurloos gezicht met gesloten ogen omkaderd door de stuurloze, pikzwarte haren die niet wisten waarheen nu de zwaartekracht geen effect meer op hen had. 

We waren zwart-witte minnaars die in de schaduwen van de stad zochten naar de fictie van het donkere maar tegelijk broze en lichte dat we niet vonden in de dag. Die in elkaars bleke plooien en oncontroleerbaar zwart de werkelijkheid vonden die zich enkel kon afspelen in de nacht.  

De drie kinderen met de lachjes en de plots naamloze blozende vrouw met het rood werden dan zonder meer de fictie.

Jacques

Hij goot het laatste restje wijn naar binnen en vulde zijn glas opnieuw. Door het raam zag hij zijn rosse kat geconcentreerd naar het gekliefde brandhout turen. Het was de dag voor Kerstmis en het begon al te schemeren. De schuur was zowat de enige plek in de omgeving waar geen dikke laag sneeuw lag. De kat wachtte geduldig op de minste beweging die zou verraden waar de veldmuis zich verstopt had. Net toen ze zich schrap zette om te springen, hoorde hij dat er op de voordeur werd geklopt. Hij verwachtte geen bezoek, maar moest onvermijdelijk aan Jacques denken. En aan zijn woorden. ‘Stop nu met janken. Wij zullen elkaar terugzien, vriend. We zullen onze laatste jaren samen slijten en ze mogen ons dan samen begraven.’

Lekker wijntje, beter dan de vorige fles die hij net soldaat had gemaakt. Hij schonk nog eens vol. Slechts enkele maanden had hij nog te leven, dat wist hij sinds kort. Hij had zijn vriend ondertussen 15 jaar niet meer gezien. Jacques lachte hem charmant toe vanop het dressoir. Een echte casanova was hij met kraaienpootjes bij zijn blauwe ogen en een brede mond waarvan de hoeken speels omhoog krulden. Hij begreep waarom zoveel vrouwen voor hem vielen, hij was ook zo vaak voor Jacques gevallen. Hij kon nooit lang kwaad op hem zijn als hij weer eens een liefje had ingepikt. Zijn woede verdween als sneeuw voor de zon van zodra Jacques hem verontschuldigend toegrijnsde. ‘Vriend, ’t zijn maar vrouwen. Je laat die toch niet tussen ons komen?’

Ach, het kon onmogelijk Jacques zijn, dat wist hij wel. Misschien had hij zich het geklop ingebeeld. Het was behalve die ene klop verder stil gebleven. Daar had hij nooit aan kunnen wennen, de stilte van dit huis, dit land. Soms dacht hij dat het hem langzaam gek maakte. De fles was leeg. Tijd voor een glaasje van zijn favoriete whisky. Lagavulin, hij had vorige week nog een fles cadeau gekregen van zijn huisdokter. Tegen de pijn.

Hij vulde zijn glas gul. Hij moest eigenlijk zuinig zijn met deze dure fles, maar vanavond had hij nood aan gezelschap. Nood aan Jacques. Met de whisky kwam zijn vriend tot leven. Hij herinnerde zich nu zijn stem, zijn lach, zijn bruuske bewegingen en zijn geaarzel. Toen ze beiden weer alleen waren, hadden ze vele avonden doorgebracht op zijn terras met een fles whisky tussen hen in. Na het ledigen van zo’n fles hadden ze vaak op mekaar geschreeuwd of zelfs gevochten. De alcohol maakte dat zijn tranen van spijt en ontroering dan iets te vlot vloeiden waardoor Jacques ongemakkelijk werd. Jacques had een hekel aan zijn gevoeligheid en had hem een keer van zijn stoel geduwd zodat hij zou ophouden. Er was veel kapot gegaan in zijn leven, maar hij had nooit gedacht dat dit ook zou verdwijnen.

De dokter had goede smaak. Ze hadden elkaar beter leren kennen nu hij zo ziek was. Hij zag verder weinig mensen. Maar hij had respect voor de dokter, een zwijgzame man die op hem mopperde als hij te emotioneel of ongerust werd. Dat wist hij wel te appreciëren.

Wat als het toch Jacques was geweest aan de deur daarnet? Wat zou hij doen als hij echt aan de andere kant van de deur stond te wachten? Hij was soms zo kwaad op hem. ‘Verdomse vriend!’ zou hij schreeuwen. ’Verrader! 15 jaar heeft het geduurd voor je kwam! En je belofte, vergeet het maar. Ik ga dood, verdomme!’ Jacques zou hem willen omarmen maar hij zou het niet toelaten. Ze zouden nog een keer vechten, in de sneeuw voor de deur. Hij en zijn verrader.

Zijn ogen vulden zich met tranen bij de gedachte en hij verslikte zich in zijn whisky. Hij hoorde geschuifel bij de voordeur. Zijn hoofd gonsde. ‘Vriend.’ Zijn hart ging tekeer. Hij keek naar zijn oude handen, ze trilden en hij kreeg ze niet onder controle. Hij goot een laatste slok whisky naar binnen en stond recht.

Moeizaam opende hij de voordeur. De koude beet hem toe. Een dode muis lag als vroeg kerstcadeau voor zijn voeten. Hij staarde naar de witte velden, het ijzige, oneindige, afstandelijke winterlandschap en voelde zich eenzamer dan ooit. Hij stapte naar buiten op zijn sloffen en liet de voordeur dichtvallen. Het huis liet hij achter zich en hij wandelde tientallen minuten. Hij voelde steeds minder van de koude en het deerde hem niet dat hij moeilijk zuurstof kreeg. Het werd stil in zijn hoofd en een soort rust kwam over hem.

‘Vriend.’ Hij stond stil en hijgde. Voorzichtig hurkte hij neer in de natte sneeuw, zijn oude knieën kraakten. Hij ging languit liggen. Armen en benen wijd open. Een sneeuwengel, zoals hij als kind had geleerd van zijn moeder. Hij hoorde haar zingen. Tranen stroomden over zijn wangen. ‘Stop met janken.’ Rechts van hem lag Jacques met fonkelende ogen en een brede grijns, armen en benen wijd. Zijn hart bedaarde, hij sloot zijn ogen. ‘Vriend.’

Het was donker geworden. De kat miauwde zachtjes en krulde zich tegen het roerloze lichaam van de oude man.

in het Oude Badhuis

Nog één keer. Hij zou nog één laatste baantje zwemmen. Dat laatste baantje, daar genoot hij altijd het meeste van. Hij concentreerde zich dan op elke beweging, op zijn hand die bij elke slag het water in tweeën spleet, op de tientallen luchtbelletjes die zich langs zijn huidplooien naar de oppervlakte bewogen en op de gewichtloosheid van zijn anders zo logge lichaam. Het had zowat hetzelfde effect als een 15-tal biertjes op vrijdagavond. Het totale plaatje dat op de achtergrond verdween en de details die werden uitvergroot. Details die hem ontroerden.

In het water waren dat de belletjes, de grote klok die hij zag bij elke hap naar lucht: eerst troebel, dan één tel scherp alvorens hij terug onder water verdween. De overijverige badmeester die heen en weer rende, mensen ter orde floot en flirtte met zijn 10 jaar jongere collega. De afwisselend samengeknepen en ontspannen bilspieren van de vrouw die voor hem zwom.

In het café was het de muziek die na een zeker percentage aan alcohol recht door zijn hart sneed. De oude vrouw die god-weet-waarom zo laat nog eenzaam aan een tafeltje zat, starend naar haar glas dat al uren leeg was. Het meisje met de perfecte borsten achter de bar, gepiercet en getatoeëerd, hemelsblauwe ogen en een zachte blik. Ze ontroerde hem en hij wilde haar graag meenemen naar huis. Bij het wakker worden: die borsten, die ogen!

Nog één keer. Eén allerlaatste baantje. Straks moest hij zich uit dat water hijsen. Zich in zijn kleren wurmen in de veel te warme ruimte. Het zweet zou langs zijn gezicht stromen en alle details en ontroering zouden verdwenen zijn. Enkel het totale plaatje zou te zien zijn, het onontkoombare totale plaatje. Maar dat moest nu nog niet. De klok schoot voorbij, de badmeester floot naar een rennend jongetje, zijn armen droegen zijn lichaam als vleugels op het water. De vrouw voor hem: bij elke slag met haar benen spanden haar billen zich op om daarna trillend te ontspannen, nog even na te deinen en zich daarna weer op te spannen. Prachtig vond hij het. Hij drukte zijn duikbril dichter aan en zwom haar achterna. Pure ontroering maakte zich van hem meester en hij moest, hij zou voelen. Waarom zou het totale plaatje moeten bestaan als dit prachtige detail er was? Doelbewuster dan ooit, de krop der ontroering nog in zijn keel, voelde hij haar zachte maar stevige bil ontspannen in zijn handpalm. Perfectie.

Barry

Een zacht windje waait door onze haren terwijl we op onze hurken zitten en met steentjes mieren doodduwen. Mijn haar wordt te lang, dat zei oma gisteren nog. Ik hou ervan het even uit mijn gezicht te blazen en het daarna koppig terug te voelen glijden. Mijn T-shirt ruikt naar het wasproduct van oma. Ik vind dat best. Dat van moeder rook je nauwelijks omdat ze er te weinig van gebruikte. Ook Barry ruikt nu lekker en voor het eerst heeft hij veel sproeten in zijn gezicht. De dode mieren worden een smeerboel dus we besluiten sprinkhanen te gaan vangen in het veldje achter oma’s huis.

Eind augustus is het en we moeten bijna terug naar school. Tenminste, dat hopen we. Eigenlijk weten we nog steeds niet wat er nu gaat gebeuren. Oma zegt dat zij alles zal regelen, dat wij zoveel mogelijk moeten buiten spelen. Barry ligt op zijn buik in het hoge gras en wacht tot een sprinkhaan nadert. Ik denk dat Barry een beetje kapot gegaan is toen het gebeurde en heb geen idee hoe ik hem kan repareren. Oma lijkt het ook niet te weten.

Maar vandaag is een goeie dag. Hij is al de hele dag uitgelaten en daarnet wandelden we met de armen over elkaars schouders geslagen langs het water. Barry’s initiatief. Bijna zoals vóór het gebeurde, toen we samen vochten tegen de grote jongens, huilden in onze kamer bij mama en lachten om de mopjes van de kalender. Toen we met een oud zakmes bloedbroeders voor het leven werden. De ontstoken vinger maakte het des te echter.

Dat is de laatste weken wel anders. In het begin kroop ik bij hem in bed en hield hem vast tot hij wakker werd uit zijn nachtmerrie, bedaarde en nog nasnikkend terug in slaap viel. Hij liet het toen nog toe. Later werd hij woedend als hij me zag bij het wakker worden. Ik mocht hem niet vasthouden, moest vanuit mijn bed toekijken hoe hij vocht met wat hem elke nacht teisterde. Hij heeft moord en brand geschreeuwd tot oma toestemde om hem alleen te laten slapen. Ik word nu enkel ’s morgens nog geconfronteerd met mijn bleke, kleine broer met donkere kringen onder de ogen, die, terwijl iedereen nog sliep, zijn beddengoed al in de wasmachine heeft gestopt.

Maar vandaag is het een goede dag. Barry heeft een sprinkhaan gevangen en schatert omdat het beestje hem kietelt, zo tussen zijn samengeklemde handen. We willen hem zien! Voorzichtig opent Barry zijn handen. ’t Is een prachtexemplaar: bijna fluogroen en wel 6 centimeter groot. We wachten op de plotse sprong die het beest elk moment kan maken. Het dier blijft echter zitten op Barry’s hand, staart ons met zijn uitpuilende oogjes aan. De seconden lijken uren, de sprinkhaan verroert zich niet. Barry fluistert. ‘Je moet niet bij mij blijven, ik moet alleen zijn …’  Pas als een traan recht op zijn kleine kopje landt, kruipt de sprinkhaan – met tegenzin, zo lijkt het wel – naar de rand van Barry’s hand, om na enig aarzelen met een grote sprong tussen de grashalmen te verdwijnen. Ik leg mijn hand op Barry’s schouder. Hij laat het toe. Geluidloos huilt hij en trekt mijn arm verder om zich heen.

’s Avond klopt hij op mijn kamerdeur. Ik hoopte al dat hij zou komen. Later in de nacht word ik wakker van een klein, warm jongetje dat tegen me aan komt liggen, wiens haarpieken in mijn neus kriebelen. Ik houd hem vast en huil in zijn nek.

‘Niemand moet alleen zijn.’

appeltjes

Lientje was een week daarvoor 6 jaar geworden. Haar tante – waar Lientje soms schrik van had omdat zij veel tandvlees en weinig tanden toonde wanneer zij lachte – wilde haar graag meenemen naar het circus. Ze vond het zielig dat Lientjes broer zoveel ouder was en ze dus nooit broertjes of zusjes had om mee te spelen. Lientje zette haar angst opzij, want teveel tandvlees of niet, zo’n circus wilde ze toch absoluut niet missen.

Met grote ogen en open mond wandelde Lientje aan tantes hand de reusachtige tent binnen. Ze gingen halverwege op een gammel bankje zitten en Lientje mocht op tantes schoot want voor haar zat een grote, dikke man met een tattoo van een slang in zijn nek. Lientje wou liever echte slangen zien. Tante en de man bleken elkaar te kennen en de man leunde achterover om met tante te praten. Lientje werd een beetje bang toen de man bulderend begon te lachen waardoor de slang op zijn nek tot leven leek te komen. Ze drukte haar hoofd tegen tantes schouder maar ook tante begon te giechelen waarbij Lientje al dat tandvlees vlak voor haar gezicht zag verschijnen en weer verdwijnen. Lientje kon geen kant uit. Gelukkig werd het toen ineens stil en donker in de zaal. Er kwam een klein mannetje met een krulsnor naar het midden van de tent gewandeld. Oh, wat ze toen allemaal te zien kreeg! Veel mensen, allemaal in gekke pakjes; de ene slingerde aan een touw door de tent, de andere haalde konijnen uit zijn hoed en broekspijpen en de clowns waren veel grappiger dan nonkel Rudy. Wat genoot Lientje, ze was de slang en tantes tandvlees op slag vergeten.

En toen kwam de laatste act, het was iets met een reusachtig monster met klauwen en scherpe tanden, dat zei de man met de gekke snor. Een beetje angstig keek Lientje naar tante, maar die zat dromerig naar de slangenman voor haar te staren. Lientje werd al snel gerustgesteld toen het om een gewone leeuw in een kooi bleek te gaan. Leeuwen had ze al zo vaak gezien: in haar kleurboek, in de zoo en op televisie. Neen, van een leeuw was Lientje niet bang. Maar toen trok iets anders haar aandacht. De man met de zweep die naast de kooi stond, dat was de leeuwentemmer. Lientje keek verstomd naar de man: wat was hij mooi! Hij leek een beetje op haar grote broer Karel, maar zijn gezicht was veel bruiner. Hij droeg de mooiste paarse broek die Lientje ooit gezien had. En als hij lachte, oh wat werd ze daar blij van, zijn hele gezicht lachte mee, zijn tanden waren mooi wit en blonken en ze voelde zijn ogen stralen tot bij haar bankje halverwege de tent. Lientje giechelde van plezier en trappelde met haar voeten tegen tantes benen van opwinding. Maar zelfs dat merkte tante niet, haar gedachten waren helemaal bij de man met de slang, die het ook niet kon laten af en toe achter zich te kijken.

De leeuwentemmer zei iets in een taal die zij niet begreep, en de kleine meneer riep dat er iemand uit het publiek tot bij de leeuwentemmer mocht komen. Iemand die moedig en sterk was. Lientje wist dat dit alles was wat ze wilde, ze wilde dicht bij de leeuwentemmer zijn en dan moest hij nog eens lachen zoals daarnet. Ze strekte zich helemaal uit op tantes schoot en stak haar vinger zo ver mogelijk in de lucht. Ze gilde: ‘Iiiiik!’ Ach, niemand die haar opmerkte. Een grote man werd uitgekozen en die moest eigenlijk alleen maar de deur van de kooi openhouden. De leeuwentemmer zelf, met zijn prachtige broek, kroop in de kooi en na wat tromgeroffel hield hij zijn hoofd tussen de tanden in de wijd opengesperde bek van de leeuw. Het publiek hield zijn adem in, maar Lientje vond er maar niets aan. Leeuwen waren lieve dieren, dat wist ze van haar prentenboek en van de film ‘De Leeuwenkoning’. De show was nu bijna gedaan maar Lientje lette niet meer op. Ze was boos en moest vechten om haar tranen tegen te houden. Waarom had de leeuwentemmer haar er niet uitgekozen? Hij had haar vast niet gezien door de slangenman die voor haar zat. Als hij haar wel gezien zou hebben, had hij haar zeker naar voren geroepen! Die gedachte troostte haar en ze besloot zelf te zorgen dat ze de leeuwentemmer nog eens van dicht zou zien.

Toen de show voorbij was en iedereen zich klaar maakte om te vertrekken, glipte Lientje van tantes schoot en rende helemaal naar voor. Tante merkte het niet eens, die was weer met de man aan het praten en beiden lachten te luid. Er was niemand meer te zien op de plaats waar de leeuwenkooi had gestaan. De man met de snor was als laatste tussen de tentzeilen verdwenen, en voor hem de leeuwentemmer. Lientje wist dus waar ze naartoe moest. Ze kroop tussen de tentzeilen en kwam in een kleinere tent terecht waar ze zag hoe de artiesten zich uitkleedden, hun schmink afveegden en hun spullen bijeen zochten. Ze zagen er plots allemaal zo gewoon uit. Behalve de leeuwentemmer: plots zag ze hem staan. Hij droeg nog steeds zijn zachte paarse broek en stond in zijn eentje een knoop aan zijn jasje te naaien. Hij zag er prachtig uit. Niemand had haar tot nu toe opgemerkt dus ze kon ongestoord naar hem toe rennen. Ze tikte op zijn arm en keek vol verwachting naar boven. Verbaasd keek hij haar aan. ‘Ik wil met jou trouwen!’ zei ze heel dapper. Vragend maar vriendelijk fronste hij zijn wenkbrauwen: ‘Qué?’ Hij boog zich voorover, Lientje kon hem ruiken. Hij rook lekker naar appeltjes, naar de shampoo die Karel ook gebruikte. ‘Je ruikt zoals mijn grote broer. Hij geeft les op mijn school, volgend jaar is hij mijn meester!’ De man lachte niet-begrijpend. Lientje zag hem nu toch van dichtbij lachen, wat was hij mooi. Ze zou met deze man trouwen, dat had ze geweten van het eerste moment dat ze hem zag.

Op dat moment kwam haar tante de kleine tent binnengestormd. ‘Hier ben je! Wat ben je toch een onmogelijk kind, zomaar wegsluipen terwijl ik even met die vriendelijk man aan het praten was. Excuseert u me meneer! Hopelijk viel ze u niet lastig?’ Ze wachtte geen antwoord af, greep Lientje bij de arm en trok haar terug naar de grote tent die ondertussen helemaal leeggelopen was. Lientje zag nog even hoe de leeuwentemmer lachte en zwaaide en toen niets meer. Tante mopperde nog na: ‘En ik had nog wel zo’n fijn gesprek met Bruno, nu is hij natuurlijk al naar huis gegaan.’ De hele terugrit huilde Lientje, ze stikte bijna in haar tranen. Wat had zij een verdriet. Tante, die zich nu wel wat schuldig voelde, troostte haar en beloofde dat ze volgend jaar terug zouden gaan. Lientje droomde het hele jaar van haar leeuwentemmer, ze tekende hem wel honderd keer en telde af tot haar 7de verjaardag.

De leeuwentemmer was een kleine, bleke man met putten in zijn wangen en een dikke neus. Zijn broek was groen en lelijk en hij keek met opengesperde ogen het publiek in. Geen enkele keer lachte hij en Lientje stak haar vinger niet op. Ze wist dat ze haar leeuwentemmer nooit meer terug zou zien.

Later, toen ze ouder was, werd ze nog vele malen verliefd. Halsoverkop. En ze had nog vaak liefdesverdriet. Maar nooit meer was het zoals die allereerste keer met de leeuwentemmer. Haar leeuwentemmer die naar appeltjes rook.

oude mensen

Samen zaten ze op hun vertrouwde bankje. Ze had vanmorgen haar rimpels nog geteld en voelde zich plots ontzettend oud. Nooit eerder had ze er zo over nagedacht maar vanmorgen had ze met een schok beseft dat ze een oude vrouw geworden was. Ze keek naar een foto van vijftig jaar geleden. Ze had lange, krullende, zwarte haren gehad die nu grijs en dood als stro over haar hoofd gedrapeerd zaten. De vrouw op de foto had blozende wangen en keek guitig in de camera met een aanstekelijke levenslust. Ze was altijd een optimistisch, levenslustig persoontje geweest en mensen hielden er van haar in de buurt te hebben. Nog steeds vroegen vele bewoners regelmatig of ze mee kwam kaarten en bloemschikken omdat de vervelende stiltes er dan zelden waren. Ze had altijd iets te vertellen en zorgde voor gegiechel en lachsalvo’s met haar sappige verhalen.

Vanmorgen was ze het kwijt. Ze keek in de spiegel en voelde hoe de moed haar in de schoenen zonk. Ze zag er uit alsof ze haar hele leven in bad had gezeten: klein, gerimpeld, verschrompeld, krom. Zonder haar bril op leek het nog mee te vallen, maar haar bril moest op en dan zag ze een gezicht vol plooien, kraters en ongewenste haren. Ze herkende zichzelf nauwelijks. Ze had dit natuurlijk al vaak gezien, maar vandaag, op haar tachtigste verjaardag, leken de rimpels zich in één nacht razendsnel vermenigvuldigd te hebben. Ze liep leeg. Het leven vloeide uit haar en ze voelde zich plots verslagen en wanhopig. Ze was zo moe en voelde zich ontzettend oud.

‘Ik ben ontzettend oud.’ Haar gekwelde stem. Tranen welden op en ze keek hem angstig en hartverscheurend droevig aan. Hij moest haar redden van de angst en wanhoop die haar sinds vanochtend hadden overvallen. Ze had haar doemgedachten proberen te bannen, ze had de eendjes gevoederd, gekeken naar spelende kinderen en getracht haar positieve zelf terug te vinden. Ze was er niet in geslaagd. Ze wou maar één ding en dat was gaan slapen en niet meer wakker worden. Hij glimlachte, haalde een verfrommeld zakje tevoorschijn en legde het in haar open hand. ‘Gelukkige verjaardag.’ Met de trillende handen waar ze zo’n hekel aan had, prutste ze het touwtje los en opende het zakje. Glazen oorbellen die op grote druppels leken. Ze hield ze voorzichtig in de lucht zodat het waterige herfstzonnetje in het glas weerkaatste. Ze vond ze prachtig. Haar reeds vermoeide armen liet ze in haar schoot ploffen en één oorbel rolde uit haar hand en viel tussen de bladeren. Een traan drupte van haar kin. ‘Ik kan ze niet dragen, ik heb geen gaatjes.’

Hij wist dat. Hij was een man met een plan.

Even later verlieten ze het rustige park en wandelden het drukke winkelcentrum binnen. Ze had nooit echt kunnen wennen aan de drukte en het gejaag, waar toen zij jong was nog geen sprake van was. Ze zuchtte en voelde een grote drang om terug naar haar kleine kamertje te gaan en daar een potje te gaan huilen. Maar hij was jong, sterk en vastberaden en stuurde haar voorzichtig door de massa. Ze vonden een klein winkeltje en alweer nam hij de leiding en trok haar de winkel binnen. Een verbaasde verkoopster vroeg of ze het heel zeker wist. Hij knikte in haar plaats en even later zat ze op het stoeltje. Haar onderlip trilde een beetje en haar oude handen waren nat van het zweet. Ze was doodsbang en voelde tegelijk een soort opwinding die ze al jaren niet meer had gevoeld. Het voelde zoals toen ze als tiener haar eerste plaat had gekocht. Of als ze een nieuwe jurk had of een nieuw kapsel. Dan was dat een week lang het eerste waar ze aan dacht als ze wakker werd en het zorgde voor warme kronkels in haar buik. ‘Houd uw hoofd stil alstublieft, mevrouw.’ Een hele korte pijnprikkel en daarna een warm gloeiend geklop in haar oorlel. Zo ging het twee keer en voor ze het wist, stond ze alweer recht en rekende hij af. Hij glimlachte breed en zei dat hij haar de moedigste vrouw op aarde vond. Ze mocht nog even in het spiegeltje kijken. Twee kleine diamantjes schitterden aan haar oren en ze grinnikte. Een beetje verdwaasd schuifelde ze de winkel weer uit en keek hoopvol rond om te zien of mensen haar opmerkten. Ze had gaatjes en diamantjes. Dat moesten de mensen zien. Een oplettende ziel zou zien hoe ze veel rechter, vlotter en trotser tussen de mensen stapte dan toen ze net daarvoor bijna de winkel moest worden binnengeduwd.

Een hele week werd ze wakker met warme kronkels in haar buik. Enkele weken later mochten de glazen oorringen erin en ze voelde zich jong, mooi en vrouw. Ze liet voortaan haar bril op het kastje liggen als ze ‘s ochtends in de spiegel keek. Ze dacht dan aan al die oude mensen die al negentig of ouder waren. Daar stond ze nog zo ver van af.

oliebollen

Ze woonde bij ons in huis maar we wisten niet veel over haar. Ze was een bizar meisje. Wij zaten met de jongens op woensdagavond altijd samen in de keuken te praten, zij kwam meestal pas lang na middernacht thuis en kwam dan bij ons zitten. Eén van de eerste weken kwam ze thuis met maar één schoen aan. We vroegen wat er gebeurd was en dan haalde ze haar schouders op. Na wat doorvragen kwam ze met zo’n vaag verhaal aanzetten. Ze had een steentje in haar schoen, die uitgedaan, het steentje eruit geschud en toen ze haar voet weer in haar schoen wilde steken, was haar schoen verdwenen. We geloofden er niets van. Of ze het dan niet bizar vond, dat haar schoen zomaar verdwenen was? Er verdwijnen wel vaker dingen, zei ze dan peinzend en daarmee was het onderwerp afgesloten. Ze zat vaak bij het groepje van zwervers die zich ’s avonds rond de fontein verzamelden. Ze viel van uitzicht helemaal uit de toon, droeg meestal zwierige jurkjes, zag er heel verzorgd uit en had een echt engelengezichtje. Maar ze werd er geduld en dronk moedig mee Cara Pilsjes. Er gingen vaak joints rond, maar daar zei ze steeds nee tegen. Niet dat ze daar uit principe tegen was, dat was het probleem niet. Het paste gewoon niet bij haar, het stond haar niet. Terwijl ze het zei, keek ze ons aan alsof wij dat natuurlijk allemaal ook meteen gezien hadden. En wij maar knikken, het staat je niet.

Ze kwam een keer helemaal nat thuis. Het was iets met de fontein, maar wat er precies gebeurd was, daar deed ze weer heel vaag over. We waren dat ondertussen al gewoon. Ze droeg een witte zomerjurk met bloemetjes en die was nu een beetje doorzichtig geworden. Haar oranje onderbroek tekende zich af tegen de dunne stof. Wij staarden allemaal een beetje naar haar die avond. Ze zag er zo onbeholpen, onschuldig en lief uit en tegelijk heel aantrekkelijk met haar ronde billen waar haar jurk zo tegenaan plakte. Slierten haar plakten in haar gezicht, ze leek een beetje een verwilderd hert. Zo zei ik het achteraf tegen de andere jongens, zij vonden dat melig. Riepen dat ze er gewoon ongelooflijk sexy uitzag. We gingen haar vanaf die avond anders bekijken, dat was zeker. Na een week bekenden wij alledrie verliefd op haar geworden te zijn.

Elke ochtend deed ze bloos op, zo noemde ze dat. Zodat ze de hele dag onweerstaanbaar kon blozen. Soms rookte ze een sigaret omdat ze vond dat de lucht daarna zoveel frisser leek. Ze hield ongelooflijk van kermissen en schuimde het hele land af zodat ze bijna elk weekend ergens, zelfs in de kleinste boerengaten, kon genieten van haar kermis. ‘s Avonds kwam ze dan opgewonden en uiteraard blozend thuis en kon ze niet ophouden met praten. Ik had een hekel aan kermis, maar op zo’n moment hing ik aan haar lippen. Ik moest een keertje met haar mee. Als ze besliste dat je mee ‘mocht’ had je weinig keus, je was uitverkoren en zou je heilige taak zonder morren vervullen, zo hoorde dat. Ze wilde alle cliché dingen doen die er te vinden zijn op een kermis. Van botsauto’s rijden tot oliebollen eten. Terwijl ze het poeder van een grote oliebol in mijn gezicht blies, staarde ik naar de mensen. Ik durfde nooit te lang naar haar kijken omdat ik haar dan zou gaan kussen, dat wist ik zeker. Ze kuste me wel eens op de mond, maar dat deed ze ook bij de andere jongens. Studeren leek ze nooit te doen, ze was niet vaak thuis en leek overal maar wat rond te fladderen. Ze kwam nooit met een jongen naar huis, maar moet wel vriendjes gehad hebben in die twee jaren dat ze bij ons woonde. Het was vaak ochtend als ze thuis kwam, dan liep ik haar bijna omver in de deuropening omdat ik dan, te laat zoals gewoonlijk, naar de les stormde. Ze had dan zo’n schittering in haar ogen en mompelde iets over een fijne nacht. Groen van jaloezie zat ik even later druk te noteren in de aula.

Op een woensdagnacht zat ik alleen in de keuken. De andere twee jongens waren niet thuis die avond en ik zat in mijn eentje op haar thuiskomst te wachten. Het werd laat en ik viel in slaap aan de keukentafel. Ik werd enkele uren later wakker van een hand in mijn nek. Ze zat naast me en staarde me met glazige ogen aan. Ze had te veel gedronken. Ik grapte of dat door de Cara Pilsjes kwam, maar zij schudde heel serieus haar hoofd. Ze werd altijd heel rustig en ernstig van alcohol. Ze bleef naar me turen en probeerde oogcontact te maken. Je kijkt me nooit echt aan, zei ze. Dat is jammer. Toen keek ik haar wel aan en we kusten, lang en intens. Ik maakte me geen illusies maar het was heerlijk. Ze kwam tegen me aanleunen en legde mijn hand op haar borst. Je moet me helemaal openvouwen, zei ze. Maar wel voorzichtig. We vreeën die nacht en ik zag in glimpen het verwilderd hert terug. ’s Morgens was ze natuurlijk verdwenen maar er lag een briefje. Ik moet naar de kermis. Ik zal een grote beer voor je schieten. ’s Avonds had ze een grote, roze beer voor me mee en ze plantte een zachte kus op mijn mond toen ze hem mij overhandigde. Ik vond de beer vreselijk maar gaf hem toch een plaatsje in mijn kamer. Ze gaf ons vaak geschenkjes en kwam nadien controleren of we ze wel gebruikten. Alsof ze wist dat het eigenlijk waardeloze troep was. Ze hield van waardeloze troep, haar kamer stond er vol mee.

Tussen ons bleef het na die nacht als vanouds. Ik had niets anders verwacht maar ik vond toch wel steeds moeilijker om haar met andere jongens te zien en te weten dat ze van iedereen en van niemand was. Op het einde van het jaar besloot ik te verhuizen. Toen ik vertrok, huilde ze een beetje. Ze zei dat ik haar nooit mocht vergeten. Alsof iemand haar ooit kon vergeten. Ze leek een beetje verloren, maar dat beeldde ik me vast in. Ze had een envelop gemaakt en gaf die met me mee. Er zaten gedichten in die ze uit verschillende boekjes had gescheurd. Gewone, platte, melige rijmpjes over de liefde, daar hield ze van. Ze had er iets bijgekrabbeld, in haar kinderlijk handschrift. Die nacht met jou was echt fijn, een beetje zoals een dagje kermis. Zorg volgende keer voor oliebollen achteraf.

knutselen

Ze maken vlechtjes in haar haren want ze is nog een kind. Daarna geven ze kneepjes in haar wang en mag ze buiten gaan spelen, mama moet praten met de buurvrouw. Ze schommelt veel want de zon schijnt vandaag en dan is de schommel tenminste niet nat. Ze probeert niet te kijken naar wat zich binnen afspeelt maar ziet toch hoe mama voorovergebogen zit terwijl de buurvrouw haar wat onhandig probeert te omhelzen. Straks krijgt mama weer rode vlekken in haar hals en gezicht.

’s Avonds zit ze aan tafel en met haar nieuwe kartelschaar knipt ze alle zwarte gaten uit haar dag. Mama aait over haar hoofd en zegt dat het zo fijn is dat ze zich zo goed alleen kan bezighouden. In bed vouwt ze haar dag helemaal open en ziet alleen maar mooie dingen, zoals de schommel en de zon, de rest heeft ze weggeknipt. Ze heeft geleerd dat ze dan de mooiste dromen heeft.

Papa slaapt weer in de zetel vannacht.