zó zien we

zó zien we het kind haarscherp afgetekend
balancerend, de armen open,
doelgericht de ene voet voor de andere
het kind dat zingt, telt, rent, woest brult en stampvoet
zich ‘s avonds in onze armen nestelt
de eeuwige kikkermuts (met naam en persoonlijkheid) op

dat zich dankbaar wikkelt in elke zweem van fantasie op haar weg 
die aantrekt als een tweede huid
en moeiteloos verweeft met haar werkelijkheid 
het kind dat wipt, wiebelt, klimt, bouwt
nooit of te nimmer een milliseconde stilzit
dat zelf kleren kiest die zo min mogelijk matchen 
liefst enkele maten te groot of te klein

dat de wereld: wat goed en fout, recht en onrecht is,
ziet in eenvoudig zwart en wit
en voor wie grijstinten nog niet zichtbaar zijn
haar bed vol levende knuffels
haar wereld vol monsters
die bestreden worden met haar zelfgemaakte zwaard, 
in een Narniaans universum met draken, centaurs en haar broer aan haar zijde

zó zien we ook de tiener soms
nog vaag, onduidelijk, in mist gehuld
maar soms duikt ze even op
horen we haar ergens diep vanbinnen grommen
als ze ‘s morgens met donkere blik beneden komt 
niet aanspreekbaar blijkt

als ze zich geneert bij het afscheid
als ze haar schouders naar achteren trekt 
licht heupwiegend door het huis wandelt
als ze met haar ogen rolt
en mijn pogingen tot een aai of knuffel steeds behendiger weet te ontwijken 

als ze de tiener zelf opmerkt 
somber zegt dat ze het eigenlijk niet wil: groter worden

zo zien we haar balanceren
op het slappe koord tussen twee werelden
dansen, wiebelen, schipperen tussen kind en tiener

als ze valt
rapen we het kind op
we troosten, verzorgen en wiegen 

met de tiener zullen we wachten 
tot ‘s avonds
als iedereen weg is 
het buiten donker is en niemand nog kijkt
haar weerstand verdwijnt
en dan doen we hetzelfde 

Geitenwollen hoop

Ze zijn net in België en zitten nu zo’n 3 weken in de schoolbanken. Ze wisten de eerste les niet hoe je de ringetjes van een kaft opent of hoe een perforator werkt, maar kunnen nu al vertellen wat hun naam is, uit welk land ze komen, waar ze wonen, welke taal ze spreken, of ze getrouwd zijn, hoe het gaat, ze kunnen tellen tot 20 en kennen de dagen van de week. 

Het was de laatste les voor de Kerstvakantie en ik wilde hen zo graag vertellen wat ik wens voor het nieuwe jaar. 

Want ik wens dat ze zich welkom voelen hier. Dat ze behandeld worden zoals wij behandeld worden en niet als tweederangsburgers of als parasieten. Ik wens openheid. Nieuwsgierigheid. Groei. Ik wens een warme plek om thuis te komen en dat bedoel ik heel letterlijk. Waar de verwarming werkt. Zonder vocht- of schimmelproblemen. Met genoeg plaats voor alle familieleden. In de buurt van een park zodat de kinderen soms buiten kunnen spelen. Ik wens hen hoop. Hoop op een beter leven. Ik wens ruimte voor hun trauma en de juiste begeleiding. Ik wens kansen. Ik wens hen plekken waar ze kunnen bijleren en groeien, waar iemand in hen gelooft en hun capaciteiten ziet. Ik wens hen ruimte en begrip voor rouw. Ik wens dat het goed mag gaan in hun thuisland. Ik wens vertrouwen, zachtheid en openheid. Ik wens dat ze weten en ondervinden dat ze net zoveel recht hebben op al het geluk dat wij zomaar in onze schoot geworpen kregen. 

Het is een naïeve wens, ik weet het. Hun leven was al erg moeilijk en wordt er niet gemakkelijker op nu ze hier wonen. Politieke keuzes laten hen vaak voelen dat ze niet welkom zijn, dat ze wél tweederangsburgers zijn, dat hun kinderen minder waard zijn dan die van ons, dat hun trauma’s onbelangrijk zijn en warme plekken een overbodige luxe (toch voor hen). Hun onzekere, kwetsbare situaties zijn een droom voor huisjesmelkers, dus wonen ze vaak in vochtige, slecht geïsoleerde, veel te kleine appartementen, de enige plaatsen waar ze “welkom” zijn met hun hele gezin. Ze voelen zo vaak dat geluk voor hen niet is weggelegd. Dat ze geen capaciteiten hebben die hier van belang zijn, niets kunnen bijdragen en alleen maar een last zijn. Hoe vaak worden ze niet afgewimpeld, wordt er agressief, kleinerend, geërgerd, belerend, uit de hoogte of verveeld tegen hen gesproken. En wat doet dat met een mens?

Maar toch zie ik zoveel dankbaarheid. Ik zie hen genieten van elk nieuw woord dat ze leren, alsof ik cadeautjes uitdeel. Ik zie hoe hard ze werken, hoe ze groeien, hoe sterk ze zijn. Ik zie zoveel moed. 

En dus durf ik hen toch gewoon voluit wensen:
Vertrouwen. Warmte. Groei. Open armen. Goed omringd zijn. Geloof. Hoop. 

Het klinkt wollig en wereldvreemd misschien, maar wat wens je je kinderen, je familie, je ouders? Is dat niet hoe elke mens kan floreren, groeien, de beste versie van zichzelf zijn?

Is dat niet wat deze stad, dit land, deze wereld nodig heeft? Dat iedereen de beste versie van zichzelf kan zijn?

Dus dat wilde ik Ammar, Dalal, Molar, Malalai, Samuel, Femi, Hamida, Somayeh, Sayed Faqir, Ella, Ola, Habibullah, Shakila, Fahd en Mimount gisteren wensen. Maar daarvoor is er nu nog niet genoeg taal. Dus ik schreef ik “vrolijk kerstfeest” en “gelukkig nieuwjaar” op het bord, liet hen een kerstkaartje naar elkaar schrijven en gaf een onnozel kaarsje mee, vermomd als rendier met een rood LED-lichtje in de neus.

Een lichtje voor deze twee weken die voor hen vaak eerder donker en moeilijk zijn dan prettige, warme feestdagen. En ik hoop dat ze daarin iets voelden van mijn warme wensen en de hoop dat ze genoeg kansen krijgen hier om te floreren. En dat ik weiger cynisch te worden. Leve hoop! De volgende keer krijgen ze geitenwollen sokken.

welkom in de lente

Welkom in de lente, zegt de yogaleraar. Een vrouw zit al op haar matje, de voor- en achterkant blijft opgekruld. Er is net genoeg plek voor haar, pal in het midden. Het deert haar niet. Het is een prachtig zicht: de mat fel roze, zij, een rijzige, blonde vrouw, de ogen gesloten, sereen. Ze ziet eruit alsof ze elk moment zal opstijgen op haar vliegend tapijt. 

Even later staan we allemaal te springen. Hier in die sporthal, verlicht door 16 TL-lampen (ik heb ze geteld toen ik in het hier en nu moest zijn), staan opeens 23 volwassen lichamen te springen. Zo gaat het elke week en het is mijn lievelingsmoment. De oude, lange man met knokige beenderen, de vrouw van de roze mat die toch niet opgestegen is, de man met de norse blik en rode muts, de twee vriendinnen, het oudere koppel, de vrouw met de mooie, grijze krullen, de jonge, schuchtere man steeds volledig in het zwart gekleed, de dame die straks bij elke asana luid zal zuchten en kreunen, al die lichamen stuiteren nu in het rond. Haren vliegen alle kanten op, grote, stevige of slappe, rimpelige borsten veren op en neer, armen slingeren langs schokkende lichamen, navels dansen in de losse huid van trillende buiken, voetzolen landen en schieten weer de lucht in. Het heeft iets aandoenlijks, iets ontroerends en iets diep verbindends. Opeens zie ik het, al die mensen die al springend steeds meer loskomen van hun twijfels, pijn, hun volhouden, verdriet, succes, hun woeste verlangens, vreugde, falen, hun gemis, hoop, hunkeren, hun verlies, spijt, vertrouwen, rust, hun groei, wanhoop, onstuimigheid, machteloosheid, hun eenzaamheid, zoeken, hun intense tevredenheid ook, steeds wilder, steeds kinderlijker, op dat matje, onder dat TL-licht. Ik wil naar hen toe stuiteren, roepen, oh jij ook? Ik ook! En hen dan al springend omhelzen. Ik wil samen de sporthal uit rennen. Ik wil met hen zwemmen in een ijskoud meertje. Ik wil in hun armen huilen en samen de slappe lach hebben. Ik wil onder een deken naar de sterren staren. Ik wil pizza’s beleggen en met veel te volle magen op de trampoline. Ik wil een berg afrennen. Heel hoog schommelen en dan springen. Ik wil met onze fietsen door de wijk racen. Ik wil kikkervisjes vangen. Ik wil met hen languit in het gras liggen en dan alleen maar onze ademhaling horen vertragen en die bedwelmende geur van gras ruiken. Ik wil dat kind zijn dat lag te slapen ergens in de buurt van mijn hart en wakker werd door het springen. Ze telt af naar een eindeloze zomer. 

Maar het is pas lente, we houden op met springen en een 37-jarige vrouw met twee dikke, verticale rimpels tussen haar wenkbrauwen als ze fronst, bij haar ogen fijne lijntjes als ze lacht en grijze haren die stevig in opmars zijn, landt weer in mijn lichaam, voorzichtig, ze wil me niet bruuskeren. En met haar, landen ook de twijfels, het falen, de verlangens, het gemis, de groei en hoop, het zoeken. Ze nestelen zich in alle hoekjes van mijn lijf en ik vind het niet erg, plaats genoeg. Het kind en de geur van gras leg ik weer te slapen. Voel nog even na, zegt de yogaleraar. En dat doe ik, een laatste blik op het alweer indommelende kind. De blonde vrouw knipoogt vanop haar vliegend tapijt en ik meen wat sprietjes gras in haar haren te zien.

zondvloed

in de zetel steunend tegen wat kussens en je raakt diep ontroerd door de zuivere, tere stem van Jakub Józef Orliński en je las ergens dat hij ook een breakdancer is, je ogen branden maar je leest verder en op pagina 166 schrijft Hertmans over een zwarte ibis: ‘Misschien dacht ik, is het geheim stomweg dit: volhouden, ook al lijkt er geen enkele reden toe, jij daar met je vleugels open en je ogen dicht tegen de zondvloed die over je heen komt’, je houdt even je adem in maar er komt geen zondvloed de kamer binnen, enkel een dochter in streepjespyjama met haar kattenmuts op, ze kan niet slapen en nestelt zich op jou, warm en tevreden (haar muts spint haast), jullie luisteren nu samen naar Orliński en ze vraagt: was dat nu een zanggeeuw nadat je geeuwend probeerde mee te zingen en dat was het exact zeg je, een zanggeeuw, en je kust haar op haar neus waar heel voorzichtig de eerste zomersproeten zijn verschenen en nu moet ze weer naar bed zeg je na een tijdje en jij even later opnieuw alleen in de zetel (je mist haar warme lijf al), je ogen dicht, wachtend op een zondvloed die soms zo dichtbij voelt of enkel op de slaap waar Orliński je zacht maar gedecideerd heen leidt

Miracel

Als een raket werd jij 9 jaar geleden in ons leven geschoten. Met een onwaarschijnlijke kracht en met oorverdovend veel lawaai. Wij werden compleet omver geblazen, dat ook. Niet voorbereid hierop. Verbaasd, ontroerd, verbluft door jouw zijn. Een beetje wankel maar ook tot over onze oren verliefd. Op zoveel kracht. Zo’n duidelijke wil. Zoveel onuitputtelijke energie. Zoveel onrust ook. En sinds 9 december 2015 zo aanwezig dat we geen enkel moment zouden kunnen vergeten dat jij er bent. Als jij in de kamer bent, is er niemand die dat niet geweten heeft.

Zoveel kracht en tegelijk zoveel kwetsbaarheid. Zoveel gevoel. Zo scherp, zo open. Alles komt bij je binnen, zonder filter. Alles zie en hoor je, je kan niet anders, alles moet verwerkt worden, geanalyseerd, je moet je ertoe kunnen verhouden, je wil het begrijpen, controleren. Alles is veel. Alles is vermoeiend soms. 

Wat een rollercoaster was en ben jij nog steeds. Soms schiet je de hoogte in. Als jij blij bent, is elke cel, elke vezel in je lijf blij. Dan stuiter je het huis rond en mogen wij allemaal meesurfen op die golf van vreugde. Soms duik je de diepte in. Als je boos bent bijvoorbeeld, dan dondert en bliksemt het hier binnen. Als je verdriet voelt of bang bent, voelen zelfs de keukenstoelen hier met je mee. Als je iets wil of net niet, kan daar geen enkele twijfel over bestaan. Dan word je dwingend, eisend, onbuigzaam. Tot je bent uitgeraasd en we nadien samen de juiste woorden zoeken. Het is verbijsterend hoe goed je dan begrijpt wat er gebeurde. Hoe scherp je inzicht. Hoe goed je woorden kan geven aan die complexe wirwar aan gevoelens en gedachten. 

Zo veel liefde heb jij in jou, ook dat is véél en intens en hartstochtelijk. Liefde voor ons, voor je familie, je vrienden. Je geniet zo van samen zijn, van spelletjes spelen, van verbinden, van knuffelen. Jij die als kleuter geknuffel vooral als beklemmend ervoer en je zo snel mogelijk uit de voeten maakte als iemand toch een poging waagde. Intussen vind je niets heerlijkers dan je in de armen te nestelen van wie je liefhebt. Ik kan er zo van genieten om te zien hoe jij ook je vrienden of je nichtjes zo gemakkelijk, zo behaaglijk en vertrouwd, even vastpakt. Dat geknuffel is uiteraard steeds van korte duur, er is intussen alweer zoveel aan het gebeuren dat je niet zou willen missen. 

En dan zijn er nog dieren. Je verdriet was groot toen onze kippen werden doodgebeten. Na al die uren die je had doorgebracht in het kippenhok. Al die gesprekken met je lievelingskip, Hartediefje, op schoot. Al jaren smeek je om een écht huisdier, dus verrasten we je voor je negende verjaardag met Flora en Fientje. Moeder en dochter, 2 katjes uit het asiel. Gestuiter door het huis alom natuurlijk, jij én de katjes. Jullie zijn aan elkaar gewaagd qua energie en speelsheid. Maar je eeuwige onrust verdwijnt als Fientje op je schoot luid spinnend in slaap valt. Je hoeft dan even níet alles te doen, alles te weten, alles te begrijpen, alles te zien. Enkel dat beestje aaien, steeds opnieuw, zodat ze zich veilig en geliefd voelt. 

Ik heb al zoveel van je, door je, met je geleerd. Je bent soms een spiegel. Je zoektocht en je twijfels zijn soms contronterend herkenbaar. En dus zoeken we samen. Groeien we samen.

Want als ik je ‘s avonds in bed vertel dat je geen controle hebt over wat anderen over je denken. Enkel over hoe je over jezelf denkt, hoe je tegen jezelf spreekt. Dat je er voor kan kiezen je eigen beste vriend te zijn. Steunend, supporterend, begripvol en zacht. Dan spreek ik ook tegen mezelf. 

Als ik mee met je zoek naar hoe je die boosheid, die onzekerheid, die angst er kan laten zijn zonder dat ze jou controleren. Dat ze er mogen zijn, je ze mag zien, maar je kan kiezen je aandacht te verplaatsen. Naar wat fijn voelt, waar je van genoten hebt, wat wél goed gaat, waar je dankbaar voor bent, waar je naar uitkijkt, hoe je gegroeid bent. Dat wat je aandacht geeft, groeit. Dan heb ik het ook tegen mezelf. 

Als ik je vertel over fouten maken. Dat dat mag, moet zelfs, om te groeien, te leren. En dat dat vreselijk eng is. Dat er geen juiste of foute keuze is. Dat je enkel leert door te proberen, het proces aan te gaan. Als ik je vertel over vallen en opstaan. Over de leerkuil. Dat je gewoon moet beginnen, ook al zie je enkel die eerste stap en weet je nog niet wat daarna, hoe het gaat aflopen, of het gaat lukken. Dan spreek ik ook tegen mezelf. 

Als ik je leer je gedachten te laten zijn. Dat ze niet samenvallen met jou. Als ik je vertel dat het allemaal stemmen zijn die om het hardst roepen om je aandacht. En dat je hen rustig kan laten roepen daar in je hoofd. Maar hun volumeknop misschien wat zachter kan draaien en je aandacht verplaatsen, van je hoofd vol gedachten naar dat lijf van jou. Naar je buik, waar geen gedachten zijn. Waar niemand roept. Waar je enkel de rustige deining van de adem voelt. Op en neer. Eb en vloed. Samen met het zachte geklop van je hart. Als een lied. Je lijf dat niet denkt, niet vooruit plant, niet terugkijkt, dat alleen maar is. Je wonderlijke, wijze lichaam dat je zoveel toont. Andere dingen dan je gedachten je willen laten geloven. Dat je op dat zachte, troostende ritme in slaap kan vallen. Dat jij dit óók bent. Dan luister ik ook weer even naar het lied van míjn lichaam. 

Als ik je vertel dat ik van alle stukjes Mira houd, van alle versies die jij bent. De bange, de enthousiaste, de onrustige, de liefdevolle, de onzekere, de energieke, de drukke, de boze, de verbindende, de begripvolle Mira. Dat ze er allemaal mogen zijn. Dat ik je zie. Je helemaal zie. En dat ik van elk celletje Mira houd. (Zélfs van de celletjes die scheten laten.) Dan probeer ik ook zo naar mezelf te kijken. 

Ik kan niet ophouden als ik één keer begin over jou te schrijven. Er is nog zoveel te vertellen. Zo schreef ik ook een veel te lang tekstje op je verjaardagskaartje. Vanmorgen legde je halverwege mijn tekst met nochtans een prachtige opbouw, het kaartje zuchtend weg: “de rest ga ik een ander keertje lezen”. Ik denk dus dat ik hier beter afrond en vermoed dat je deze tekst al helemaal niet zelf zal willen lezen. Tenzij ik er heel wat tekeningen en gekke letters aan toevoeg misschien. Of misschien mag ik het eens voorlezen terwijl Fientje op je schoot ligt te slapen. Of leest je 14-jarige, 20-jarige, 36-jarige versie dit later misschien wel zelf. 

Hoe het ook zij. Onthoud vooral dit: ik hou van elk celletje, mijn allerliefste dochter, van elk Miracelletje. 

helemaal niets

Vanmorgen ben ik met de dochter en wat kussens en boeken achter in de tuin gaan liggen. Dat de dochter op eigen initiatief wil lezen, is uitzonderlijk, dus ik genoot van dit momentje samen met haar. Gisteren lag ze bovenop de kast met haar koptelefoon op, zachtjes meezingend met Pommelien Thijs. Een zeldzaam moment waarbij ze even op zichzelf was. Verder kan ze heel moeilijk alleen en bij zichzelf zijn. Het liefst van al staat ze constant in contact met anderen. In de klas is dat in voortdurende interactie met de klasgenoten, ook als er eigenlijk geconcentreerd en individueel gewerkt moet worden. Thuis wil ze altijd bij één van ons zijn, het liefst ook fysiek op een schoot of tegen ons aan. Dat is veilig, dan is ze gerust. Al als baby wilde ze voortdurend gedragen, gewiegd en gerustgesteld worden. Even ergens neer liggen was gelijk aan gevaar en maakte haar angstig en hysterisch. Maar muziek mag nu wel af en toe haar gezelschap zijn. Het helpt haar om even te focussen, zich af te sluiten van alle prikkels die ze zo graag allemaal en het liefst tegelijkertijd in zich opneemt, maar waar ze ook ontzettend onrustig van wordt. Boeken hebben dat effect nog niet, ze zijn nog een verplicht nummertje wat mijn lezershart pijn doet, maar ik kan niet anders dan geloven dat ze het genot van het lezen nog wel zal ontdekken. Ik probeer in ieder geval zelf wat vaker verzonken in een boek in beeld te komen, in plaats van eeuwig scrollend op dat vervloekte schermpje. We blijven ook elke avond voorlezen, want dát vindt ze wel heerlijk en aan boeken als ‘De gebroeders Leeuwenhart’ of ‘Ronja Roversdochter’ beleven wij minstens evenveel plezier. 

Waar het zoontje was wist ik niet eens. Die kan dan weer ontzettend goed alleen met zichzelf zijn. Dwaalt verstrooid het huis en de tuin rond, zacht zingend, pratend of druk gebarend. Komt achterwaarts de trap af, trekt verwoed aan een imaginair touw, heeft plots oorwarmers op of verzamelt schatten die hij dan in zijn nachtkastje legt. Die schatten zijn onder andere een selectie van de mooiste servetten die hij her en der wist te verzamelen, 3 paar van zijn lievelingskousen (voor alle zekerheid want moeder is compleet onbetrouwbaar wat het wassen van zijn kousen betreft), tampons in 3 verschillende kleuren, een bouillonblokje (want het papiertje is van goud en het blokje lijkt op chocolade), een enorme stapel papieren zakdoekjes, een uitgebloeide korenbloem, een tandenborstel en twee paperclips. 

Nu rende hij ons gehaast voorbij, merkte niet eens op dat we daar lagen te lezen. Het gras prikte tussen onze tenen en de bijtjes vlogen luid zoemend over op weg naar de phacelia, de goudsbloemen en reukerwten die naast ons uitbundig bloeiden en geurden. Ik lees het prachtige ‘Moderne natuur’ van Derek Jarman. Ik had wat moeite met afscheid nemen van ‘Onder een andere hemel’ van Joke Hermsen, een boek dat vanalles in me heeft losgemaakt, maar afscheid nemen is dan ook niet mijn sterkste kant. Het boek leerde me een verlangen naar het onbekende, dat al zolang in mij huist, te herkennen en erkennen. Het woord vertepijn, of nog beter ‘fernweh’, ontroert en omarmt me. Het is een gevoel dat me zo eigen is en me ergens ook in een soort eenzaamheid hulde al die tijd. Maar nu bestaat er een woord voor en dus ben ik niet alleen, er zijn nog zielen die rondlopen met die rusteloosheid, dat hunkeren, die mix van spijt en verlangen. Die fernweh, het altijd blijven zoeken naar (en nooit echt vinden van) een ‘heimfallen’, verbíndt mij dus net met anderen. Nu het een naam gekregen heeft, voel ik het opeens ook zoveel sterker. Het zit in mijn vingers, mijn hart voelt zwaarder, tranen wellen voortdurend op en tegelijk voelt het zo zacht. Ik voel hoeveel schoonheid er in dat gevoel zit, hoeveel schoonheid er voort kan vloeien uit dat verlangen. Er hangt een zachte wolk van weemoed om me heen. Iets doet pijn, maar het is zachte en soms zelfs gelukzalige pijn. Er is gemis maar het doet me deugd zo te mogen missen. Ik heb mijn intense gevoelsleven zo vaak vervloekt maar de laatste dagen proef ik vooral de rijkdom van al dat voelen. 

Hermsen schrijft: “Iets ontbreekt, wat ook in het schrijven niet kan worden ingelost. Want zelfs als de taal de woonstee van de mens is, dan herbergt deze schemerige nissen, afgesloten kamers en duistere, onbekende plekken op zolder. Dat huis is bovendien gebouwd boven op de terra incognita van onze vroegste kindertijd, dat altijd vreemd terrein voor ons zal blijven. Maar als we ergens een raam openzetten en ons ‘naar buiten dromen’ en een briesje langs ons gezicht voelen strijken, weten we dat er oneindig veel meer is dan we op dat moment kunnen zeggen. Juist dat ‘meer’ wakkert het verlangen aan om door te schrijven. Nooit kunnen we zeggen dat we voorgoed ergens thuis zijn gekomen en dat er niets meer ontbreekt.” en “Juist in het ‘onbeschikbare’ schuilt de mogelijkheid om geïnspireerd te raken, ervaringen die hij in de kunst, muziek en literatuur, maar ook in de verwondering over de natuur terugvindt.” 

Maar nu lees ik dus ‘Moderne natuur’ van Derek Jarman en het is het afscheid van ‘Onder een andere hemel’ waard want het is weer een schot in de roos. “Wie tuiniert spit in een andere tijd, zonder verleden of toekomst, begin of eind. Het is een tijd die de dag niet opsplitst in spitsuren, lunchpauzes, de laatste bus naar huis. Wanneer je de tuin in loopt, glip je die tijd binnen: het moment waarop je hem betreedt laat zich niet herinneren. Om je heen is het landschap veranderd. Hier bevindt zich het Amen na het gebed.” Het kan niet toepasselijker zijn op alle uren die ik het voorbije half jaar in de tuin heb doorgebracht. Mijn tuin was mijn redding in een hele donkere periode. Ik kon de achterdeur achter me dicht trekken en vluchten, mijn rusteloze handen een doel geven, mijn verwarde hoofd een focus, ik kon creëren, uitkijken, eenvoudige handelingen uitvoeren waar zoveel belofte en hoop in lag. 

En nu ben ik, na een hele dag rommelen in die tuin, te midden van alle weelde gaan zitten. Weelde die ik gecreëerd, gecomponeerd heb in die donkere maanden. Achter me de kleine serre, waar we intussen bijna alle aardbeien hebben opgepeuzeld en de plantjes nu volop uitlopers in het rond schieten op zoek naar nieuwe grond om te wortelen. Waar de joekels van coeur de boeufs maar blijven groeien en steeds meer kerstomaatjes plukrijp zijn. Telkens als ik enkele tomaatjes – de perfecte kleur rood en verleidend glanzend – in mijn handen voel vallen, denk ik: ik moet ze bewaren voor de huisgenoten. Maar nog voor ik de keukendeur open, heb ik ze met veel genot en gezucht naar binnen gespeeld. Mijn moeder zegt altijd dat eten zoveel lekkerder is als iemand anders voor je gekookt heeft. Bij zelfgekweekte tomaten is absoluut het omgekeerde waar. Ze kunnen onmogelijk zo hemels zijn als ik vind dat ze zijn. Als ik diezelfde tomaatjes uit een bakje van de supermarkt zou proeven, zou me nauwelijks opvallen hoe ze geuren en hoe rijk en zoet en sappig ze zijn. Ik zou ze nooit met dezelfde aandacht en focus naar binnen spelen. En ik zou niet langs mijn neus weg aan de jaloerse echtgenoot vertellen hoe lang ze nog nasmaken naar de warmte en de geur en de sfeer van de serre. En als die coeur de boeufs nu eindelijk ophouden met groeien en de juiste kleur gekregen hebben, zal ik ze opensnijden met zoveel genot, hun sappige vlezige binnenkant bewonderen en iedereen zal horen hoe heerlijk ze smaken, zelfs al vallen ze dik tegen.

Links naast me drie grote zonnebloemen die nog net niet bloeien maar al bijna onder hun eigen gewicht bezwijken en daartussen korenbloemen en strobloemen, die laatste in wel vijf verschillende kleuren. Rechts van mij, om het hoekje van de serre (ik zie ze niet maar ruik ze wel) manden met basilicum en munt. Voor me de lavendel die ik vroeg in lente samen met de dochter op verschillende plaatsen aan de rand van het weggetje heb geplant en die nu prachtig bloeit. De bijtjes zoemen heen en weer tussen de lavendel en daarachter de vlinderstruik. Ik had die in maart nog helemaal kort gesnoeid maar de plant staat er nu groots en majestueus bij en bloeit in intens donkerpaars. Niet dat fletse paars van de meeste vlinderstruiken die ik zie aan de kant van de weg. (Je weet wat ze zeggen: eigen vlinderstruik, mooie vlinderstruik) Ik zag er al zoveel soorten bijen, vliegen, hommels en vlinders zich aan tegoed doen.

Wat verder rechts de uitgebloeide slaapbollen, wiens zaadbollen loom wiegen in de wind. Daarvoor de frisse, felle goudsbloemen, het komkommerkruid, de bolderik en de phacelia, bijna volledig uitgebloeid. In het hoekje bij het kippenhok heb ik een andere soort goudsbloem gezaaid, a touch of red, en ik kan niet wachten tot ik de zaadjes kan oogsten zodat ik er volgend jaar een veldje vol van kan zaaien. Ze vallen minder op maar kleuren zoveel zachter, geschakeerder en subtieler dan hun feloranje soortgenoten.

Terwijl de man daarnet naar zonnevlekken keek door zijn telescoop, plukte ik een boeket van korenbloemen, goudsbloemen, reukerwten, cosmos en voegde wat zaaddozen van uitgebloeide juffertje-in-het-groen, slaapbol en klaproos toe want hoe mooi zijn die toch. Daarna verzamelde ik de uitgebloeide klaprozen, bolderik, goudsbloemen, slaapbollen, korenbloemen en cosmos. Terwijl de zaaddozen en het zaad in de keuken liggen te drogen, heb ik alweer zoveel ideeën over hoe en waar ik ze in de lente ga zaaien, welke combinaties mooi zouden zijn en waar ik nog wat bloemenveldjes bij kan creëren. Ik heb mezelf nooit echt creatief gevonden, maar ik blijk wel groene vingers te hebben en kan maar niet geloven dat deze prachtige tuin het resultaat is van wat gepruts en proberen aan mijn kant. 

Het is een moeilijk jaar geweest maar ik zit nu midden in mijn uitbundige tuin, ik hoor een merel zingen en dat ontroert me altijd, de man leest een boek, de dochter hangt tegen hem aan, het zoontje geeft de bloemen water met zijn imaginaire gieter. De eerste zonnebloem, naast de vlinderstruik, bloeit al en dat belooft want ik heb er een tiental her en der verspreid staan in de tuin. 

Jarman schrijft over zijn tuin: ‘Afgezien van dat knagende verleden – film, seks en Londen – ben ik nog nooit zo gelukkig geweest als de afgelopen week.’ Hermsen schrijft: “Nooit kunnen we zeggen dat we voorgoed ergens thuis zijn gekomen en dat er niets meer ontbreekt.” Ik leerde die gedachte – er zal altijd iets ontbreken – de voorbije weken aanvaarden, en net daardoor ontbreekt er af en toe, nu bijvoorbeeld, helemaal niets.

een stem

Het is december, mijn planten verpieteren door een gebrek aan licht (en water, ik moet eerlijk zijn) en de kippen leggen al 3 weken geen eieren.

Ik probeer telkens mijn teleurstelling te verbergen als ik hun hok controleer en zeg dan troostend: het is niet erg, ik begrijp het, wat een kutmaand hé, nog even en we krijgen weer wat meer licht.

Ik breng de kinderen naar school en de dochter, die vorige week 8 geworden is, zegt voor het eerst schouderophalend “ja” als ik “ik hou van jou” roep, in plaats van het ongegeneerde “ik hou ook van jou”. Ik vind dat prachtig. Als ik daarna de trap op ga naar de klas van het zoontje, schreeuwt hij van boosheid en frustratie omdat ik de onderste trede van de trap heb overgeslagen. En hij had het me nog zo gezegd. Hield mijn voeten blijkbaar nogal nauwgezet in de gaten. Blijdschap en opluchting in zijn ogen als ik na even aarzelen toch maar weer naar beneden ga en de trap deze keer op de juiste manier bestijg.

Vlak voor de les snikt M het uit in mijn armen. Ze heeft twee knobbeltjes onder haar oksel ontdekt en ze is vreselijk bang. Ze is hier helemaal alleen en zegt sorry want er is wat mascara op mijn trui. Ik zeg: ‘nee, geen sorry!’ en ‘je bent bang, dat mag, dat is oké’ en pak haar vooral nog wat steviger vast want meer woorden kent ze nog niet.

S brengt zakdoekjes en veegt haar tranen van haar gezicht. Ze spreken niet dezelfde taal maar ze prevelt wat in het Pashto en M en ik begrijpen het niet maar voelen wat ze zegt.
Ze gaan samen aan de tafel zitten terwijl ze nog wat nasnikt en S liefdevol over haar rug wrijft en haar een chocolaatje toe stopt.

Even later zit O, een jonge gast die zijn imago van sterk en stoer graag hoog houdt, te ademen met een plastieken zak over zijn hoofd geknoopt. Hij heeft al sinds gisterenavond de hik en die gaat maar niet over en een oudere cursist heeft zonder veel woorden die zak over zijn hoofd getrokken en vastgeknoopt. Een minuutje moet hij zo ademen en als hij wordt bevrijd, blijkt de hik weg te zijn en iedereen applaudisseert.

Iedereen behalve A die lijfelijk aanwezig is, maar hij is er sinds 7 oktober niet echt meer bij. Hij staart vooral in het niets en checkt tussendoor telkens zijn gsm, zich voortdurend voorbereidend op nieuwe gruwelijkheden. Soms als iedereen goed aan het werk is, ga ik naast hem zitten en dan schrijven we wat zinnen naar elkaar in Google Translate. Hij schrijft dat hij zo vreselijk bang is, de hele tijd en dat er al zoveel familieleden dood zijn, zoals zijn lieve zus en haar 7 kinderen. Zijn moeder slaapt nu op straat en heeft suikerziekte en geen medicijnen. Hij kan niet meer denken of slapen en hij wordt gek en wil niet alleen zijn. Dus komt hij naar de les waar hij tussen levende, ademende mensen van vlees en bloed kan zitten wiens hart klopt, wiens stemmen zonder angst zijn en die zoals altijd de oefeningen maken en nieuwe woorden inoefenen alsof er niets aan de hand is. Ik schrijf terug dat mijn hart bloedt, dat ik me zo machteloos voel en dat ik zondag naar Brussel ga. Zijn ogen lichten op en hij schrijft danku en dat hij zich minder alleen voelt en dat hij ook gaat.

De les is gedaan en ik pak M nog eens vast voor ze naar huis vertrekt. Als de klas leeg is, voel ik een mix van warmte, ontroering, verdriet en liefde. Ik pieker over M en hoe ik haar kan helpen, denk aan A en wat hij nu nodig heeft en ik lach hardop denkend aan O met de plastieken zak over zijn hoofd.

‘s Avonds telt de dochter haar geld. Ze maakt stapeltjes van de centen die samenhoren en noteert hoeveel dat er telkens zijn. Ze rekent alles uit en zegt: Hier mama, eenentwintig euro en negentig cent, wil je dat sturen naar de mensen in Gaza? En nu ga ik weer geld sparen en als het daar dan nog niet opgelost is, dan moet je dat geld ook sturen, oké?

Wat een luxe toch, denk ik.
Wat een dankbaarheid, voel ik.


Dat ik me zorgen kan maken om de kippen die geen eieren leggen.
Dat ik een dochter heb die “ja” zegt als ik zeg dat ik van haar hou, want die liefde en het feit dat ik er ben, is zo vanzelfsprekend voor haar.
Dat ik een zoontje heb wiens grootste zorg is of ik die onderste traptrede wel gebruik bij het naar boven gaan.
Dat ik, als ik bang ben, kan zeggen tegen die angst: het is oké dat je hier bent, maar het is niet nodig, ik ben niet in gevaar. En dat dat klopt.
Dat ik een warme klas heb met mensen die over talen en culturen heen verbinden.
Dat ik gezond ben en zelfs als dat niet zo is, ik genoeg mensen heb die mij liefhebben, kunnen vastpakken en zeggen dat ik bang mag zijn.
Dat ik nog de hele dag binnenpretjes kan hebben denkend aan die ademende plastieken zak en dat ik kan klagen over deze kutmaand omdat ik last heb van het gebrek aan licht.

En dat ik de vrijheid, tijd, middelen en ledematen heb om zondag naar Brussel te gaan. Dat ik een stem heb en die mag, kan en zal gebruiken.

te Londerzeel

Het is ochtend en kind één weent lang en luid omdat iets niet eerlijk is. Kind 2 probeert gefrustreerd haar huiswerk te maken want dat was je vergeten en ze begrijpt het niet en je legt het niet goed uit. Je bedenkt dat er ongeveer niets van wat je in je schoolcarrière met bloed, zweet en tranen hebt van buiten geblokt, is blijven hangen. “Repeteren” van Samson en Gert kan je nochtans woord voor woord meezingen. En uit de lagere school kan je dat ene gedicht van de Siamese kat reciteren. Soms overloop je het nog eens in je hoofd en dan wou je dat iemand vroeg: “Oh, dat gedicht van de Siamese kat? Ken jij dat?! Oh zeg het alsjeblieft eens op!” en dat je dan iemands dag zou maken daarmee. Maar niemand vraagt dat. Uit het middelbaar herinner je je ‘Egidius waer bestu bleven’ en matrices, of toch het woord matrices, want je hebt geen flauw benul meer wat dat precies waren. Van de universiteit: “gij hebt mijn ogen Georges” en ook dat je in Algemene Taalkunde iets leerde over het feit dat een woord niet lijkt op dat waar het naar verwijst en dat Nikolas, die naast je zat, toen het tegendeel bewees met ‘bed’ en je heel hard moest lachen. En daar zit je nu met een hoofd vol gedachten die zelden nuttig zijn, een Siamese kat (en de wijze levensles: ‘wie in de wol wordt grootgebracht, ontbreekt het vaak aan levenskracht”) en verder bitter weinig kennis.

En je bent zo’n moeder die het huiswerk van haar dochter vergeet. Die altijd weer vergeet welke schoen- en kledingmaat ze hebben. Die hen niet genoeg wast want na bijna acht jaar heb je nog steeds geen vaste badroutine. Die elke ochtend vergeet te zeggen dat ze hun tanden moeten poetsen. Hun nagels pas knipt als ze bijna scheuren. Die niet meer weet hoeveel ze wogen bij hun geboorte, wat hun eerste woordje was of hoe oud ze toen waren. Die geen toffe ideeën heeft voor verjaardagsfeestjes. En een hekel aan shoppen waardoor ze kleren dragen die te klein zijn of met gaten in of met vlekken op want je bent óók nog eens zo’n moeder die geen vlekken uit de kleren krijgt. Die gaat slapen met mascara. Die te lang wacht met verse lakens op de bedden te leggen. De ramen bijna nooit wast. En je weet dat je moeder dat wel deed. En je vriendinnen en buurvrouwen en schoonzussen dat ook doen. En je voelt je soms een beetje een mislukking. En zegt dan in de spiegel: dat ben je niet.

En omdat dansen meestal helpt, negeer je de kinderen en begint te dansen op de vervelende kindermuziek die je man heeft opgezet. En ze staren je een poosje uitdrukkingsloos met open mond aan en je weet dat de bewondering, de adoratie en het levensgeluk (want zó’n moeder) dra op hun gezichten zal verschijnen. En ze beginnen te lachen, te proesten en ze zeggen: je kont! en dan tegen elkaar: haha, haar kont! Ze komen niet meer bij. Gisteren in bed vroeg je dochter weer een T-shirt van jou om mee in slaap te vallen en dat streelt steeds een beetje je ego. Je trok je T-shirt uit en ze snoof eens diep en zei: mmmm, het ruikt naar zee, en je dacht nog, oké, een zilte zeegeur, niet slecht, tot ze er nog genietend aan toegevoegde: en naar dode dieren. En dat was om meerdere redenen verontrustend.

En dus breng je de kinderen nu naar school (het is nog steeds niet eerlijk en het huiswerk is niet af) en zeg je nadien in de spiegel in de gang: geen mislukking, goeie kont, lekkere geur. En kinderen het mooiste geschenk.

eb

Ik spoel de modder van mijn voeten in een emmer bij de achterdeur en zie hoe de nagellak steeds verder van mijn teennagels glijdt, alsof het ongemerkt eb is geworden. Ik denk aan de zee en hoe jij mijn zeegezicht het mooiste vindt en dat ik er nog eens heen wil. 

To en ik hebben even op bed gelegen vanmiddag want ik was zo moe. Hij aaide mijn hand en gaf zoentjes op mijn blote schouder. Hij keek lang naar de poster van ‘Caféterras bij nacht’ die in onze slaapkamer hangt en vroeg toen hoe van God het zo had geschilderd dat het niet plat leek maar diep. Ik zei van Gogh en hij zei dat hij nochtans in God gelooft en ik niet. 

Hij maakt patroontjes met de strijkparels, heel geconcentreerd. Ik ben alleen thuis met het kind dat bij mijn stemming past. Zij zou nu aandacht vragen. Spelletjes willen spelen. Entertainment eisen. Ik zou driftbuien moeten opvangen. Emoties helpen reguleren. Problemen oplossen. Bij To niets van dit alles. Hij maakt tekeningen, hangt ze random op aan de muur. Loopt rond met draadjes en schroefjes en doet daar vanalles en niets mee. Hij zingt liedjes en praat tegen zichzelf. Doet imaginaire deurtjes open. Volkomen verzonken in zijn spel. En ik plooide naast hem de was, verzonken in mezelf. Denkend aan de vrouw die nog even naar de man toe fietste terwijl hij stond te wachten bij het licht. Hij had zijn koptelefoon al op. Ze tikte hem op zijn schouder, zei iets, ze lachten. En ik weet niet of ze echt waren of ik ze droomde. 

Weer kon ik het gras niet afrijden want het was te nat dus heb ik me op de brandnetels gestort. Tot ik me herinnerde dat ik ergens las dat de rupsen van de dagpauwoog en de kleine vos enkel brandnetels lusten. Ik heb verstrooid sorry gezegd. De kippen wijsheden toegezongen (‘pak het vast, gooi het weg, laat het los’). De frambozenstruik op goed geluk gesnoeid. Gerommeld in wat hoekjes. Dingen uitgetrokken. Doorgeknipt. Zonnebloemen die nu op zolder hangen te drogen.

Ik denk aan mensen van vroeger en wie ik toen was. En aan mensen van later en wie ik zal zijn. Of ik afscheid zal moeten nemen en van wie en of het pijn zal doen. Ik kijk nog eens naar die teennagels. Ik zou er korte metten mee kunnen maken. Dissolvant bovenhalen. Ze verwoed schoonboenen. Maar ik ben niet zo goed in korte metten. Liever staar ik naar de restjes van wat heel bijzonder was. Dat en ook dat ik mottig word van dissolvant. 

Het is eb geworden en dat is schoon en dat doet pijn en het zal weer overgaan. Binnenkort zijn mijn zonnebloemen gedroogd. En dan lak ik mijn teennagels opnieuw en gaan jij en ik naar zee.  

sneeuw

de kinderen vragen of ik de babyzeemeermin kan vinden in het zoekboek en de zon doet zo uitbundig en de hitte is opeens ondraaglijk en ik wou dat ik het gras nog niet had afgereden want ik wil iets kortwieken

ik denk dan maar aan dikke pakken sneeuw uit een ander seizoen die ik met veel geweld op dat brandende hart schep zodat het nog even nijdig sist en dan uiteindelijk toegeeft en weer stil en tevreden verder klopt zoals voorheen en de babyzeemeermin zit bij het achterste raam in de bus en ze zwaait