Chicago

In de auto met gesloten ogen. Ik hoor de dochter hardop lezen in een boek en voel hoe de zon voluit schijnt en mijn gezicht verwarmt. De lucht is stralend blauw en dat is nu al de hele week zo. Het kan niet op. Ik heb me aan elk straaltje zon gelaafd en gevoeld hoe mijn lijf zich als een batterij vulde met warmte en hoop. Het begon bij mijn tenen en heeft zich nu al rond mijn hart genesteld. Als ik mijn ogen open, zie ik door de achteruitkijkspiegel hoe het zoontje de grappigste grimassen trekt omdat de zon in zijn gezicht schijnt. Dat gezichtje, daar kan ik naar blijven kijken. Er wordt vanop de achterbank nog niet geklaagd over de grotemensenmuziek dus we genieten van Gorki die zingt over Mia. 

Ik sluit mijn ogen weer en ben 15 jaar. Ik zie een filmische scène voor me waarbij ik op een fuif op de rand van een laag podium zit. Het is al laat en er wordt niet veel meer gedanst. En dan begint Luc De Vos te zingen en een onbekende, knappe jongen stapt op me af. Hij zegt niets maar steekt zijn hand uit en even later dans ik in zijn armen. In mijn gekleurde herinnering zijn we de enigen die nog dansen en staat een zachte spot op ons gericht. Ik leg mijn hoofd op zijn schouder en hij voelt vertrouwd. Na het nummer bedankt hij me beleefd en verdwijnt even plots weer uit beeld. Een 15-jarig tienermeisje zou voor minder eindeloos fantaseren over deze onbekende. Over dat lege omhulsel dat ik kon vullen met wat ik maar wilde in een man. 

Dé man – zo’n echte, van vlees en bloed – vertelt enthousiast aan de kinderen dat we vandaag door 3 landen zullen rijden. Opeens zoeven we van onze eigen hobbelige snelwegen over de zeer aangename wegen van ons buurland. Meteen ziet alles er minder rommelig uit. In dit land lijkt alles altijd nieuw en schoon. 

Ik zing mee met het heerlijke ‘Chicago’ van Sufjan Stevens. ‘All things go’ en ‘all things grow’. Het heeft nog nooit zo geruststellend geklonken als vandaag. De muziek brengt me naar mijn eerste kot. Ik weet weer hoe het daar rook en voel de goedkope vinyl nog onder mijn blote voeten. Ik lig op bed en luister naar dit nummer. Het galmt door de slechte boxen van mijn prehistorische pc. Ik ben eerder die dag op het dak gekropen met de jongen die nog even mijn lief was. Daar verteld dat ik dit niet meer zag zitten en hij daar iets te vlot mee ingestemd. We hebben nog een laatste keer gekust in de dakgoot en ik vond het heerlijk en spijtig en romantisch en triest. Dus nu lig ik op bed en luister muziek tot diep in de nacht, me wentelend in melancholie en tristesse. Alzo het leven van een 18-jarige kotstudente. 

We komen aan in het derde land waar alles zo mogelijk nóg schoner en nieuwer is. En er zijn bossen en meren en die zon blijft maar stralen. We knuffelen onze vrienden die we al zo lang niet meer zagen en gaan wandelen in de bossen vlakbij. 

‘s Avonds rijden we terug, genietend van de steeds lager hangende oranje zon, de mist die al over de velden hangt en de gigantische wieken van de windmolens die loom en onverstoord door de lucht glijden. Zo rijden we ons eigen rommelige landje binnen, waar we de grote stad naderen en dus file, ook op een zaterdagavond. Erg vind ik het niet want die oranje bol is net verdwenen en de lucht kleurt prachtig rood. 

De man, die echte van vlees en bloed die luid zou protesteren als ik het niet meer zou zien zitten, zit naast me. We luisteren glimlachend naar het fantasiespel van de kinderen op de achterbank. Ze verzinnen om beurten en een spannend verhaal ontspint zich. Ze houden dat de hele weg naar huis vol en opeens vraag ik me af of één van hen later graag zal schrijven. In gedachten sta ik al in de boekenwinkel aan te schuiven voor een boek mét handtekening. Ik denk aan mijn dochter die vanmorgen zei: ‘soms ben ik verliefd op mezelf’. Ik bedenk dat ik dat misschien ook af en toe moet zijn, verliefd op mezelf. Een mooie liefdesbrief schrijven met de hand. Mezelf op handen dragen. Blind voor de scherpe kantjes. Af en toe een oogje dichtknijpen en dan dromen. Dus ik knijp mijn beide ogen stijf dicht en zie heel even wie die handtekeningen uitdeelt in mijn dromen. Drie keer raden. 

iets met water

Ze zitten samen in bad. Ze maken schuimbaarden (ik ben Sinterklaas! en ik ben Bart!), schuimsnorren en schuimborstjes. Ze worden steeds wilder en het water klotst over de rand. Tijd om het zoontje uit bad te vissen. Hij protesteert niet. Kijkt tevreden naar zijn vingers vol rimpels, die aantonen dat hij lang genoeg in bad zat. Hij kijkt eerst geconcentreerd, wrijft dan zijn vingers over elkaar en over mijn hand, houdt zijn hand voor de spiegel en zucht van contentement. 

Plots loopt hij bloot de badkamer uit. Onze slaapkamer door naar het bureautje waar hij aan het raam gaat staan. Een plekje waar ik hem de laatste tijd regelmatig vind. Van daaruit kan hij net ons vorige huis zien, dat zich enkele huizen verder aan de overkant bevindt. Ik hurk naast hem en we kijken samen. ‘Mis je ons andere huis?’ Hij knikt. ‘En ik mis mijn kleine bedje.’ Hij wijst naar het raam van zijn oude kamer, waar nu een ander spijlenbedje staat van een baby’tje dat net zo klein is als hij ooit was. “En onze kadbamer en de oeweecee in de kadbamer.” Ik begrijp hem. Het was een hele fijne badkamer. Altijd heerlijk warm. En het rook er lekker want de wasmachine stond daar ook. Ik had er veel planten want er was genoeg licht. Voor hen was het een extra speelruimte achter onze keuken waar ze groot werden. Waar hij eerst op zijn billen rondschoof, daarna zijn eerste aarzelende stapjes zette en hij het laatste jaar even wild als zijn zus danste, stampte en rondrende. 

Hij vindt het hier echt fijn maar dat kijken naar ons oude huis en wat mijmeren, dat kan hij niet laten. En hij is niet de enige. Dus ik blijf even naast mijn blote ventje zitten. Sla mijn armen om hem heen en kus zijn nek. Ik denk aan nummer negenenzeventig. Hoe magisch de eerste weken daar voelden, 7 jaar geleden. Het naar huis fietsen uit de drukke stad, tussen gejaagde auto’s en over gladde tramsporen. En dan dat smalle straatje met Franse allures – bloembakken en gevels vol kleur – inrijden en op het einde ons eigen huis. De kauwen die bij schemertijd rondvlogen, zich in grote groep kibbelend in een boom nestelden, zoekend naar de juiste tak om dan plots met honderden en oorverdovend gekwetter weer op te stijgen. Die eerste ochtend hoorde ik meerdere hanen kraaien en ik waande me op het platteland. Het rook naar het groen van het uitgestrekte park dat niet zo veel verder gekruld lag na te genieten van een dag vol zon en ik wist dat ik thuis was. Twee keer die voordeur binnenwandelen met een nieuw leventje. Hun eerste lachjes en wat zeiden ze ook alweer dat zo grappig was. Sommige herinneringen bleven al haken achter die chauffage in de badkamer, vonden de verhuis teveel gedoe. Andere kwamen met ons mee maar zullen ook terugkeren. Als ze voelen dat het kan, zullen ze wegglippen. Als we even niet opletten. Ze moeten niet ver. Ze zullen zich verschuilen onder de kasten in de keuken, achter de trap, tussen de gordijnen, bij de wc in de badkamer. Verdwijnen daar waar ze ontstonden.

Het zoontje krijgt kippenvel dus we gaan terug naar de dochter, die nog in het bad zit. Dat was er niet in de vorige badkamer. Ik moet er nog aan wennen dat het zo stil is als zij alleen in bad zit. In het vorige huis was er enkel de inloopdouche, wat zij nogal letterlijk nam. Ze rende er heen en weer onder het stromende water, schaatste, danste en nam duikvluchten… Converseerde, zong, miauwde en gromde intussen volop. Het klonk vaak alsof er zich een heel circus in de douche bevond. Maar in dit bad komt ze helemaal tot rust. Er gaat net genoeg water in zodat ze kan liggen met haar hoofd en oren onder water en haar gezicht er net boven. Zo ligt ze daar, zolang als we haar laten. In stilte. Met gesloten ogen. Zen. En zen is een woord dat zelden op mijn dochter van toepassing is. 

Ik laat haar nog even liggen terwijl ik het zoontje help met zijn pyjama. Ik herken dat effect van water. En hoe dat pas komt als mijn oren ook onder water zijn. Letterlijk afgesloten van het hier, van de mensen en de dingen. Ondergedompeld in een parallel universum waar zelfs mijn gedachten anders zijn en waar tijd of angst niet bestaat. De psycholoog vroeg me welke naam ik het zou geven. Welke vorm en kleur. Hoe groot en waar het zich bevond. En vooral, waar het zich niet bevond. Waar het niet kwam. Als ik zwem, zei ik, onder water. 

Even later zitten we beneden in de zetel onder warme dekentjes. Het zoontje koos ‘buurban en buurban’ en dat kijk ik graag mee. Ik ruik hun natte, versgewassen haren en geniet van hoe ze tegen me aan hangen. Ik kijk stiekem door het raam en zie een stukje van de witte gevel van nummer negenenzeventig en het nu kale voortuintje. De herinneringen die daar bleven kan ik zien vanaf hier: ik zie de kinderen spelen, felle kleuren van mijn bloemen en krijttekeningen overal, ik hoor gegil en watergespetter en ik ruik de barbecue. Ik hoor zachte muziek ‘s avonds en vuur dat knettert. En we lachen. Ik hoor ons lachen. Binnenkort wordt het lente en gaat het boompje daar weer prachtig bloeien. En van hieruit zal ik dat ook kunnen zien. 

Het is de volgende dag en ik voel me goed en dat is deze periode minder evident. Maar goed is beter als het van diep komt. Een gouden randje heeft het net als de zon die na drie dagen regen en storm op het natte raam schijnt. De druppels glinsteren net als de tranen op mijn gezicht. Ik ben vierendertig geworden vandaag, ook al gokte de dochter vanmorgen zestig. Ik heb besloten me te warmen aan de lieve wensen die binnendruppelen en ze woord voor woord te koesteren en te geloven. En te schrijven. Meer te schrijven. Herinneringen vast te pinnen voor ze ontsnappen. Bij deze. Vanmorgen lag ik met de man in het water. Met mijn oren onder water, mijn lichaam gewichtloos. Hij hield me vast zoals hij me de laatste weken veel heeft vastgehouden. Het voelde veilig. De storm gaat stilaan liggen en de winter loopt op z’n eind. Ik zit aan de andere kant van het huis nu en kijk naar de nieuwe tuin. Een echte tuin deze keer in plaats van een veredelde oprit. En ik zie de herinneringen al. Spelende en gillende kinderen, waterballonnen en felle kleuren van alle bloemen die ik wil planten. En ik hoor ons lachen. Luid lachen. 

Portret

Of we stil wilden zitten in de zetel. Ze wou ons tekenen. We mochten niet praten. Met de benen gekruist. Niet naar elkaar kijken. De handen moesten voor ons op onze schoot. 

Afleiding was er niet, ze was heel streng. Ik mocht niet in mijn boek lezen. Hij moest zijn gsm laten liggen. Dus we keken recht vooruit. Door het raam. Waar gelukkig wel wat te zien was. Net verhuisd, een tuin nu, dus heel wat vogels. We mochten het niet zeggen tegen elkaar, dat we een vinkje hadden gezien, een pimpelmees, wat kauwen en een paar van die halsbandparkieten die al een hele poos in grote groep in het park verblijven. Zelfs fluisteren was niet toegestaan. “Anders val ik uit mijn concentratie.” 

Ik keek naar haar en haar concentratie. De tong soms uit haar mond, haar bril naar het puntje van haar neus gezakt, bijtend op haar onderlip. Ze keek op. Was klaar met hem. Opgelucht dat het best goed gelukt was. Begon nu haastig, bijna gejaagd, aan mij. We gingen wat anders zitten, onze gewrichten kraakten, we zeiden kort iets tegen elkaar maar werden meteen de mond gesnoerd. Dus de stilte kreeg weer ruimte. We zagen wolken voorbij drijven. De zon die eerst feller scheen en dan weer zwakker. Een vliegtuigstreep in de lucht. Ik voelde zijn arm tegen de mijne. Zijn warmte. Ik voelde de rust van het niets doen. Alleen maar kijken. En wachten. Verwachten. 

En toen was er onrust. Haar enthousiasme weg. Een donkere wolk. Een boze blik. Het zou gaan stormen, onweren nu. “NEE!” Ze schreeuwde. “JIJ BENT NIET GOED MAMA. HET IS NIET GOED. KIJK TOCH NAAR DIE BENEN. ZO ZIJN JOUW BENEN TOCH NIET?” Ze stampte en schreeuwde en de tranen sprongen in haar ogen. De tekening vloog op de grond. “MIJN TEKENING IS STOM!!” 

We probeerden te sussen. Te bedenken hoe we het konden oplossen. Maar ze wilde ons niet horen. Onze oplossingen waren stom. Ze schreeuwde en beet in haar trui van frustratie. En toen klikte er iets in haar hoofd. De storm ging liggen, even plots als hij was opgekomen. Ze liep resoluut naar de kast. Nam een schaar. Knipte mij zonder aarzelen los van mijn geliefde. Ik dwarrelde verbouwereerd op de grond. Ik vreesde even dat ze het daarbij zou laten. Dat ze genoegen zou nemen met het portret van de man. En wij dus voor altijd losgesneden. 

Maar ze was inventief. Ik kreeg een tweede kans. “Papa en mama, wisselen van plaats nu.” eiste ze. Er was nog wat plaats op het papiertje aan de andere kant. Dus ze begon me opnieuw te tekenen, rechts van hem nu. Ze tekende snel. Verwoed. We durfden amper te ademen. Haar concentratie was heilig. Zou ze tevreden zijn? Zou ze de hoge lat die ze telkens voor zichzelf legde, halen? Ze stopte. Legde haar pen neer. Keek eens goed naar de tekening. En dan naar ons. 

Het verdict viel. Ik was goed genoeg. Papa was beter, maar ik kon er mee door. Oef. Maar de zetel waar we op zaten leek op een bed, vond ze. Ze aarzelde, leek af te wegen of dit een nieuwe storm waard was. “En het ís ook een bed”, besloot ze toen. En om alle misverstanden te vermijden, schreef ze nog: ‘Mama en papa in det.” Zodat niemand zou denken dat ze een zetel had getekend die op een bed leek.  

Wij zwegen wijselijk over dat buikje dat aan de foute kant van het stokje hing. Bleven nog even zitten in de zetel, zo zonder iets te doen. Mochten weer met elkaar praten, dus we zeiden levensbelangrijke zaken zoals: “kijk die duif” en “amaai, mijn rug”. Opgelucht dat we na die korte scheiding weer samen waren. En dat zijn linkerarm net zo warm was.

Kontrabas

Ik vouw hun onderbroeken. Hoewel ik nog steeds twee stapeltjes maak, heeft dat weinig zin. Zij draagt bijna altijd zijn boxershorts. Ze vindt het fijn dat die zo ruim zitten. Hij daarentegen kiest regelmatig haar onderbroeken. Grauwig roze (ik sorteer mijn was niet) met gekleurde zebra’s erop. Of een glitterrandje. Hij vindt dat mooi.

Als ik hem help met zijn onderbroek, wil hij zijn rechterbeen niet opheffen. Die is kapot. Hij steekt zijn wijsvinger uit en begint te grommen, te boren en te schroeven. Zo, klaar. En ineens gaat zijn rechterbeen de lucht in en verdwijnt in het pijpje. Ik zing een liedje maar hij onderbreekt me streng. ‘Je liedje is op slot, mama. Volgende keer mag jij terug zingen, als je liedje weer open is.’

Hij loopt met zijn handen druk te bewegen en zoeft en zwaait. Gifarren redden van de monsters. Met zijn raket vliegen. Krokodillen doodmaken. Hij heeft veel meer fantasie dan zij op die leeftijd. Toen zij zo oud was bestonden haar dagen uit veel frustratie die steevast in driftbuien resulteerde en daarnaast heel veel vragen. Zij wou grip op haar leven, controle en kennis. Wilde alles zien, alles begrijpen, alles bepalen en voelde daarbij (te) veel en (te) heftig. Hem kan de realiteit niet zoveel schelen. Hij vraagt 1000x per dag ‘waarom’ maar het antwoord boeit hem niet, ’t is de vraag die hem amuseert.

Als ik voor het eerst in bijna nooit mijn strijkijzer en strijkplank nog eens bovenhaal, vraagt hij waarom ik mijn broek ga mixen. Hij komt vol verwachting kijken naar dat onbekende apparaat. Terwijl ik strijk, vraagt hij hoopvol wanneer ik ga beginnen en druipt teleurgesteld af als blijkt dat ik al bezig ben. En het dus maar dát is dat je met dat ding kan doen. Het maakt niet eens geluid.

De dochter praat aan de voordeur met een vriendinnetje. Ik hoor haar proesten om het woord “contrabas”. Daar zit kont in. Ze komt niet meer bij.

Met gestreken broek (de dochter merkt op dat er nog érg veel kreuken in zitten en dat ik het riempje beter ook gestreken had) vertrekken we naar de bibliotheek. Ze houdt haar pop vast, huppelt naast mij en tatert honderduit. In de bibliotheek gaat ze in een hoekje zitten met een stripverhaal en ik kan ongestoord mijn eigen boeken kiezen, dat is nieuw. We kiezen er ook samen een paar voor haar en haar broer en wandelen terug over de oude begraafplaats waar het prachtig wandelen is in de herfst.

We rapen okkernoten en kijken gefascineerd naar die berk die recht uit een graf groeit.
Ze vraagt me de naam voor te lezen van wie daar ligt. Ik zet me schrap voor een resem moeilijke vragen over de dood maar ze giechelt alleen. Billy. Daar zit bil in.

Er zijn werken in onze straat. Ze wijst naar een buis en vraagt waarom daar zoveel gaatjes in zitten. Ik zeg, zoals ongeveer 20x per dag, dat ik het niet weet en ze het straks maar aan haar vader moet vragen. “Ja, dat is omdat jij, hoe moet ik dat zeggen, ik wil niet zeggen dom want dat is niet zo lief, dus euhm, … Dat is omdat jij niet zo slim bent.” zegt ze, waarna ze nog een gedroogd appeltje in haar mond stopt. Ze checkt even hoe ik reageer. Als ik haar gespeeld verontwaardigd aankijk, lacht ze achter haar hand. “Gewoon een ietsiepietsie dom”, durft ze nu. Dat vraagt om een kietelaanval.

De volgende dag voel ik bij het hurken mijn broek scheuren. We zijn op wandel met de hele familie. Ik draag gelukkig een lange jas. Ik durf de schade niet op te meten dus de jas blijft aan, de hele dag. ‘s Avonds zie ik dat het niet meer te herstellen valt. De man wijst me er in het voorbijwandelen op dat ik dat riempje toch beter ook gestreken had. Dus de broek gaat uit, de vuilbak in en het strijkijzer terug in de diepe krochten van de kast.

Het zoontje komt kijken, zijn zus ook. Ze dragen ook geen broek. Uiteraard. Hij doet mijn liedje weer open. Ik zing van de boom staat op de berrug. Ze vallen in. Halihallo. Drie onderbroeken dansen door de keuken. Dat ziet er vast een ietsiepietsie, hoe zal ik het zeggen, dom uit. Maar ik hoor de man, die geamuseerd toekijkt, niet klagen.

Gebakken suiker

Hij roept me. Ligt in zijn nieuwe, grote bed in de kamer die nu hun kamer is. 

Ze oefenen al twee dagen. “Onze kamer” zeggen ze, en dan glunderend naar elkaar kijken. Op vakantie sliep hij al twee weken in een groot bed op dezelfde kamer als zijn zus. En dat ging goed. Hij vroeg geregeld naar zijn bedje. Wanneer we weer naar ons eigen huis zouden gaan en hij terug in zijn eigen bedje kon slapen. Met zijn twee tutjes en zijn twee baby’s. Hij stak dan van elk handje zijn duim en wijsvinger op. 

Zijn lijfje groeide uit zijn bedje, maar toch wilde hij er blijven slapen. In zijn ‘slaakslak’ met zijn gezicht in een hoekje tegen de spijlen. We vroegen het soms. Of hij het grote bed niet eens wilde proberen. Het stond daar al een tijdje klaar, naast zijn babybedje. Geduldig te wachten. Maar hij koos dan veilig en bekend. Hij heeft dat van geen vreemde. 

Op vakantie was er enkel dat grote bed. En het ging goed. De thuiskomst dus het moment voor die steeds weer uitgestelde verandering. En meteen bij zijn zus op de kamer. Dat wilde ik al een tijdje. De man twijfelde steeds want zouden ze dan niet slechter slapen, vroeger wakker zijn en we hadden toch twee kamers. Mijn eigen herinneringen aan alleen slapen als kind zijn niet zo fraai. Mijn angsten kregen dan de overhand. Op den duur was ik overdag al bang voor de nacht die me zonder genade elke avond weer opwachtte. Die nooit een keer kon worden overgeslagen. Dus hield ik vol. 

De man haalde zijn bedje uit elkaar. Hij was erbij en hielp. Ze sleepten het grote bed naar de kamer van zus. En oefenden ‘onze kamer’ en ‘de speelkamer’. En toen ging de bal aan het rollen. Want die grote slaapbank die bij ons op zolder stond, kon nu naar de speelkamer, zo werd het ook een logeerkamer. En toen kwamen zakken vol kleren en andere spullen tevoorschijn die veilig achter die slaapbank weg geborgen stonden. En de vriendin die van opruimen en inrichten houdt was er toevallig bij. Dus toen begonnen we de zolder op te ruimen. Zakken vol kinderkleren gingen eruit. Dekentjes van toen ze klein waren. Voor de kringloopwinkel. Een loopkarretje. Lelijk en van plastiek. Ze zetten er allebei hun eerste stapjes mee. Een zak vol zwangerschapkleren. Waar mijn buik tegenaan zwol en armpjes, oortjes en hersenen onder groeiden. Ik zag de man genieten. Zoveel kleren weg. De zolder werd ruimer. Rustiger. Ons bed kon nu anders staan. Er kwam een hele muur vrij. Ik zag het ook. Maar voelde het niet. 

‘s Avonds lag ik in bed. In die opgeruimde zolder. Gezelliger ingericht nu. Ruimte en rust. En ik voelde me wat ontwricht. Die kleertjes. Waar ze eerst in- en later uitgroeiden. Waar zij voor het eerst in kroop en de buitenproportionele euforie en trots bij ons toen. Broekjes, afgesleten aan de billen want daarop schoof hij aan een stevige snelheid door het huis. Pakjes waarin ze gulzig dronken aan de borst en hoe mij dat altijd bleef verbazen. Tegen mij aan in slaap vielen. Geurden naar zure spuug en uitgelopen pamper. Dekentjes waar ze voor het eerst op rolden. Dat loopkarretje. Waar zij op 9 maanden al het huis mee rond croste. En hij, 19 maand oud, zich eindelijk, bijna met tegenzin, eens aan optrok. Ik miste hen. Die versies van mijn kinderen die ik al die tijd dicht bij mij had op de zolderkamer. Ik dacht aan mijn man en hoe zeker hij was, meteen na de geboorte van de tweede. Dat twee genoeg was. En hoe ik nooit zeker ben, over niets. En kiezen is verliezen. Ik voelde verlies. Ik dacht aan mijn zoon die zo had uitgekeken naar zijn kleine bedje, twee weken lang. Daar lag hij nu, in een nieuwe kamer en in een bed waar hij amper in te vinden was, enkel zijn twee tutjes en twee baby’s waren gebleven. Hij had niet geklaagd. Niet naar zijn kleine bedje gevraagd. Ze hadden goed geslapen. 

Hij roept me. Vanuit zijn grote, nieuwe bed. We zijn al beneden, zij aan het ontbijten maar hij wou nog even blijven liggen. Ik ga kijken. en tut in zijn mond en eentje naast hem op ooghoogte, in elke hand een baby. Beentjes opgetrokken en zijn neusje begraven in zijn kussen. Tevreden. Hij ziet er tevreden uit. Hij kijkt op en zegt: “Mama, ik ruik naar gebakken suiker.” Ik frons, gebakken suiker? “Ja, zoals op een pannepoek. Ruik eens?” Ik ga bij hem liggen, want dat kan nu, met mijn neus in zijn nekje en ruik het ook. Gebakken suiker. En tevredenheid.

Zo’n ochtend en toewee tepels

Het is zo’n ochtend.

Het zoontje was wakker tussen 1u30 en 3u30, raakte maar niet terug in slaap. De man had niets gemerkt. Zijn gesnurk overstemde wellicht alle andere geluiden. Dus ík zo’n 5x naar het zoontje. Had uiteindelijk, bloot op de koude vloer, voor hem gezongen. Van ‘Baby mine’, dat is ons troostlied. Ik hield zijn hand vast door de spijlen van zijn bedje. Hij wou niet lossen. De gelijkenis met de scène uit Dumbo was treffend. Alleen het koortje en de absurd hoge vioolbegeleiding ontbrak. 

Het ontbijt verloopt moeizaam. 5 minuten voor we naar school moeten vertrekken, hoor ik de dochter iets zeggen over haar geheime zakje. En dat ik het nooit maar dan ook nooit van mijn leven zal vinden. Dat ze de beste verstopplaats ter wereld heeft gevonden. Ik registreer het niet echt want het zoontje is nog helemaal bloot. Zit vol bewondering zijn tepels te bekijken. Hij is toch zo trots op die tepels, toont ze graag aan de mensen bij wijze van kennismaking. “Kijk, ik heb tepels, toewee tepels!” 

Op school huilt hij bij het afscheid. Klemt zich aan me vast, wil bij mij blijven, zegt dat hij zo moe is en thuis verder wil slapen. Mijn hart zakt tot achter mijn navel. Ik houd mijn tranen tegen. Dat ik het begrijp. Dat ik dat ook zou willen. Dat het nu niet kan want dat ik moet werken. En laat hem luid huilend achter in de armen van de juf. 

Bezwaard fiets ik naar mijn werk. Het is eigenlijk mijn vrije dag. Maar er is een deadline en het kan enkel vandaag. Ik ben daar ambetant over. Een vrije dag is een vrije dag eigenlijk hé. Als dat afgehandeld is en ik terug huiswaarts fiets voel ik me zo triest. Denk aan de dochter die 5,5 jaar is en bijna naar het eerste leerjaar gaat. Die aan de juf vertelde hoe spannend ze het vindt, dat ze dat niet zal durven, niet zal kunnen, dat eerste leerjaar. En toen de juf vroeg of ze niet graag nieuwe dingen leert: “Neen, ik wil eigenlijk liever thuis met mijn broertje spelen.” Zo staat het in het boekje. Ze zal leren lezen, schrijven, rekenen en zwemmen. Veel druk. Veel verwachtingen. Ze vindt dat moeilijk. Ik vind dat moeilijk. Ik oefen het vertrouwen dat het goed komt. Zodat ze dat vertrouwen voelt en het 2 maanden kan groeien. 

Een man in een geparkeerde auto gooit ineens zijn deur open. Ik slaak een kreet. Ik kan nog net op tijd uitwijken. De man roept mij kwaad na dat hij bijna een hartinfarct deed. DAT HÍJ BIJNA EEN HARTINFARCT DEED? Verbouwereerd fiets ik verder. Bedenk daarna pas wat ik terug had kunnen zeggen. Mij uitvoerig excuseren. Vragen of het wel ging en of ik misschien even met hem langs het spoed moest rijden. Dat het allemaal mijn fout was, natuurlijk, zomaar op het fietspad rijden met een fiets. Wat dacht ik toch. Fietsen in Antwerpen. Dat is toch puur automobilisten pesten. Ik houd nog wat tranen tegen, die van daarnet. Het is zo’n ochtend en ik voel me zo moe. Zwaar. Triest. 

Thuis zie ik haar knuffel op de keukentafel. Met een onderbroek van het broertje en zijn kop in een kommetje. Ze deed dat vanmorgen. Heeft er waarschijnlijk iets over gezegd. Maar ik luisterde niet want rende haar blote broertje achterna. Hij wou blote tepels voor op school. 

Ik zie nog iets anders. Een schuine bloempot. Half van de turnmat aan het glijden. Er zit iets tussen de mat. En ik herinner ik me haar woorden. Over de beste verstopplaats ter wereld. Ze was zo zeker. Ik veeg wat tranen van mijn wangen want het is zo’n ochtend. Straks haal ik hen van school. Hij zal moe en hangerig zijn, zij misschien weer schreeuwen en stampen. Maar ik toch een beetje lichter. Dat denk ik wel. 

Nachtboek

verslag van de zwoele, zweterige nacht van 17 op 18 juni 2021

1:00  Ik lig nog wakker. Het is warm, het dakraam staat open, mijn gedachten malen en ik zit met een irritant liedje van Bart Peeters in mijn hoofd.

3:45 Ik ben blijkbaar in slaap gevallen want word wakker van een lichtflits gevolgd door een luide donderslag. Even later stromen de liters met veel kabaal uit de lucht. De man slaapt en snurkt zacht. Ik hoor boven het geraas van de regenstorm enkele merels fluiten. Ik probeer dat te begrijpen. Vooreerst is het nog midden in de nacht. Waar zijn hun merelouders om hen daarop te wijzen? Dat ze nog even moeten slapen want dat ze morgen anders de hele dag slechtgezind gaan zijn. Maar ook, waarom? Hoe gaat dat dan? Een tweetal merels, wakker geschrokken door de donder, zitten op een tak zo dicht mogelijk bij de boomstam zodat ze niet al te nat worden. Kopje wat ingetrokken. Zegt de ene merel tegen de andere: “Zedd’ oek wakker Juul?” “Ja Merel, en ik zen een bitsje bang aigelijk faitelijk.” “Awel, ik zen ook nie ielemoal oep moan gemák.” “k ‘em een idee! Kende da lieke van Saamsong en Gert?” “Dad’ien van samen oep de motto bedoelde?” “Nieje, zotteke, van as ge bààng èt in den doenkere moete floate” “Ahja? Serieus? Da’s oek ‘t ieste da’k er van oer. Awel, dan goan we dadis doeng zeiker? Mor god’ ongs moeder der nie ambetaant van worre?” “Nieje, die eed’eur oordoppen in en z’eed een sloppilleke gepakt omdadet zoe warrem is.” “Allé, ‘t is goe. Beginde gaai, ‘k zallekik wel invalle.” En zo geschiedde. 

4:00 Twee warme handjes op mijn buik plots en ik verschiet mij een ongeluk. Ze zal ‘s ochtends grinnikend vertellen dat ik wel een kilometer omhoog vloog. Ze kruipt bij mij, krult haar blote, plakkerige lijfje tegen het mijne. Dat ze een beetje bang is van dat lawaai. Ik stel haar gerust dat het maar regen is. Heel veel regen. Vraag haar of ze de vogels ook kan horen. Ik deel mijn theorie over Juul en Merel. We giechelen en knuffelen wat. Hoe heerlijk dit ook is, ik weet dat zolang zij hier bij mij ligt, ik geen oog dicht ga doen en ik moet morgen een beetje fris zijn op het werk. Dus ik breng haar terug naar haar kamer en laat haar achter met haar koalabeer Koewala (die we eerst hebben gerustgesteld dat het geluid enkel regen is) in haar armen geklemd. 

4:20 Juul en Merel zijn stil, waarschijnlijk heeft er eindelijk iemand van de merelgemeenschap zijn verantwoordelijkheid genomen en ingegrepen. Ik denk aan mijn dochtertje alleen in haar bed en voel me een beetje schuldig. Herinner me hoe vreselijk ik het zelf vond als kind om alleen en bang in bed te liggen. 

4:23 Het zoontje roept plots luid dat hij melk wil drinken. En als er na enkele seconden nog geen reactie komt, nog wat luider zodat zijn zus het zéker ook zou horen: “IIIIK WIIIIL MELLEK DRIIINKEN!!” Dus moeder regelt melk. 

4:37.    ‘Je merkt het aan de mussen, dat de lente lonkt’
Ik zucht en beeld me Bart Peeters aan het spit in. Het nummer was eerst best leuk, tot mijn man het iets te vaak draaide en het in mijn hoofd verzeilde. Da’s altijd problematisch want dat is daar zo’n labyrint dat zo’n liedje zeer moeilijk de weg naar buiten weer vindt. Zelfs het fantastische ‘All delighted people” van Sufjan Stevens heb ik eens vervloekt toen het me voor de zoveelste nacht op een rij gezelschap hield. 

4:40 Ik voel me net wegglijden als de haan enkele tuinen verder enthousiast begint te kraaien. Er is gelukkig nog wat plaats op het spit bij Bart Peeters. 

4:50 Op de nok van het dak begint een duif vol overgave te koeren. Het klinkt alsof ze naast me op bed zit en echt waar, hoe enthousiast kan je zijn over je eigen irritante gekoer? Ik laat Bart Peeters en de haan voor wat ze zijn en mijn fantasieën verplaatsen zich nu naar manieren om die duif het zwijgen op te leggen.

5:10 Ze roept: PAPAAAAA! En ik wil haar wens uiteraard respecteren en dus schud ik de man wakker. Even later komt hij zuchtend terug naast me liggen. Ze wou al opstaan.

5:25 De krant wordt rondgebracht in onze straat. Met een brommer die komt aangesnord, stopt bij een huis, weer optrekt, weer stopt, optrekt, stopt, optrekt, stopt, optrHOEVEEL MENSEN IN DEZE STRAAT LEZEN ER HIER VERDORIE NOG DE KRANT?! 

5:50 Ze roept nog eens en mijn sympathieke echtgenoot hijst zich alweer uit zijn bed.

6:15 Ze roepen nu allebei. Hij overtuigt hen dat het nog te vroeg is en dat ze nog wat moeten slapen. 

6:35 Alweer in koor. De man en ik kijken elkaar aan. “Weg ermee.” zeg ik. “Ja, we doen ze weg”, mompelt hij. We roepen dat ze haar broer uit zijn bed mag helpen en dat ze alvast naar beneden mogen gaan. We horen haar zijn kamer binnen gaan, hem liefdevol toespreken, of hij lekker geslapen heeft en of ze zijn slaapzakje moet uitdoen? Daarna stommelen ze samen de trap af. We zijn toch weer een beetje vertederd ook al willen we niet. ’t Is sterker dan onszelf. 

6:45 Ik haal de krant uit de brievenbus.

op weg naar huis van een veel te drukke Colruyt met volgeladen fiets en hoofd

dag jonge vrouw
met je broek net iets te kort
je zwarte legerschoenen en roze haren 
je vel is bleek en je ogen donker
maar jij licht
want je danst een beetje 
en de hielen van je schoenen 
tikken ritmisch op de grond
en ik vind dat mooi

dag knappe man op de fiets
ik kijk iets te lang dus je glimlacht tevreden
je mondhoeken krullen zelfzeker omhoog
je neusvleugels iets wijder 
en je wenkbrauwen schuin
je hele gezicht zegt:
“ja, kijk maar, ik ben echt heel mooi hé?”
en ik moet hardop lachen
want ’t is echt waar
maar dan nog

dag kleine meisje
achterop bij je mama op de fiets
ze draagt een rugzak en buigt naar voren
zo ver als ze kan
maar je kijkt me aan
zo van:
allemaal goed en wel maar
ik zit hier toch maar met een rugzak op schoot

dag slapende man
op die harde bank
je gezwollen gezicht in de ochtendzon
bloed op je wang en je lijkt nog zo jong
hoe vredig lig je daar
en ondanks de zware nacht
het harde leven dat jij kreeg
deed je toch je schoenen uit
zette die netjes naast elkaar
bij het bankje op de grond
want slapen doe je niet met schoenen aan

dag kindjes op jullie hurken
aan het einde van dat straatje
naast dat bloeiende struikje daar
druk in de weer met mijn kookpot
krijtjes pletten, blaadjes plukken en wroeten in de aarde
zeulen met een veel te grote gieter
roeren met stokken in een papje

dag jongetje
je ziet me en rent nu op me af
zo snel als je korte beentjes je kunnen dragen
dag meisje
je springt op en neer
jullie roepen:
mama, mama, mama!
steeds luider
alsof ik terugkom van een lange wereldreis
en ik heb me nog nooit ergens 
zo welkom en geliefd gevoeld

dag lieve vuile modderkindjes
in mijn armen nu
wat was het druk in de Colruyt
wat zijn er veel mensen en verhalen

en wat ben ik blij om nu hier bij jullie
met jullie zwarte nagels, snottebellen,
luide stemmen en zachte wangen
thuis te komen

voor de blonde vrouw en de melkboerin

Ik rijd door de stad naar mijn werk. Ik zie mensen naar me kijken en vraag me af wat ze zien. Wat ze denken.

Misschien kijken ze naar mijn fiets, die is nogal opvallend en niet helemaal mijn smaak, maar dat kon me niet zoveel schelen toen ik hem kocht. Ik moest toen gewoon een fiets hebben. Ik was hoogzwanger van kind 2 en was enkele dagen daarvoor naar een feestje gegaan. Toen ik ‘s nachts terug naar huis wilde vertrekken, bleek dat iemand mijn goeie, snelle, trekkingfiets had gestolen. Ik was furieus. Ik moest te voet naar huis wandggelen, gelukkig was het niet al te ver. Ik voelde me persoonlijk beledigd. Iemand had een fiets gestolen van een hoogzwangere vrouw! Wie doet nu zoiets? Het lef! Krapul was het! Klwotzak, dwoazn ul, ziekn ond, …! (als ik boos ben speelt mijn West-Vlaams een beetje op en ja, ik ging er blijkbaar vanuit dat het een man was) 

Toen mijn man me er de volgende dag op wees dat de dader niets wist van mijn toestand (en dat hem ook geen hol kon schelen – maar dat gedeelte negeerde ik), beeldde ik me zijn schuldgevoel in als iemand hem daarmee zou confronteren. Hij zou mij dan voor zich zien, zuchtend en steunend op die ellendige brug in het holst van de nacht, met tranen in mijn ogen, het geloof in de mensheid kwijt. Hij zou, geteisterd door schuld, mijn fiets terugbrengen. Me een voetmassage geven. En tijdens het masseren luid huilend (met een beetje snot) opbiechten wat hij nog allemaal gestolen had en vertellen dat hij vanaf nu zijn leven zou beteren. Terloops nog opmerken dat ik, zelfs hoogzwanger, een bloedmooie vrouw was en me wat koelte toewuiven. Ik zou bijna compassie krijgen.

Nu mijn verontwaardiging was omgevormd naar een bizarre vorm van medelijden kon ik op zoek naar een nieuwe fiets. En graag voor de baby er was. Het moest zo’n mamafiets worden. Met ruimte voor een zitje vooraan en achteraan. We vonden iets tweedehands. Met roze velgen, “Lief!” er op geprint, roze bloemetjes overal, een grote bel met nóg bloemetjes en een mandje vooraan. Zo’n fiets voor een blonde, creatieve, Nederlandse vrouw met gebloemde jurk, tonnen energie en een stralende lach, wiens huis smaakvol ingericht en altijd netjes opgeruimd is. Met rood gelakte teennagels. Ik ben ook een vrouw en daar houdt de vergelijking op. 

Maar het was een goed merk, de fiets zo goed als nieuw en de prijs zeer schappelijk. Dus we kochten hem en nu rijd ik daar dus al meer dan 3 jaar mee rond in de stad. Ik zie mensen naar mij kijken en wil soms verdedigend roepen: “‘t was tweedehands, en echt een hele goeie, en ik had zoiets nodig en verder is het echt niet mijn smaak!” En soms glimlach ik breed en kijk met zo’n blik alsof ik blond en Nederlandse ben en mijn hoofd bruist van de creativiteit. 

Of misschien kijken ze naar mijn lange kleed. Ik vind het zelf erg mooi en ben blij dat het tot op mijn enkels komt. Ik las gisteren hoe een vrouw meteen lastig gevallen werd toen ze met wat meer bloot op straat kwam en de mensheid dat blijkbaar niet goed aankon. Dat is vast om onnozel van te worden, maar ik kan daar zelf niet echt van meespreken. En ik vind dat niet gek. Ik vind mezelf niet per se mooier worden naarmate ik minder kleren draag. Mijn bovenarmen zijn niet bepaald rank te noemen. En mijn blote benen passen het best in modderige laarzen op een erf ergens, met gebloemde rok (weeral die bloemen) en een emmer verse melk in de hand. (Maar ik weet het. Dit is mijn lijf. Dit is wat ik heb en ik moet er nog een hele tijd mee rondlopen. Ik kan het maar beter aanvaarden en graag zien. Mijn man geloven die me zeer overtuigd wél mooier vindt naarmate ik minder kleren draag bijvoorbeeld.) 

Ik heb mijn gezicht altijd mijn beste troef gevonden. En dat moet ik nu al meer dan een jaar voor de helft bedekken. Maar als ik voor de klas sta, zet ik mijn mondmasker soms even af om bijvoorbeeld nieuwe woordenschat aan te leren. Ik beeld me dan in dat ik verbazing en bewondering in de ogen van mijn cursisten zie. Dat ze denken: “waauw, haar gezicht is echt haar beste troef!” Maar ik weet dat ze vooral schrikken. Want dat doe ik ook als een cursist even zijn/haar mondmasker afzet om iets te eten of te drinken. Niet omdat wat achter dat mondmasker zit niet mooi is. Nee, maar het is nooit wat ik had verwacht te zien. Mijn hersenen hebben blijkbaar het gezicht aangevuld op basis van wat wel zichtbaar is, onbewust, en dat strookt nooit met de werkelijkheid. Dus eerst schrik ik, alsof er in een vingerknip iemand anders op die stoel zit. En als ik dan wat langer kijk en het volledige gezicht in me opneem, vind ik het altijd ontroerend mooi. Zo echt, zo lief en kwetsbaar. Misschien is dat wel het effect op iedereen als die mondmaskers eindelijk af mogen. Dat we mekaar met vernieuwde, verwonderde blik zullen bekijken. Ontroerd omdat we er zo kwetsbaar uitzien. Iedereen op straat met tranen in de ogen.

Genietend van die gedachte passeer ik nog even langs de tweedehandswinkel. Koop een mooie rok met fel oranje bloemen voor maar 3 euro. Kwestie van mijn alter ego’s, de blonde vrouw en de melkboerin, tevreden te houden. Een rok tot op mijn knieën deze keer, omdat mijn witte, stevige kuiten ook recht hebben op wat zonlicht. En de mensheid recht op een eerlijke representatie van (vrouwen)benen op straat, in alle maten, kleuren en vormen.

Zoveel kleur

Ik zit op het toilet met het boek “Jij en ik en alle andere kinderen”. Ik kreeg het daarnet in bed. Ze zongen, zij had een tekening en hij bracht koffie en dat boek dus. Van Bart Moeyaert. Zogezegd voor kinderen maar zowel het kind als de vrouw in mij vinden het prachtig. Ik glimlach om de laatste zin van een gedicht. Ineens gaat de deur van de badkamer open. Een poesje en haar baasje komen binnen. Het baasje zegt dat ik in hun kasteel zit en de bewaker ben. Een bewaker met de broek op de enkels en een boek op schoot. Ik leg het boek opzij en spoel door. De poes miauwt.

Even later sta ik onder de douche van het kasteel. De poes zit op handen en knieën op een krukje naast de douche. Het baasje zeult met bekertjes en een theepot en ze drinken thee en chocomelk. De poes zegt bewaker, bewaker, bewaker, bewaker, bewaker! En dan herinner ik me dat ik dat ben. Of ik ook chocomelk wil?

Ik scheer mijn benen. Het baasje en de poes komen kijken. Zijn nieuwsgierig en bezorgd. Of dat geen pijn doet? Of het echt geen pijn doet? De poes zal op een dag vragen waarom ik dat doe. En papa niet. En of zij dat later ook moet doen. Ik denk na over wat ik dan zal antwoorden. Ja, dat is belachelijk. Onnozel. Stom. Nee, jij moet dat niet doen want je lijf is je lijf en prachtig zoals het is. Nooit moet je het veranderen. Gewoon graag zien. Dat zal ik dan zeggen terwijl ik doorga met scheren en epileren en doen alsof het geen moeite is. Ik luisterde enkele dagen terug met tranen in de ogen naar de eerste 2 afleveringen van ‘Lijf’, een podcast van Radio 1. Ik weet dat ik mijn lijf vooral tolereer in plaats van het graag te zien. Dat ik dat nooit echt geleerd heb en ik het haar wél wil leren. Maar hoe dan.

Het baasje huilt plots want zijn vinger zat onder het deksel van de theepot. De poes wil hem troosten maar hij wil alleen de bewaker. Rent bijna met kleren aan de douche in. De man komt en stuurt hen de badkamer uit. Kleertjes aan, tandjes poetsen, we gaan zo naar oma en opa. Gejuich.

‘s Avonds bekijk ik haar tekening nog eens. Een groot hart. Met heel veel kleur. Een klein hartje ernaast. Wie haar niet kent denkt misschien: haastig ingekleurd, wat buiten de lijntjes, veel moeite heeft ze niet gedaan. Maar ik ken mijn ongedurige kind. Weet dat ze normaal tekent alsof de eerste lijn haar al verveelt. Tekent haastig van zich af. Kleurt niet in. Geen details. Wil er klaar mee zijn. Vaak verscheurt ze ze nadien ook. Teleurgesteld dat het dat maar is. Schreeuwend dat ze haar tekening haat.

En nu dit hart. Al die vakjes. Ze heeft de ene na de andere stift uitgezocht. Lijntjes getrokken. Wellicht tijdens het inkleuren spijt dat ze het hart zo groot getekend had. Maar doorgezet. Het grote hart dat barst van de kleuren en in haar kielzog dat kleine hartje. Ik moet haar morgen vertellen dat ik het gezien heb. Dat ze liefde tekende. Onuitputtelijke, kleurrijke, onvoorwaardelijke liefde. Dat zij, mijn eerste, ter wereld kwam en samen met het vruchtwater die overrompelende stroom van liefde en kleur ons leven in gutste. Ik ga morgenochtend bij haar in bed liggen. Haar haren strelen. Haar gezicht koesteren. Zeggen dat ik het allemaal gezien heb.