voal vetzakske

Er zijn zo van die dagen waarop de raarste dingen je ontroeren. 

Er speelden vanmorgen reeds hevige emoties.

Een kleine greep:
– De dochter huilde eerst heel dramatisch omdat de man haar wéér had wakker gemaakt, en gisteren ook al, terwijl ze nog zó moe was.
– Er was het gebruikelijke geruzie over (ik zever niet) NAAR WIE DE OPEN KANT VAN DE ZAK GRANOLA GERICHT LAG. Elke ochtend opnieuw. We installeerden zelfs een beurtrol, god help ons.
– Het zoontje had uit colère zijn lepeltje tegen mijn voorhoofd geslagen omdat hij melk in een beker vroeg en ik hem melk in een beker gaf.
– Hij werd nog bozer toen hij ontdekte dat ik hem de avond daarvoor stiekem zijn pyjama van Hop Marjanneke* had aangedaan. Hij is “nogal” kritisch wat zijn kleren betreft en die pyjama is eigenlijk een no-go.
– Hij werd licht hysterisch toen ik de granola in de foute richting door zijn yoghurt roerde (denk ik, hij communiceerde niet zo helder).
– De dochter begon te schreeuwen omdat hij te luid huilde en haar oren pijn deden.

Goed, zo’n ochtend dus. Er was ook nog even wat miserie bij de school toen het zoontje ontdekte dat hij een trui droeg met lettertjes EN een embleempje op. DE HORROR. Gelukkig bleek zijn reservetrui wél aan zijn eisen te voldoen en kon een nieuw drama op het nippertje vermeden worden.

Ik moet toegeven dat ik de school met een klein huppelpasje verliet. Een dag voor mezelf en ik ging zwemmen!

Omdat schoolslag mij wat begint te vervelen, heb ik me voorgenomen mezelf borstcrawl te leren. Dat ziet er toch altijd zó mooi uit bij die andere zwemmers! Enkele weken terug ondernam ik mijn eerste pogingen, de basis die ik ooit in de middelbare school leerde indachtig. Het was niet zo’n succes en dat is zacht uitgedrukt. Het werd een gênante vertoning met veel gespartel en gehap naar lucht. Ik kon niet eens één lengte naar behoren zwemmen. Toen ik me nogal dramatisch verslikte met een uitgebreide hoestbui tot gevolg, waren er ineens een heleboel blikken op mij gericht. Ik hoorde mezelf tussen het hoesten door wat onnozel: “‘t is gene corona” zeggen. Zelfs de badmeester kwam even horen of alles wel oké was. Ik wist niet of hij echt bezorgd was of er voornamelijke corona-alarmbellen afgingen in zijn hoofd. Hij bleef nadien ook wat ongemakkelijk lang op zijn hurken zitten wachten terwijl ik aan het bekomen was. Hoewel het me onduidelijk was waarop hij dan wachtte.

Soit, na die mislukking had ik wat filmpjes op youtube gekeken met allerlei tips over ademhaling en armbewegingen. Ik had ze zelfs uitgeprobeerd aan de keukentafel tot grote hilariteit van mijn kinderen. 

Vorige week ging ik dus opnieuw zwemmen. Ik voelde de ogen van de badmeester in mijn rug branden. Misschien om mij op een nieuw hoestje te betrappen en het zwembad uit te kunnen bonjouren. Of omdat hij, van alle zwemmers aanwezig, bij mij de kans op verdrinking het grootst achtte. ‘t Was in ieder geval níet omwille van mijn wulpse lichaam.

Ik besloot – met de youtubetips in het achterhoofd – een nieuwe borstcrawlpoging te ondernemen. Bleek ik tot mijn teleurstelling met al mijn tips zo mogelijk nóg slechter te zwemmen. De badmeester had mijn gesukkel in ‘t snotje en volgde me nauwgezet dus na een paar baantjes gaf ik op. Had ik maar iemand die het mij kon leren!

Vandaag was dezelfde badmeester weer op post. En noem me paranoia, maar hij leek toch weer vooral oog voor mij te hebben. Na mijn verplichte 50 baantjes schoolslag, waagde ik me weer aan mijn miserabele borstcrawl. Na een poosje stond de badmeester recht en kwam op me af. Hij sprak me aan! Begon tips te geven over beenbewegingen, over mijn ademhaling en mijn armen. Hij toonde voor, ik deed hem na. Hij vertelde dat het al veel beter was en somde nieuwe werkpunten op. Ik was een beetje in de war. Kreeg ik nu echt gratis een privé-les? Hij sprak de youtube-filmpjes wat tegen maar opkijkend naar zijn gespierde armen geloofde ik maar al te graag dat hij wist waarover hij sprak. En ik merkte zowaar dat het wat beter ging. Hij kwam nog met een plankje aangelopen en begon een nieuwe oefening uit te leggen, toen ik moest vertrekken. Hij leek teleurgesteld. 

Nu ik zijn gedrag kon verklaren, vond ik hem uiterst sympathiek. Hij was een geoefend zwemmer, misschien zelfs een zwemleraar, die voortdurend naar mijn geploeter moest kijken, zich al weken zat te bedenken wat ik allemaal fout deed en zich vandaag niet meer had kunnen bedwingen.

Tevreden fietste ik terug naar huis. Een man riep “voal vetzakske!” naar een raam en het ontroerde me dat hij voor een partijtje uitschelden een gebloemd mondmasker had opgezet. 

Thuisgekomen boekte ik een nieuwe afspraak: same time, same place and howpelijk same bathmeester voor mijn tweede privé-les borstcrawl!

*Jip&Janneke

blote poep

De dag begon zo mooi. Ik haalde hem uit zijn bedje en vertelde dat hij jarig was, eindelijk! Hij glunderde. We kwamen de trap af, hij staarde naar de vlaggetjes en de ballonnen, zag de man en zei trots: “Tobe nú jarig papa!” Toen zag hij zijn stoel en dat daar cadeautjes lagen. “Cadeautjes!” De deur ging open, hij draaide zich om en zag zijn zus binnen komen, met ogen vol liefde en spanning. Hij riep: “Miraaaa!”, wist zich met al zijn genot en enthousiasme geen blijf dus rende op haar af, en sprong, letterlijk, in haar armen. Gelukkig hield ze stand, want veel groter is ze niet. Daar stonden ze, hun armpjes rond mekaar, zijn beentjes rond de hare geklemd. Ik kon wel janken, zo schoon was dat. De rest van de dag maakte eigenlijk niet veel meer uit, dit was het perfecte beeld en ik hoop het voor altijd vast te houden.

De rest van de dag was natuurlijk genieten. Wat een weer! Hij vroeg met zijn allerhoogste stemmetje: “Tobe euhm voor zijn verjaardag in zijn blote poep eten?” Hij houdt er van als zijn billen dan aan zijn stoel plakken, dus dat mocht. Ze speelden daarna met de “alsoffe” taart en de “alsoffe” koffiebekertjes en de “alsoffe” donuts. Daarna las zij zijn nieuwe boekje van Nijntje voor en oma belde. Er werd voor hem gezongen door meerdere buren (♥️) en zijn tong hing uit zijn mond van verlegenheid en genot.

Ik haalde taart terwijl hij even bij zijn beste vriendje/overbuurjongen mocht spelen en we reden daarna naar de lieve vriendin met de heerlijke tuin en de mooie dochters. Ze had een picknick voorzien en overal ballonnen gehangen en ook nog een boekje cadeau gedaan. Het geluk kon niet op. Hij had al weken gevraagd of hij taart mocht eten als hij jarig was, dus dat stond ook op het programma. En smaken dat het deed. Hij blies 1 kaarsje uit, zijn zus de andere 2 en dat is echt hoe die twee in het leven staan. Hij probeert alles een beetje en zij komt hem dan gretig redden of helpen of troosten. Prachtig.

Toen we ‘s avonds weer thuiskwamen, kreeg hij nog een cadeautje van zijn vroegere allerliefste onthaalmoeder die ook een buurvrouw is en druifjes van nog een andere en een tekening van een buurjongetje. Om maar te zeggen dat wij hier echt in de allerbeste straat wonen.

Hij ligt nu helemaal tevreden en voldaan in zijn bedje. Bij de dochter is een verjaardag altijd een beetje té spannend met iets teveel prikkels en de nodige portie ontlading nadien, dus ik heb een kind nog nooit zó puur zien genieten als hij vandaag. Hij is 3 maar beweert zelf 4 te zijn en steekt dan trots 5 vingers op. Hij is naar het schijnt groot aan het worden maar ik weet wel beter. Want hij is mijn baby die 3 jaar geleden kabbelend ter wereld kwam en mijn hart al 3 jaar vult met liefde en eindeloos veel knuffels.

En straks als ik in mijn bed lig, ga ik dat beeld voor me zien. Hij deze morgen, zo blij dat hij spontaan in de armen van zijn zus sprong. Zij die hem stevig vasthield, liefdevol haar gezicht tegen het zijne wreef en dan die trotse blik naar ons. En wij die half wegsmolten.

de piepschuimdief

Het begon met een paar verdwaalde bolletjes piepschuim die ze in de voortuin vond. En de dag daarna op school. En diezelfde avond in onze badkamer.

De conclusie was simpel. Iemand liet sporen na. Hij werd de piepschuimdief gedoopt. Wat hij precies wou stelen was niet duidelijk, maar het was geen piepschuim. Neen, het piepschuim, dat waren slordigheden. Fouten die hij maakte, waardoor ze hem op het spoor was gekomen. Want ze maken uiteindelijk allemaal fouten. 

Ze maakte gisteren een machine. Satéstokjes in het rooster van de chauffage naast het toilet. 3 hendels waren dat. De linkse hendel was om hem flauw te doen, de middelste om hem dood te maken en de rechtse om hem terug bij bewustzijn/levend te toveren. “Oké mama, wat wil je? Moet de piepschuimdief flauw of dood?” Ik zei dat ik er persoonlijk weinig voor voelde iemand dood te maken, dus koos dan maar flauw. Ze zuchtte eens en rolde een beetje met haar ogen. Dat moederke lief van haar toch. Maar allé, ‘t was goed, ze had tenslotte zelf gezegd dat ik mocht kiezen. “Zo! Nu is de piepschuimdief flauw. Dat komt ervan!” 

En toen ik enkele tellen later de badkamer uitliep hoorde ik nog: “TSJAKAA. En nu DOOD! HAHAHAHAHA!”

Vandaag kwam ze met het opgerolde kasticketje van de Jumbo aangelopen. “Mama, je gaat dit nooit geloven. Dit is echt ongelooflijk. Dit is nog nooit gebeurd. Dit is de eerste keer ooit. Hier ben ik echt niet goed van. Dit moet een nachtmerrie zijn.” (Ondertussen zag ik de fantasievonkjes bijna uit haar oren komen, haar hersentjes druk aan het werk om een vervolg te verzinnen.) “Dit is een brief van de piepschuimdief. Ik heb die gevonden. De piepschuimdief heeft een machine gemaakt. Die staat in de Ikea. Een machine met één oog. Die ziet alles. En gaat alle mensen vernietigen! Maar gelukkig heb ik deze brief hier gevonden. Wacht even!” Ze rende naar één van haar geheime zakjes. Haalde er een beschilderde dennenappel uit. “Hier mama! Onderzoek jij die even?” En 10 seconden later. “Heb je al iets ontdekt mama?”
De ontdekkingen die ik had gedaan bleken niet spannend of origineel genoeg, dus ze nam het maar weer van mij over. Had intussen nog een tweede brief onderschept, waaruit bleek dat die machine niet alleen in de Ikea maar in ALLE winkels stond! En dat ze tijd had tot overmorgen om het op te lossen.

Kijk, ik wil jullie niet bang maken. We zijn er mee bezig en de dochter kennende, zal ze niet opgeven voor ze de schurk onschadelijk heeft gemaakt. De machine in de badkamer kan ze daar helaas niet meer voor gebruiken want die heeft het zoontje afgebroken toen hij alleen wou zijn om kaka te doen. Dat zijn van die tegenslagen waar deze heldin dagelijks mee geconfronteerd wordt. Maar ze geeft niet op, ‘t is een doorzetter, geen paniek dus (voorlopig). Het komt waarschijnlijk goed!

In tussentijd stel ik het volgende voor, ter bescherming van ons allen:

Probeer zoveel mogelijk thuis te blijven. Als je buiten komt, doe dat met maximum 4 mensen anders word je al snel een gemakkelijk doelwit voor de piepschuimdief. Draag maskers indien mogelijk, zo word je minder snel herkend. Moet je per se naar een winkel die niet eens essentiële middelen verkoopt, en is die winkel in het allerslechtste geval de Ikea? Ga dan alleen en bel even op voorhand, om te horen of de machine gelokaliseerd werd en hoe druk het daar is. En onthou: alleen als we samen werken kunnen we de mensheid redden! En vergeet niet, er is hier een kleine heldin druk in de weer om deze missie tot een goed einde te brengen. Want zij waakt over ons!

voor Eva-Lianne

Ik heb je maar anderhalf jaar gekend. Wat is dat in een mensenleven?

Ik ging in Antwerpen studeren en kende daar werkelijk niemand. Jou kende ik een beetje, we hadden 2 gemeenschappelijke vriendinnen die er hadden op aangedrongen dat we elkaar écht moesten leren kennen.

Ik herinner het me nog, mijn tweede avond in Antwerpen. Ik zou naar jouw kot komen in Wilrijk en we zouden samen eten. Mijn huidige schoonzus, die ik toen nog nooit ontmoet had en die “gewoon een vriendin” was van mijn broer, had me toegevoegd op msn. Iemand die Antwerpen kende en me wat op weg kon helpen als het nodig was. Ik vroeg haar welke bus ik kon nemen naar Wilrijk en ze raadde me aan naar de Rooseveltplaats te gaan en daar gewoon te zoeken naar een bus met Wilrijk op het scherm.

Ik vind het achteraf bekeken absurd dat dit de enige voorbereiding was die ik trof, in een stad die ik verder van haar noch pluim kende. Ik was zenuwachtig en ging de verschillende bussen af tot ik een bus vond die aan de beschrijving voldeed. Ik stapte op, vroeg de chauffeur of hij stopte aan “de Bist”, hij knikte nauwelijks waarneembaar en ik ging zitten. En wachtte. Het duurde een eeuwigheid voor de bus vertrok. Toen dat uiteindelijk gebeurde (ik had jou een enthousiaste sms gestuurd dat ik ein-de-lijk vertrokken was) bleek hij een enorme omweg te maken en de Bist was één van de laatste haltes. En jij maar wachten aan die bushalte. Maar ik geraakte er en we hadden een super gezellige avond. We aten de licht aangebrande en tegelijk nog wat rauwe cordon-bleus die je had proberen te bakken. Wat waren we nog groentjes wat het kotleven betrof. We lachten en praatten honderduit. Daar bleken we allebei goed in te zijn.

Ik herinner me dat nadien terug thuis geraken ook geen sinecure bleek. Ik zat nu op een bus die rechtstreeks naar Antwerpen reed. Ik wist dat ik er af moest aan het Centraal Station dus bleef maar wachten en uit het raam kijken tot dat prachtige gebouw zou opdoemen. Maar de tijd verstreek en er was geen station te zien. Toen ik uiteindelijk alle moed bijeenraapte en de chauffeur ging vragen of we er bijna waren, bleken we er al lang voorbij. Door werken nam de bus een andere route, uiteraard. Toen ik de chauffeur met dichtgeknepen stem vroeg wat ik nu moest doen, stuurde hij me geërgerd van zijn bus en wees naar de overkant van de straat, waar straks de bus zou komen die terug richting het station ging. Ik stond daar, het was donker en ik had geen flauw idee waar ik was. Ik slikte mijn tranen weg. De juiste bus kwam, de chauffeur bleek zelfs vriendelijk te zijn deze keer, wist me te zeggen waar ik moest afstappen en zei nog dat ik de groetjes moest doen “in Hent”. Ik rende bijna de hele weg naar huis, want de schoonzusdietoenmijnschoonzusnognietwas had gezegd dat ik in het donker beter niet alleen op straat kon komen. Buiten adem kwam ik mijn kot binnen, zakte op de grond en huilde. Ik stuurde dat ik eindelijk thuis was en jij stuurde van hallelluja en dat het zo’n fijne avond was geweest. Memorabel was het in ieder geval wel. 

Het anderhalf jaar dat volgde werden we goeie vriendinnen en Antwerpen onze thuis. Onze levens waren interessant, wervelend met af en toe de nodige portie drama. Uiteraard. Er was vanaf die eerste avond een vertrouwdheid waardoor we bijna meteen konden delen wat er écht toe deed. En dat was uiteraard de liefde, wat anders? Anderhalf jaar heb ik genoten van onze vriendschap die snel hecht werd. Je maakte de gekste dingen mee en de manier waarop je dat nadien met de nodige zelfrelativering kon vertellen was puur genieten. Je stond gretig in het leven, vol vertrouwen ook. 

Je zat vol plannen en dromen, zag toen al scherp wie je was en wilde zijn, wat je kon en hoe je je dromen concreet zou maken. Ik was minder van het concreet en van het plannen, meer van het dromen, denken, aarzelen en voelen. Een goeie match dus. 

Zo was het ook met de god waar we toen beiden nog in geloofden. Het was toen al duidelijk dat jij daar standvastiger in was dan ik. Mijn worsteling en twijfels, je hoorde ze begripvol aan maar herkende ze niet echt. Wat zou je zeggen als je zou horen dat ik ondertussen al jaren niet meer hoef te twijfelen? Zou je blij kunnen zijn dat erkennen dat ik niet meer geloofde, me zoveel rust heeft gebracht? Ik hoop het. Zou je zelf nog even standvastig geloven? Ik denk het. 

En toen, op 22 maart 2008, sloeg het nieuws in als een bom. Daar in Zambia, die put in de weg. Je was er niet meer. Ik was in Oostenrijk op dat moment. Het was Pasen. Het sneeuwde zomaar, als wit zacht verdriet. Ik weet nog dat ik geen lucht kreeg en een wildvreemde man me in zijn armen nam. Ik kon niet meer ophouden met huilen. Ik herinner me een vreselijke hoofdpijn van al dat huilen en hoe iemand “you look like a frog” tegen me zei. Ik heb zolang gewacht tot je terug zou komen. Tot ik wakker zou worden uit deze vreselijke nachtmerrie. Het heeft lang geduurd voor ik kon loslaten. Me erbij neerleggen dat ik mijn worstelingen en twijfels nooit meer met je zou kunnen delen. Dat jouw avonturen voorgoed voorbij waren. Ik las en herlas de ellenlange mails die we tijdens de examens naar elkaar hadden gestuurd. De maanden en jaren daarna waren voor mij turbulenter en onrustiger dan ooit. Het besef dat het nog eens kon gebeuren, plots, zonder waarschuwing. Iemand die ik liefhad die er ineens niet meer zou zijn. En dat onomkeerbaar was. 

Ik heb je maar anderhalf jaar gekend. Wat is dat in een mensenleven?
Maar het was voor mij zo bijzonder. Dat jij er vanaf die tweede avond in de toen nog erg intimiderende stad was. Wat ben ik blij dat ik je mocht kennen. Wat zou ik er veel voor geven je nu nog in mijn leven te hebben. Jij als bijna 33-jarige. Inspirerend, wervelend, betrokken en geliefd. Ongetwijfeld. 

Ik voelde het de voorbije dagen weer, zoals elk jaar rond deze periode. De angst, de onrust. Het besef van de kwetsbaarheid, de vergankelijkheid, de eindigheid van de levens van wie ik liefheb. Ik zat met mijn dochter op schoot, kuste haar wang, wiegde haar en streelde haar haren. Zag mijn zoontje voorbij draven, druk in de weer met lepeltjes en bordjes in zijn imaginaire wereldje. En ik bedacht dat het nu niet zo lang meer zal duren voor ik hen over jou kan vertellen. En dat ze misschien later ook zo kunnen wervelen en inspireren, dromen én doen. Net als jij. 

In het Oude Badhuis (deel 2)

Het Oude Badhuis in de Veldstraat. Ik ga er nu enkele weken zwemmen. Jaren geleden ging ik er ook een paar keer zwemmen en bedacht toen een verhaal voor ons toenmalige project ‘De Bibliotheek van Babel’. Dat bestaat niet meer, maar het verhaal wel nog en het is, al zeg ik het zelf, één van mijn betere. Lees het hier.

Nu, zo’n 8 jaar later, ga ik dus weer wekelijks zwemmen en tijdens het zwemmen gisteren bedacht ik hoeveel ik na enkele zwembeurten al heb bijgeleerd. En ik wil het jullie niet onthouden. Het is namelijk zo, dat je als nieuwkomer in de wereld van de amateurzwemmers nogal snel opvalt. Of ik had in ieder geval dat gevoel, maar dat kan ook aan mij liggen.

Ik ontdekte dit alvast:

Zwemmers maken geen oogcontact: niet bij het binnenkomen, niet in het zwembad en zeker niet bij het douchen. Waarom dat zo is, geen idee. Maar ik moet toegeven dat het onder de douche toch een paar keer erg ongemakkelijk was die eerste keren, aangezien de meeste mannelijke zwemmers die naast me stonden, zich blijkbaar erg uitgebreid en óveral wilden wassen bij het douchen. Wegkijken is dan ook een kunst die ik intussen (gelukkig) helemaal onder de knie heb.

De kleedhokjes in het Oude Badhuis kunnen op slot en fungeren dus ook als lockers. Handig. Minder handig is het als je een kleedhokje kiest met een losse sleutel zonder bandje. En pas beseft dat je die sleutel nergens kwijt kan als je in het zwembad wil springen. En dan teruggaat naar je kleedhokje om te beseffen dat je het nummer niet kent. Want dat staat op het bandje, dat er dus niet is. Waardoor je – terwijl mensen zich aan het omkleden zijn – met die sleutel een 10-tal deuren moet uitproberen, intussen verontschuldigingen mompelend, alvorens je eigen hokje terug te vinden. En je daarna nog al je spullen moet verhuizen naar een vrij hokje mét bandje dat zich dan blijkbaar helemaal op het einde van de gang bevindt. Op zich best handig dat niemand je echt aankijkt tijdens dat proces.

Zet je duikbril nooit af aan de diepe kant van het bad. Die daarna terug opzetten vereist 2 handen, en het is onmogelijk om op dat smalle boordje te blijven staan als je geen handen vrij hebt om je vast te houden. Waardoor je dus na een derde keer in het water te belanden, met duikbril vol water aan je baantje terug moet beginnen alsof dat de bedoeling was.

Als je op een regenachtige avond gaat zwemmen in coronatijden kan het gebeuren dat je opeens helemaal alleen in het zwembad bent. Dat is een nogal bevreemdende ervaring. Of dat was het toch voor mij. Lichte euforie veranderde al snel in een zeer ongemakkelijk gevoel onder de blik van de ongetwijfeld al vreselijk verveelde badmeester, die nu enkel nog mij en mijn onnozele schoolslag had om naar te kijken. En toen ik merkte dat elk hoestje, elke plons en elk verslikgeluid door mij en enkel door mij geproduceerd werd en ook nog eens serieus galmde. (Het enige pluspunt voor de arme man was dat de kans op verdrinking bij mij iets groter was dan bij de indrukwekkende vlinderslagzwemmer die net het bad had verlaten). Ik voelde me dus eerst opgelucht toen de badmeester plots ook verdween. Om daarna (vanaf de diepe kant) toch net iets sneller terug te zwemmen met de plotse gedachte dat het zwembad zou sluiten en ze mij vergeten waren. Maar het zwembad sluit dus écht nog niet en ineens is daar een volgende shift en zwem je weer gezellig tussen andere intimiderende crawlzwemmers die geen oogcontact maken en dus je intens dankbare blik moeten missen.

Het strompelen richting douche na een uur intensief zwemmen, betekent niet dat je jezelf kapot gezwommen hebt. Het is iets met de zwaartekracht. Het is dan ook een kunst om zonder op je gezicht te gaan de douche te bereiken. Als je bij het uittrekken van je duikbril een zoete pijn voelt en de afdruk er na een uur nog steeds instaat, spande je duikbril wellicht íets te hard.

Wat ik ondertussen nog NIET heb ontdekt: Hoe haal je de persoon in die net iets te traag voor je zwemt? Ik heb geprobeerd: er als een onnozelaar rond beginnen zwemmen of halverwege het baantje rechtsomkeer maken zodat je plots voor die persoon zwemt. Geen van deze opties werd in dank afgenomen (hoewel dat moeilijk in te schatten is zonder oogcontact natuurlijk). Ik heb overwogen: eens diep ademhalen en er onderdoor zwemmen, maar de schrik om iets te vroeg terug boven water te komen heeft me gered van dit dwaze plan. Wie oh wie heeft het antwoord? Laat het me weten!

wascotenen

Hier keek ik al de hele week naar uit. Donderdagochtend had ik een uurtje. Dit park, met die sneeuw en dat licht! Ik moest het zien. 

Ik vergat natuurlijk weer 2 paar sokken te dragen dus na een poosje voelden mijn tenen als 10 wascostompjes (zo van die goedkope) die per ongeluk in mijn schoenen waren terecht gekomen. Het was -8°C en nog vroeg, dus ik kwam slechts enkele andere wandelaars tegen. Van die echte. Met Russische bontmuts en stevige stapschoenen, wellicht ook thermisch ondergoed en ongetwijfeld 2 paar sokken. Ze knikten me vriendelijk maar ook een beetje streng toe terwijl ze me haastig voorbij wandelden. Dat treuzelen van mij en wat foto’s maken met mijn gsm (niet eens een deftige camera) was misschien niet iets wat je op dit uur deed. Ik zag ook een man met hond en korte short. Hij droeg enkel een dikke trui en die short dus. Blote, harige benen daaronder. Zijn trui riep dat hij al 10 jaar straatvrijwilliger was en hij bekeek mijn lange broek, dikke sjaal, handschoenen en oorwarmers met zichtbare afkeuring. 

Maar ik zag vooral het warme licht van de zon, de stralen die zich overal tussen de takken wurmden. Een buizerd in een boom vlakbij die me rustig gade sloeg. Een eekhoorn die, ongemakkelijk om zich heen kijkend, over de sneeuw rende. Alsof hij doorhad hoe zichtbaar hij nu was en zich naakt voelde onder mijn curieuze blik. Ik zag de bevroren vijver nog nooit eerder zo stil en sereen. Het leven weggestopt, verborgen onder die laag ijs, berustend. Het ijs op de rug, uitgestrekt en weerloos, met de buik bloot. Overgeleverd aan het spel van de zon en de kou. Het had geen keus, werd gebruikt, weerspiegelde ongewild de oranje gloed van de plagende zon. Intussen wachtend op de dag dat de zon aan kracht zou toenemen en het gewoon, zomaar ineens zou oplossen. Zonder meer.

Ik stapte wat sneller door, het uur bijna voorbij, mijn afspraak wachtte. De wasco’s werden weer tintelende tenen maar ik had het gezien. Ik had het allemaal gezien.

vijf

Ze is 5 geworden vandaag.

Oh wat weet ik het nog goed. Hoe ze, een paar minuten oud, tussen mijn borsten lag in dat bad. Nat, glibberig, ze huilde even, zocht mijn tepel. En meteen werd concreet wat ik me de voorbije 9 maanden niet had kunnen inbeelden, hoe hard ik ook geprobeerd had. Ze was er echt. Van vlees en bloed. Een minimensje.

Enkele uren later gebeurde nog iets waar ik afgelopen 9 maanden niet op had durven hopen. De kinderarts liet haar nogal ruw schrikken om één of andere reflex te testen en de mamabeer werd wakker. Daar lag een minimensje. ík was haar mama.

Ik vond haar zo puur. Zo echt. Ze was niets anders dan wat we zagen die eerste maanden. Ze was pijn, ze was honger, ze was moe, ze was slaap. Niets aan haar was fout. Niets was pretentie. Niets namaak. Niets was proberen of manipuleren of te hard je best doen. Er was geen maar, geen of, geen dus.

Ze was pure onschuld. Dat lijfje en die plooitjes, dat huilen en kirren. Er bestond geen schuld. Niets, maar dan ook niets ter wereld was haar schuld. Nog nooit had ik dat gezien. En pure weerloosheid. Ik kon die gedachte soms bijna niet verdragen.

Ze groeide op en wat we zagen was fantastisch en soms slikken. En regelmatig de handen in de steeds grijzer wordende haren. Maar ook een wonder, elke dag weer. Ze is nog steeds mini maar vooral zoveel mens. Ik ken niemand die zo goed weet wat ze wil en die zo moeilijk op andere gedachten te brengen is. Ik ken niemand die zo intens voelt en beleeft. Alles voor de volle 100%. Ze kan spuwen als een draak en spinnen als een kat. Ze doet niets wat ze niet wil, om te paaien, uit schrik of uit verwachting. Ze heeft de weerloosheid van zich afgeschud, zo snel als ze kon. Vond het zelf ook moeilijk om te verdragen denk ik soms.

Soms wou ik dat ze anders was. En daarna vind ik dat verschrikkelijk. Soms willen we haar kneden. Maar ze laat zich niet kneden. Ze hoeft niet gekneed te worden. Ze is niet van ons. Ze is zichzelf. En ze is het mooiste wat ik ooit heb gezien.

bil van mij

Dat wat ze tijdens de eerste lockdown in het voorjaar nog niet helemaal onder de knie hadden, kunnen ze nu wel: samen spelen. De timing is perfect. Zij blij dat ze ongestoord kan commanderen, hij nog volgzaam, opkijkend naar die zus van hem, onder de indruk van die explosie van energie en taal.

Ze wervelen door ons huis, zij de leider, hij in haar kielzog. Wat ze zegt, zegt hij na, hij bestudeert nauwkeurig haar mond, hoe ze haar armen houdt, hoe ze stapt en imiteert dat zo goed en kwaad als hij kan. Zij helemaal in haar element. Ze beveelt, betuttelt en bemoedert. Hij ondergaat dat gewillig. Haar fantasie tomeloos, ongelooflijk wat ze allemaal meemaken in ons kleine huisje: ze worden aangevallen door zeerovers, haaien, opgeslokt door de stofzuiger, moeten op zoek naar de afdruk van de papa van een herfstblaadje, zij heeft allerlei krachten en kan die indien nodig met de juiste rituelen overdragen en weer afnemen van haar broer, ze betoveren ons, bevriezen ons, bevrijden ons, vallen aan met stokken en wc-papier. Ze zijn twee verdwaalde, uitgehongerde poesjes die miaauwend door het huis kruipen. Hij is een pasgeboren baby en het water is vergiftigd en als hij ervan drinkt zal hij doodgaan. “En als je doodgaat dan word je na een lange tijd aarde, en je wilt toch geen aarde worden hé?” dreigt ze. Ze is voortdurend aan het woord en hij knikt enthousiast terwijl hij achter haar aan draaft. Ze legt hem moeilijke concepten uit op zo’n duidelijke en eenvoudige manier dat ik soms denk dat hij het écht een beetje snapt. Ze leeft op het muurtje in de badkamer. Ze heeft een 5-tal zakjes verspreid in het huis. Zakjes vol geheimen. We mogen ze niet openen en proberen die wens te respecteren. Alleen als we een bankkaart of belangrijke sleutel missen, weten we dat we haar woede zullen moeten trotseren omdat het verloren attribuut zich ongetwijfeld in één van de die zakjes bevindt. Ook als er uit een bepaalde hoek van het huis een onbestemde stank opstijgt, weten we dat het tijd wordt om zo’n zak te lokaliseren en met de nodige bescherming onschadelijk te maken.

Ik hoor haar midden in hun spel: “en toen pikte jij mij”. “Neenee, niet piTSen, piKKen, weet je wat dat is pikken? Dat is als jij mij meepakt naar jouw huis terwijl ik eigenlijk niet van jou ben.” “Neeee Tobe, niet pitsen!! PiKKen!!”

Het lukt me (eindelijk!) best goed om mij op de achtergrond te houden. Niet simpel aangezien we ondertussen al bijna 10 dagen in quarantaine en dus in dezelfde leefruimte zitten en dat zonder tuin. Maar ik plooi wat was, leeg de vaatwasmachine, lees wat, drink koffie en doe alsof ik niets hoor. Ook niet de ruzie of het gehuil van de jongste. Hen gewoon laten doen en als er echt iets is, komen ze wel naar mij toe. Ik heb dat altijd moeilijk gevonden maar deze dagen gaat het verbazend goed. Ik hoor hen regelmatig zelf ruzies oplossen, gehuil dat stopt zonder dat er moet getroost of berispt worden. En ik slurp nog eens tevreden van mijn koffie.

Deze ochtend in de badkamer, ik hoor gestamp, geschreeuw, het zoontje begint luidkeels te roepen en te huilen. Even stilte. Dan komt hij aangerend: “Mamaaaaaaaaaaaa, Mira hele tijd stampen!” Als ik even poolshoogte ga nemen, verklaart de dochter: “Tobe probeerde mijn vel te scheuren!” Ze kijkt me vol verwachting aan. Blijkbaar wil ze meer verontwaardiging, dus ze gaat verder: “Hij probeerde echt mijn vel van mij af te scheuren mama.” Nog steeds niets. “Hij probeerde mijn lijf te scheuren! Hij wou mij kapot maken!” Ik probeer mijn glimlach te verbergen. Ze denkt na. Wat moet een kind hier nog verzinnen voor wat medeleven van haar moeder? “En toen zei hij: ik Mira stikken!” Ze gebruikt een gemeen heksenstemmetje als ze zijn stem imiteert en ik barst in lachen uit. “HIJ WOU MIJ LATEN STIKKEN, MAMA!!”

Zij reageert poeslief als ik vraag of ze nog een boterham wil: “Het is heel lief dat je dat vraagt mama, maar eigenlijk hoef ik er geen. Toch bedankt.” West-Vlaamse beleefdheid van de bovenste plank. Maar even later woest omdat ik een kruimelspoor (dat ze daar wel had gelegd zodat haar wolfje niet zou verdwalen hé!) heb op gestofzuigd. “Jij bent een domme pen! Jij bent een bil van mij!” En ik ben blij dat het (voor een keer) de ergste dingen zijn die ze kan bedenken.

Als ik hen lange tijd hoor stommelen in de badkamer, het verdacht stil is en ik even later iemand zacht hoor huilen, ga ik toch even kijken. Hij komt me tegemoet. “Nee mama, ikke alsof wenen. Kijk hè: weeee-eeee-eeee.” Ik geef hem zachte kusjes in zijn nek. Toegeeflijk drukt hij zijn voorhoofd tegen het mijne. Hij kijkt me aan en zegt zachtjes: “En.nu.oewegg.ggaan.” En als ik niet direct in actie schiet: “Gga.oewegg!”

Daar waar zij rond die leeftijd haar wil duidelijk maakte door explosieve, eindeloze woede-uitbarstingen, pakt hij de zaken meestal wat verfijnder aan. Hij komt vrolijk aangedarteld, op de toppen van zijn tenen, zijn gezicht vlak voor het mijne, houdt zijn hoofdje scheef gelijk een kokette diva en spreekt me aan met zijn hoge stemmetje: “fumptje kijken, affefieeeet?” Hij is zo een vrolijk jongetje, nooit lang boos, kan heerlijk schateren en heeft veel fantasie. Hij is altijd als eerste wakker en als zij dan eindelijk beneden is, komt hij enthousiast aangerend: “Miiiiraaaaa!” Zij woelt dan eens teder door zijn haar en glimlacht naar mij. Die blik waarmee ze me dan aankijkt, die zou eigenlijk verboden moeten worden tot ze 18 jaar is. Minstens.

grotere kleren

De dochter wurmde zich vanmorgen in haar broek. De pijpen kwamen tot enkele centimeters boven haar enkels, haar t-shirt liet een stukje buik bloot en ik dacht aan wat ze enkele dagen geleden had gezegd. Ze had zelf een schatkaart gemaakt: een verfrommeld – want supersuperoud – zakdoekje met daarop een kronkellijntje dat in een kruis eindigde. Ze had de schatkaart onder een steen gelegd en die daarna met de nodige opwinding “ontdekt” en wij dus op zoek naar de schat. We volgden het plannetje en ze fantaseerde over wat er in de schat zou kunnen zitten. Ze hoopte op zo’n kist zoals piraten hebben, vol goud. Wat ze er dan mee zou kopen, vroeg ik. Dat was gemakkelijk: snoep en vlaggetjes en luchtballonnen. “Oh, en grotere kleren. Want ik ben een beetje groter geworden.” Autsj. Dat kind groeit zo traag en blijft zo fijn dat ze al jaren dezelfde kleren draagt. En haar moeder, die een hekel heeft aan shoppen, vindt dat vreed gemakkelijk. Maar vanmorgen keek ik dus naar haar en inderdaad, ze was zowaar echt een beetje groter geworden. De gekregen kleren die op zolder lagen, helaas nog veel te groot.

Ik voelde me toch wat schuldig nadat ze naar school was vertrokken. Ik keek het zoontje aan. Zou ik me eraan wagen? Hij zag het alvast helemaal zitten en zong “wij gaan naar winkel, wij gaan naar winkel” op de fiets. We waren vroeg en het was nog relatief rustig. Het zoontje kon zijn geluk niet op. Bij elk kledingstuk dat hij maar te pakken kreeg: “JA, KOPEN!”. En als ik nee zei, vloog het met een zwier over zijn schouder op de grond. Zijn schoenenobsessie werd ook lekker gevoed. “JAAA, SOENTJES!” riep hij en zette elk paar dat hij tegen kwam netjes op de grond in het midden van de winkel. Hij hoorde mijn protesten amper (danku vort mondmasker) dus ik probeerde tegelijk de gevallen kledingstukken op te hangen, de schoentjes terug te zetten, het zoontje zijn enthousiasme wat te temperen en te beslissen welke maat en welke kleur… Multitasken. Ik kan het niet. Ondertussen had het zoontje besloten dat deze winkel zich ook perfect leende tot polyvalente wegloop- en verstopruimte. Eigenlijk best handig dacht ik, terwijl ik iets gefocuster enkele broeken kon bekijken. Minder handig was het feit dat hij het truitje en de 2 paar kousenbroeken die hij per se “sellef” wou dragen (de enige 2 dingen waar ik wél zeker van was dat ik ze zou kopen) ergens in de winkel was kwijtgespeeld. Ik had het ondertussen echt gehad en wist dat ik snel moest gaan afronden voor mijn eigen mentale gezondheid. Ik koos wat broeken en een t-shirt, nam de moeite niet meer om de kousenbroeken & het truitje nog te gaan zoeken, en probeerde het zoontje richting kassa te dirigeren. De bak vol kousen (“JAAA, KOUSJES!”) moest er uiteraard ook nog aan geloven dus de verkoopster scande de kleren terwijl ik alle kousen terug in de bak legde.

Of ik al een ‘Member’ was? Dan kon ik meteen 10% korting krijgen. Mijn man wel, maar dat bleek niet genoeg, want hij had zijn eigen app en ik moest ook een app hebben. “Gewoon even deze QR-code scannen en een profieltje aanmaken, doet u maar rustig, ik help ondertussen even de andere klanten.” Dat wekte reeds enige argwaan. De QR-code bracht me naar de website waar bij het aanmaken van mijn “profieltje” mijn e-mailadres al in gebruik bleek en uiteraard wist ik niet meer welk wachtwoord ik gekozen had. Nieuw wachtwoord aanvragen dus. Ondertussen was mijn zoontje volledig los aan het gaan. Liep richting de roltrap, plukte sandaaltjes met glitters van het rek, legde die net niet op de roltrap, kwam met een pakje onderbroeken aangelopen en een geruit kleedje voor papa, kroop in een kast die daar duidelijk niet voor gemaakt was (maar die moedig standhield) en riep: “JAA, BOOTJE VAREN!”. Ik probeerde hem uit de kast te lokken, ondertussen nogmaals in te loggen en in de buurt van de kassa te blijven. Mijn mondmasker begon serieus tegen te steken en ik had het veel te warm. Ik was eindelijk ingelogd, dacht ik. Toonde mijn gsm aan de verkoopster. “Nu moet u nog even de app installeren mevrouw, doet u maar rustig, ik help ondertussen de andere klanten.” “Oh en houdt u uw zoontje in de gaten? Hij staat vlakbij de roltrap.” …

Af en toe blokkeert het een beetje in mijn hoofd. Dit was zo’n moment. Ik opende nog even op automatische piloot mijn “Play Store” maar merkte toen dat ik gewoon niet verder kon. Dat ik het vertikte om die verdomde app nog te installeren. Dat ik boos stond te doen op het zoontje, terwijl ik eigenlijk boos was op de verkoopster. Dat het toch ongelooflijk was hoeveel een mens moest doen om recht te hebben op die achterlijke korting. Dat ik die korting niet hoefde. Neen, dat ik die kleren zelfs niet hoefde! “Weet je wat? Het hoeft niet meer. Laat maar.” Ik liet de kleren liggen aan de kassa, nam het zoontje bij de arm en liep naar de roltrap. “HOEFT NIET MEER!” riep het zoontje nog vrolijk naar de verkoopster. En weg waren we. Buitengekomen trok ik mijn mondmasker naar beneden en hapte naar verse lucht. Ik dacht aan dit verloren uur, voelde de frustratie uit mijn lijf stromen en kickte een beetje op het feit dat ik mij eens een keer níet sociaal wenselijk had gedragen.

Het zoontje en ik gingen op een bankje zitten in de zon. We giechelden en aten gedroogde mango en kwamen thuis zonder kleren voor de dochter. Ze was ook maar een béétje groter geworden. Ze zou deze winter nog wel kunnen overbruggen met haar afgedragen, te korte kleren. In de lente zou ik nog wel eens een nieuwe poging ondernemen. Of nog beter: misschien pasten tegen dan de kleren op zolder wel!

ik droom familie

We vertrekken met veel goesting want toch een soort vlucht uit de bizarre wereld waarin we al veel te lang vertoeven. De auto volgeladen, uitgewuifd door onze buren, hapjes, spelletjes en boekjes binnen handbereik om de kindjes de hele rit zoet te houden, de man bromt mee met Cohen en ik juich inwendig.

Een kleine 7 uur later, licht euforisch dat het lastigste er bijna op zit, een korte plaspauze voor de dochter. Ikzelf hap naar frisse lucht want zo misselijk als iets. Weer de auto in, nog drie kwartier te gaan, we popelen! De auto start niet. “We hebben mogelijk een groot probleem”, zegt de man en dat zal een hele correcte analyse blijken. De man belt wegenhulp, ik onderdruk de opkomende paniek en installeer me met de kindjes vlakbij wat een ‘prachtig’ hoornaarsnest blijkt. Daarna – op mijn aandringen, prachtig of niet – een beetje verderop in een wei in de schaduw met zicht op het glooiende landschap van de Morvan. De paniek ebt weg. Een kleine 3 uur later arriveer ik met kinderen en een deel van onze bagage op de camping. Opgelucht en dankbaar omdat de broer ons alvast kwam halen. De man – die geen woord Frans spreekt – blijft achter bij de kapotte wagen. De broer zal diezelfde rit later op de avond nog eens herhalen. Hij zal de man vinden langs de kant van de weg, in een godvergeten dorp, zittend tussen de resterende bagage.

3 dagen later, een vervangwagen die blinkt tot in ‘t stad en we proberen te vergeten en te genieten. Niet zo moeilijk. Het buitenleven is begonnen: we stommelen ‘s morgens met koffie ons caravanneke uit als de zon nog te verdragen is en pas als de nacht donker genoeg is en de sterren ontelbaar, ploffen we neer in onze bedden. De broer, de schoonzus en de drie nichtjes worden ons dorp en de kinderen lijken minder van ons en meer van zichzelf. Zelfs de 2-jarigen trekken op eigen houtje naar de ballentrampoline en willen het niet geweten hebben dat we hen in de gaten houden. Ik geniet van al die lieve gezichtjes. Ze zijn overal en nergens, ik deel aaitjes en knuffels uit, luister naar verhalen, droog tranen en veeg snot weg. De schoonzus en ik naast elkaar, glimlachen om onze blije buitenkindjes en lezen meer dan we op een heel jaar deden. ‘s Avonds maken we een prachtige avondwandeling terwijl de zon ondergaat tussen de stille heuvels en het laatste waaraan we denken zijn mondmaskers en alcoholgel en het doet zoveel deugd.

En dan de hittegolf. We puffen de dagen door, werpen onze verhitte lijven in het zwembad en lezen nog wat meer. En zijn zo blij dat we hier zijn en niet in ‘t stad waar de hitte nu wel ondraaglijk zal zijn. We hebben schaduw, het zwembad en de kinderen lijken ons te sparen, misschien uit medelijden met onze rode, bezwete gezichten. En dan wandelen op het heetst van de dag. Later vertrokken dan gepland, de buggy’s al snel in wat struiken gedropt, de wandeling te avontuurlijk. De 2-jarigen worden op schouders, ruggen en armen meegezeuld tot we blij zijn dat we zo zweten omdat elk zuchtje wind wat verkoeling schenkt. ‘s Avonds laat, als het eindelijk wat afkoelt en de kinderen met zoute gezichtjes in slaap zijn gesukkeld, drinken we gin tonic en praten en plagen en huilen ook wel eens. De schoonzus ziet de schoonste vallende sterren maar wij zijn steeds te laat.

En ook nog wij in een eindeloos meer met zicht op verre, groene heuvels en ons afvragen wat we al die tijd in dat kleine zwembad op de camping hebben gedaan. De dagen kabbelen voorbij. En plots zijn de twee weken om. De wespen elke dag talrijker dus die laten we met plezier achter. En dan thuiskomen met de blinkende vervangwagen. Altijd weer blij worden van thuis komen. Hoe fijn het ook geweest is. De plantjes, de boekenkast, de badkamer en de koffiemachine. Zitten aan de keukentafel. De krakende trap en de zolderkamer. De kinderen die enthousiast alles herontdekken. Het zoontje verrast dat ons huis nog bestaat.

En nu. Eind augustus. Autoloos. Het stormt en regent en de herfst is er veel te vroeg. Ik droom de ondergaande zon, vallende sterren en warme avonden, de modderfabriek (-een héle middag!), zwarte knieën en kinderhandjes, ijsjes, en niet onderbroken worden bij het lezen. Ik droom de oudste nicht en haar brede lach en de gezellige babbeltjes. De 2-jarigen die het badje volplassen en dan heelder bekers inslikken. Het tweede nichtje en de dochter, twee handen op één buik soms. Complexe, vurige zieltjes. Voelen zo intens dat het soms te veel wordt. Licht ontvlambaar maar zo gevoelig. De schoonzus en haar humor, de broer en zijn weetjes. Het ongedwongen samen zijn. Ik droom familie. En de glooiende heuvels van de Morvan.