en wat doen we dan

Zo’n dag zonder kinderen.
En wat doen we dan?

Ik ben rond 4u opgestaan voor haar en dan om 6u voor hem en de dag is begonnen.
Ik rijd hen naar West-Vlaanderen en dan met lege auto terug naar huis.
Radio aan.
Er moeten geen rijstkoeken en drinkbussen aangereikt worden.
Stilte op de achterbank.
Geen gevallen knuffels opgeraapt.
(zo met één hand aan het stuur, onderuit gezakt, één hand achter me graaiend terwijl de dochter instructies geeft: ja, je bent er bijna, een beetje naar rechts nog, nee nog iets verder, … En dan gejuich als ik een stuk knuffel kan vastgrijpen)

Dat nu dus niet. Gewoon in alle rust naar de radio luisteren, een beetje meezingen en lachen met de mopjes van de presentator. Beetje praten tegen mezelf. En tegen de imaginaire interviewer die af en toe naast mij zit. 
Overdreven lachen naar de chauffeur in de auto naast me.

Thuiskomen in een leeg en stil huis. Opgeruimd ook. Hun laarzen naast elkaar, op een rijtje.
En de man even later daar met onze lunch.
Samen eten aan de keukentafel.
Bijna onwennig tegenover elkaar, alleen wij twee, met tijd om te praten zonder onderbreken. Teveel halve zinnen, gestarte verhalen die nooit zijn afgemaakt tussen ons in.
Te veel om in te halen dus we doen geen moeite. 

Ik een klopke dus zomaar even in de zetel gaan liggen in het midden van de dag. Zon op mijn gezicht. Vijf minuten wegdommelen terwijl de man zachtjes op zijn toetsenbord tokkelt. Wakker schrikken want plots een knie in mijn buik verwachten. Of snot tegen mijn wang.
Maar nog steeds dat leeg huis en die stilte. 

Samen op de fiets nu.
Gewoon schoenen en jassen aan en vertrekken. Alsof het niets is, zeggen we verbaasd. 

Rustig een museum doen. We hebben alle tijd.
Alles kunnen lezen, bestuderen, grappige weetjes delen, af en toe wat tegen elkaar aan leunen. Samen stil zijn. 

Ik fiets alleen terug naar huis. Er zijn zo absurd veel vogels opeens. De avond valt, de lucht kleurt donkerblauw en dit parallelle leven is er opeens. Op de fiets zonder een kind in het stoeltje.

We eten weer, zachte muziek en rode wijn erbij. Het huis nog steeds opgeruimd. Wij herontdekken aarzelend hoe dat ook weer werkt. Zinnen afmaken. Daar op reageren. Vragen stellen. Antwoorden. Luisteren naar dat antwoord. Zo van die dingen.

’s Ochtends stommel ik de trap af. Wakker geworden van koerende duiven op ons dak.
En hun laarzen daar gewoon naast elkaar, op een rijtje. 
Tijd om mijn koffie te proeven. Me mijn droom te herinneren. Te voelen dat de lente en waar komen toch al die vogels opeens vandaan.

En ik wil niet dat dit overgaat, ik wil dit leven altijd en ik kan niet wachten tot het weer verdwijnt.
De laarzen weer kris kras in de gang. 
En snot op mijn wang.
De interviewer knikt begripvol. Een uitroepteken in zijn boekje. 

wascotenen

Hier keek ik al de hele week naar uit. Donderdagochtend had ik een uurtje. Dit park, met die sneeuw en dat licht! Ik moest het zien. 

Ik vergat natuurlijk weer 2 paar sokken te dragen dus na een poosje voelden mijn tenen als 10 wascostompjes (zo van die goedkope) die per ongeluk in mijn schoenen waren terecht gekomen. Het was -8°C en nog vroeg, dus ik kwam slechts enkele andere wandelaars tegen. Van die echte. Met Russische bontmuts en stevige stapschoenen, wellicht ook thermisch ondergoed en ongetwijfeld 2 paar sokken. Ze knikten me vriendelijk maar ook een beetje streng toe terwijl ze me haastig voorbij wandelden. Dat treuzelen van mij en wat foto’s maken met mijn gsm (niet eens een deftige camera) was misschien niet iets wat je op dit uur deed. Ik zag ook een man met hond en korte short. Hij droeg enkel een dikke trui en die short dus. Blote, harige benen daaronder. Zijn trui riep dat hij al 10 jaar straatvrijwilliger was en hij bekeek mijn lange broek, dikke sjaal, handschoenen en oorwarmers met zichtbare afkeuring. 

Maar ik zag vooral het warme licht van de zon, de stralen die zich overal tussen de takken wurmden. Een buizerd in een boom vlakbij die me rustig gade sloeg. Een eekhoorn die, ongemakkelijk om zich heen kijkend, over de sneeuw rende. Alsof hij doorhad hoe zichtbaar hij nu was en zich naakt voelde onder mijn curieuze blik. Ik zag de bevroren vijver nog nooit eerder zo stil en sereen. Het leven weggestopt, verborgen onder die laag ijs, berustend. Het ijs op de rug, uitgestrekt en weerloos, met de buik bloot. Overgeleverd aan het spel van de zon en de kou. Het had geen keus, werd gebruikt, weerspiegelde ongewild de oranje gloed van de plagende zon. Intussen wachtend op de dag dat de zon aan kracht zou toenemen en het gewoon, zomaar ineens zou oplossen. Zonder meer.

Ik stapte wat sneller door, het uur bijna voorbij, mijn afspraak wachtte. De wasco’s werden weer tintelende tenen maar ik had het gezien. Ik had het allemaal gezien.

raceje

we gingen fietsen in het park
de sneeuw bleef niet liggen
dus we wilden proeven
en voelen bovenal

we keken naar boven
zagen witte pijltjes
vliegensvlug en niet te tellen
een zachte winterse aanval

frisse vlokjes tussen onze wimpers
in mijn neusgaten
eentje smolt (‘echt lekker!’)
op zijn uitgestoken tong

hij zei: ‘mama Tobe raceje doen?’
telde alvast af ‘1, 3, 5 start!’
hij zat op de fietsstoel vooraan
echt eerlijk was het niet
dus hij won

’t is niet eens poëzie

soms heb ik genoeg
zie ik het overal
wordt het alleen maar meer
volle teugen en armen vol
en dan wil ik morsen
troosten
uitdelen

‘t is heel gewoon:

de pompoen met look en rode ui in de oven
een beetje parmezaanse kaas erover
geraspt
en dat raspen zo’n woord is
dat helemaal klinkt zoals het doet
het licht hier binnen dat de zachte paarse blaadjes streelt
en dat strelen ook zo’n woord is
een beetje dille bij de rijst en zijn handpalm
haar vurige, groene ogen en tijdens het wandelen
de kool- of pimpelmeesjes, ik weet het nooit zeker
reigers, een witte zelfs, een roodborstje, een eekhoorn en moeten die nu niet winterslapen en is dat wel een werkwoord?
als ik geluk heb, en ik had al twee keer geluk, de ijsvogel
de geur die uit de winkel gewaaid komt
waar de deur altijd open
en nog wat restjes noten muziek het plein op
de lachrimpels vanachter hun mondmaskers in de klas
een stem die zich nestelt in de verre hoeken van het huis
lekker waspoeder van de fietser voor mij
die een trui waar ik mijn neus in wil
met een kap waar ik mijn hand onder wil, want altijd het warmste plekje
zachte, ronde woorden zoals bedeesd, blozend en duizelen

‘t is niet eens poëzie
en een beetje banaal
maar ‘t is schoon
dus ik heb het uitgedeeld

tweeduizendtwingtig

ik heb gedacht dat het perfect was op dat moment
en gevoeld dat het vluchtig en breekbaar
ik heb heel hard gelachen
ik heb luid geschreeuwd tegen hem, voor het eerst
daarna huilend gebeld naar haar, niet voor het eerst

ik heb gemist:
hen eens goed vast pakken en de kinderen tevreden in hun armen
de gezelligheid op een ander, de geuren in hun huizen,
de dekentjes en mijn voeten opgetrokken in haar zetel
vriendinnen, vertrouwd als zussen, te ver weg
een tafel vol lekkers en een heleboel mensen daarrond

ik heb hen zo veel gezien,
bewonderd:
dat starten en ontwaken
die explosie van groei, leven en licht terwijl alles rond hen stilviel

ik heb hen te veel gezien,
wanhopig:
om de strijd die zij altijd weer creëerde
en wij maar zwaaien met onze witte vlaggen
mijn hoofd tegen de muur, want zo ver over mijn grenzen
(zelfs een “dubbelefakjoe”, de ultieme belediging uit mijn kindertijd die ergens diep verborgen zat en ineens onbeheersbaar naar boven borrelde)

ik heb gezongen zachtjes naast hun warme lijfjes in bed
heel hard alleen in de auto terwijl tranen over mijn wangen

ik heb gevoeld
verslindende, verlammende angst en voor het eerst met iemand gepraat
geluk, in kleine beetjes en af en toe die heerlijke volle laag
verdriet en dat het nog rauw, om wat nooit meer zal en zo schoon was
tevredenheid om die beetjes geluk, dat lachen en dat groeien
schaamte om mijn ontevredenheid want zoveel meer geluk dan anderen

ik heb gevoeld
zijn ogen op mij gericht
vol bewondering, begrip, adoratie, liefde
en ook triest, ontgoocheld, verward, geërgerd
zijn handen, zijn adem, zijn huid

en ik heb boekjes gestapeld, kruimels samen geveegd, de stinkende schotelvod in de wasmachine
haartjes gekamd, nagels geknipt, vetvlekken van de keukenkast
ik heb kleren geplooid, handjes gewassen, mondmaskers op 60 °C
de slappe lach gehad
gedanst in onze keuken
in zijn achterwerk geknepen
herhaaldelijk

en ik zal dat ook doen
in tweeduizendeenentwintig

vijf

Ze is 5 geworden vandaag.

Oh wat weet ik het nog goed. Hoe ze, een paar minuten oud, tussen mijn borsten lag in dat bad. Nat, glibberig, ze huilde even, zocht mijn tepel. En meteen werd concreet wat ik me de voorbije 9 maanden niet had kunnen inbeelden, hoe hard ik ook geprobeerd had. Ze was er echt. Van vlees en bloed. Een minimensje.

Enkele uren later gebeurde nog iets waar ik afgelopen 9 maanden niet op had durven hopen. De kinderarts liet haar nogal ruw schrikken om één of andere reflex te testen en de mamabeer werd wakker. Daar lag een minimensje. ík was haar mama.

Ik vond haar zo puur. Zo echt. Ze was niets anders dan wat we zagen die eerste maanden. Ze was pijn, ze was honger, ze was moe, ze was slaap. Niets aan haar was fout. Niets was pretentie. Niets namaak. Niets was proberen of manipuleren of te hard je best doen. Er was geen maar, geen of, geen dus.

Ze was pure onschuld. Dat lijfje en die plooitjes, dat huilen en kirren. Er bestond geen schuld. Niets, maar dan ook niets ter wereld was haar schuld. Nog nooit had ik dat gezien. En pure weerloosheid. Ik kon die gedachte soms bijna niet verdragen.

Ze groeide op en wat we zagen was fantastisch en soms slikken. En regelmatig de handen in de steeds grijzer wordende haren. Maar ook een wonder, elke dag weer. Ze is nog steeds mini maar vooral zoveel mens. Ik ken niemand die zo goed weet wat ze wil en die zo moeilijk op andere gedachten te brengen is. Ik ken niemand die zo intens voelt en beleeft. Alles voor de volle 100%. Ze kan spuwen als een draak en spinnen als een kat. Ze doet niets wat ze niet wil, om te paaien, uit schrik of uit verwachting. Ze heeft de weerloosheid van zich afgeschud, zo snel als ze kon. Vond het zelf ook moeilijk om te verdragen denk ik soms.

Soms wou ik dat ze anders was. En daarna vind ik dat verschrikkelijk. Soms willen we haar kneden. Maar ze laat zich niet kneden. Ze hoeft niet gekneed te worden. Ze is niet van ons. Ze is zichzelf. En ze is het mooiste wat ik ooit heb gezien.

bil van mij

Dat wat ze tijdens de eerste lockdown in het voorjaar nog niet helemaal onder de knie hadden, kunnen ze nu wel: samen spelen. De timing is perfect. Zij blij dat ze ongestoord kan commanderen, hij nog volgzaam, opkijkend naar die zus van hem, onder de indruk van die explosie van energie en taal.

Ze wervelen door ons huis, zij de leider, hij in haar kielzog. Wat ze zegt, zegt hij na, hij bestudeert nauwkeurig haar mond, hoe ze haar armen houdt, hoe ze stapt en imiteert dat zo goed en kwaad als hij kan. Zij helemaal in haar element. Ze beveelt, betuttelt en bemoedert. Hij ondergaat dat gewillig. Haar fantasie tomeloos, ongelooflijk wat ze allemaal meemaken in ons kleine huisje: ze worden aangevallen door zeerovers, haaien, opgeslokt door de stofzuiger, moeten op zoek naar de afdruk van de papa van een herfstblaadje, zij heeft allerlei krachten en kan die indien nodig met de juiste rituelen overdragen en weer afnemen van haar broer, ze betoveren ons, bevriezen ons, bevrijden ons, vallen aan met stokken en wc-papier. Ze zijn twee verdwaalde, uitgehongerde poesjes die miaauwend door het huis kruipen. Hij is een pasgeboren baby en het water is vergiftigd en als hij ervan drinkt zal hij doodgaan. “En als je doodgaat dan word je na een lange tijd aarde, en je wilt toch geen aarde worden hé?” dreigt ze. Ze is voortdurend aan het woord en hij knikt enthousiast terwijl hij achter haar aan draaft. Ze legt hem moeilijke concepten uit op zo’n duidelijke en eenvoudige manier dat ik soms denk dat hij het écht een beetje snapt. Ze leeft op het muurtje in de badkamer. Ze heeft een 5-tal zakjes verspreid in het huis. Zakjes vol geheimen. We mogen ze niet openen en proberen die wens te respecteren. Alleen als we een bankkaart of belangrijke sleutel missen, weten we dat we haar woede zullen moeten trotseren omdat het verloren attribuut zich ongetwijfeld in één van de die zakjes bevindt. Ook als er uit een bepaalde hoek van het huis een onbestemde stank opstijgt, weten we dat het tijd wordt om zo’n zak te lokaliseren en met de nodige bescherming onschadelijk te maken.

Ik hoor haar midden in hun spel: “en toen pikte jij mij”. “Neenee, niet piTSen, piKKen, weet je wat dat is pikken? Dat is als jij mij meepakt naar jouw huis terwijl ik eigenlijk niet van jou ben.” “Neeee Tobe, niet pitsen!! PiKKen!!”

Het lukt me (eindelijk!) best goed om mij op de achtergrond te houden. Niet simpel aangezien we ondertussen al bijna 10 dagen in quarantaine en dus in dezelfde leefruimte zitten en dat zonder tuin. Maar ik plooi wat was, leeg de vaatwasmachine, lees wat, drink koffie en doe alsof ik niets hoor. Ook niet de ruzie of het gehuil van de jongste. Hen gewoon laten doen en als er echt iets is, komen ze wel naar mij toe. Ik heb dat altijd moeilijk gevonden maar deze dagen gaat het verbazend goed. Ik hoor hen regelmatig zelf ruzies oplossen, gehuil dat stopt zonder dat er moet getroost of berispt worden. En ik slurp nog eens tevreden van mijn koffie.

Deze ochtend in de badkamer, ik hoor gestamp, geschreeuw, het zoontje begint luidkeels te roepen en te huilen. Even stilte. Dan komt hij aangerend: “Mamaaaaaaaaaaaa, Mira hele tijd stampen!” Als ik even poolshoogte ga nemen, verklaart de dochter: “Tobe probeerde mijn vel te scheuren!” Ze kijkt me vol verwachting aan. Blijkbaar wil ze meer verontwaardiging, dus ze gaat verder: “Hij probeerde echt mijn vel van mij af te scheuren mama.” Nog steeds niets. “Hij probeerde mijn lijf te scheuren! Hij wou mij kapot maken!” Ik probeer mijn glimlach te verbergen. Ze denkt na. Wat moet een kind hier nog verzinnen voor wat medeleven van haar moeder? “En toen zei hij: ik Mira stikken!” Ze gebruikt een gemeen heksenstemmetje als ze zijn stem imiteert en ik barst in lachen uit. “HIJ WOU MIJ LATEN STIKKEN, MAMA!!”

Zij reageert poeslief als ik vraag of ze nog een boterham wil: “Het is heel lief dat je dat vraagt mama, maar eigenlijk hoef ik er geen. Toch bedankt.” West-Vlaamse beleefdheid van de bovenste plank. Maar even later woest omdat ik een kruimelspoor (dat ze daar wel had gelegd zodat haar wolfje niet zou verdwalen hé!) heb op gestofzuigd. “Jij bent een domme pen! Jij bent een bil van mij!” En ik ben blij dat het (voor een keer) de ergste dingen zijn die ze kan bedenken.

Als ik hen lange tijd hoor stommelen in de badkamer, het verdacht stil is en ik even later iemand zacht hoor huilen, ga ik toch even kijken. Hij komt me tegemoet. “Nee mama, ikke alsof wenen. Kijk hè: weeee-eeee-eeee.” Ik geef hem zachte kusjes in zijn nek. Toegeeflijk drukt hij zijn voorhoofd tegen het mijne. Hij kijkt me aan en zegt zachtjes: “En.nu.oewegg.ggaan.” En als ik niet direct in actie schiet: “Gga.oewegg!”

Daar waar zij rond die leeftijd haar wil duidelijk maakte door explosieve, eindeloze woede-uitbarstingen, pakt hij de zaken meestal wat verfijnder aan. Hij komt vrolijk aangedarteld, op de toppen van zijn tenen, zijn gezicht vlak voor het mijne, houdt zijn hoofdje scheef gelijk een kokette diva en spreekt me aan met zijn hoge stemmetje: “fumptje kijken, affefieeeet?” Hij is zo een vrolijk jongetje, nooit lang boos, kan heerlijk schateren en heeft veel fantasie. Hij is altijd als eerste wakker en als zij dan eindelijk beneden is, komt hij enthousiast aangerend: “Miiiiraaaaa!” Zij woelt dan eens teder door zijn haar en glimlacht naar mij. Die blik waarmee ze me dan aankijkt, die zou eigenlijk verboden moeten worden tot ze 18 jaar is. Minstens.

grotere kleren

De dochter wurmde zich vanmorgen in haar broek. De pijpen kwamen tot enkele centimeters boven haar enkels, haar t-shirt liet een stukje buik bloot en ik dacht aan wat ze enkele dagen geleden had gezegd. Ze had zelf een schatkaart gemaakt: een verfrommeld – want supersuperoud – zakdoekje met daarop een kronkellijntje dat in een kruis eindigde. Ze had de schatkaart onder een steen gelegd en die daarna met de nodige opwinding “ontdekt” en wij dus op zoek naar de schat. We volgden het plannetje en ze fantaseerde over wat er in de schat zou kunnen zitten. Ze hoopte op zo’n kist zoals piraten hebben, vol goud. Wat ze er dan mee zou kopen, vroeg ik. Dat was gemakkelijk: snoep en vlaggetjes en luchtballonnen. “Oh, en grotere kleren. Want ik ben een beetje groter geworden.” Autsj. Dat kind groeit zo traag en blijft zo fijn dat ze al jaren dezelfde kleren draagt. En haar moeder, die een hekel heeft aan shoppen, vindt dat vreed gemakkelijk. Maar vanmorgen keek ik dus naar haar en inderdaad, ze was zowaar echt een beetje groter geworden. De gekregen kleren die op zolder lagen, helaas nog veel te groot.

Ik voelde me toch wat schuldig nadat ze naar school was vertrokken. Ik keek het zoontje aan. Zou ik me eraan wagen? Hij zag het alvast helemaal zitten en zong “wij gaan naar winkel, wij gaan naar winkel” op de fiets. We waren vroeg en het was nog relatief rustig. Het zoontje kon zijn geluk niet op. Bij elk kledingstuk dat hij maar te pakken kreeg: “JA, KOPEN!”. En als ik nee zei, vloog het met een zwier over zijn schouder op de grond. Zijn schoenenobsessie werd ook lekker gevoed. “JAAA, SOENTJES!” riep hij en zette elk paar dat hij tegen kwam netjes op de grond in het midden van de winkel. Hij hoorde mijn protesten amper (danku vort mondmasker) dus ik probeerde tegelijk de gevallen kledingstukken op te hangen, de schoentjes terug te zetten, het zoontje zijn enthousiasme wat te temperen en te beslissen welke maat en welke kleur… Multitasken. Ik kan het niet. Ondertussen had het zoontje besloten dat deze winkel zich ook perfect leende tot polyvalente wegloop- en verstopruimte. Eigenlijk best handig dacht ik, terwijl ik iets gefocuster enkele broeken kon bekijken. Minder handig was het feit dat hij het truitje en de 2 paar kousenbroeken die hij per se “sellef” wou dragen (de enige 2 dingen waar ik wél zeker van was dat ik ze zou kopen) ergens in de winkel was kwijtgespeeld. Ik had het ondertussen echt gehad en wist dat ik snel moest gaan afronden voor mijn eigen mentale gezondheid. Ik koos wat broeken en een t-shirt, nam de moeite niet meer om de kousenbroeken & het truitje nog te gaan zoeken, en probeerde het zoontje richting kassa te dirigeren. De bak vol kousen (“JAAA, KOUSJES!”) moest er uiteraard ook nog aan geloven dus de verkoopster scande de kleren terwijl ik alle kousen terug in de bak legde.

Of ik al een ‘Member’ was? Dan kon ik meteen 10% korting krijgen. Mijn man wel, maar dat bleek niet genoeg, want hij had zijn eigen app en ik moest ook een app hebben. “Gewoon even deze QR-code scannen en een profieltje aanmaken, doet u maar rustig, ik help ondertussen even de andere klanten.” Dat wekte reeds enige argwaan. De QR-code bracht me naar de website waar bij het aanmaken van mijn “profieltje” mijn e-mailadres al in gebruik bleek en uiteraard wist ik niet meer welk wachtwoord ik gekozen had. Nieuw wachtwoord aanvragen dus. Ondertussen was mijn zoontje volledig los aan het gaan. Liep richting de roltrap, plukte sandaaltjes met glitters van het rek, legde die net niet op de roltrap, kwam met een pakje onderbroeken aangelopen en een geruit kleedje voor papa, kroop in een kast die daar duidelijk niet voor gemaakt was (maar die moedig standhield) en riep: “JAA, BOOTJE VAREN!”. Ik probeerde hem uit de kast te lokken, ondertussen nogmaals in te loggen en in de buurt van de kassa te blijven. Mijn mondmasker begon serieus tegen te steken en ik had het veel te warm. Ik was eindelijk ingelogd, dacht ik. Toonde mijn gsm aan de verkoopster. “Nu moet u nog even de app installeren mevrouw, doet u maar rustig, ik help ondertussen de andere klanten.” “Oh en houdt u uw zoontje in de gaten? Hij staat vlakbij de roltrap.” …

Af en toe blokkeert het een beetje in mijn hoofd. Dit was zo’n moment. Ik opende nog even op automatische piloot mijn “Play Store” maar merkte toen dat ik gewoon niet verder kon. Dat ik het vertikte om die verdomde app nog te installeren. Dat ik boos stond te doen op het zoontje, terwijl ik eigenlijk boos was op de verkoopster. Dat het toch ongelooflijk was hoeveel een mens moest doen om recht te hebben op die achterlijke korting. Dat ik die korting niet hoefde. Neen, dat ik die kleren zelfs niet hoefde! “Weet je wat? Het hoeft niet meer. Laat maar.” Ik liet de kleren liggen aan de kassa, nam het zoontje bij de arm en liep naar de roltrap. “HOEFT NIET MEER!” riep het zoontje nog vrolijk naar de verkoopster. En weg waren we. Buitengekomen trok ik mijn mondmasker naar beneden en hapte naar verse lucht. Ik dacht aan dit verloren uur, voelde de frustratie uit mijn lijf stromen en kickte een beetje op het feit dat ik mij eens een keer níet sociaal wenselijk had gedragen.

Het zoontje en ik gingen op een bankje zitten in de zon. We giechelden en aten gedroogde mango en kwamen thuis zonder kleren voor de dochter. Ze was ook maar een béétje groter geworden. Ze zou deze winter nog wel kunnen overbruggen met haar afgedragen, te korte kleren. In de lente zou ik nog wel eens een nieuwe poging ondernemen. Of nog beter: misschien pasten tegen dan de kleren op zolder wel!

voor alle kinderen uit Moria, nee, voor alle kinderen

als je maar kon horen:
het zingen van je moeder, spelende broertjes, een warme winterjas die wordt dichtgeritst,
het belletje in de tram, gelach en muziek, de stem van iemand die je mist

als je maar had:
een dak boven je hoofd, gevulde brooddoos, je beste vriend aan de schoolpoort,
een plek met verhalen, verbeelding en romantiek, iemand die je tranen hoort

als je maar kon ruiken:
pruttelende soep, zonnecrème, isobetadine op je bloedende knieën,
vers gewassen lakens, een geurende ovenschotel, nieuwe shampoo met vanille

als je maar kon voelen:
strelende handen, een kam door je haren, veiligheid, een zacht kussen,
stromend water, de deurklink van je huis, knuffelende ouders en jij ertussen

als je maar was:
geborgen, veilig, gezond, droog en warm, naar waarde geschat
als je maar kon komen, als je maar kon blijven, kom, blijf, wij kunnen dat

ik droom familie

We vertrekken met veel goesting want toch een soort vlucht uit de bizarre wereld waarin we al veel te lang vertoeven. De auto volgeladen, uitgewuifd door onze buren, hapjes, spelletjes en boekjes binnen handbereik om de kindjes de hele rit zoet te houden, de man bromt mee met Cohen en ik juich inwendig.

Een kleine 7 uur later, licht euforisch dat het lastigste er bijna op zit, een korte plaspauze voor de dochter. Ikzelf hap naar frisse lucht want zo misselijk als iets. Weer de auto in, nog drie kwartier te gaan, we popelen! De auto start niet. “We hebben mogelijk een groot probleem”, zegt de man en dat zal een hele correcte analyse blijken. De man belt wegenhulp, ik onderdruk de opkomende paniek en installeer me met de kindjes vlakbij wat een ‘prachtig’ hoornaarsnest blijkt. Daarna – op mijn aandringen, prachtig of niet – een beetje verderop in een wei in de schaduw met zicht op het glooiende landschap van de Morvan. De paniek ebt weg. Een kleine 3 uur later arriveer ik met kinderen en een deel van onze bagage op de camping. Opgelucht en dankbaar omdat de broer ons alvast kwam halen. De man – die geen woord Frans spreekt – blijft achter bij de kapotte wagen. De broer zal diezelfde rit later op de avond nog eens herhalen. Hij zal de man vinden langs de kant van de weg, in een godvergeten dorp, zittend tussen de resterende bagage.

3 dagen later, een vervangwagen die blinkt tot in ‘t stad en we proberen te vergeten en te genieten. Niet zo moeilijk. Het buitenleven is begonnen: we stommelen ‘s morgens met koffie ons caravanneke uit als de zon nog te verdragen is en pas als de nacht donker genoeg is en de sterren ontelbaar, ploffen we neer in onze bedden. De broer, de schoonzus en de drie nichtjes worden ons dorp en de kinderen lijken minder van ons en meer van zichzelf. Zelfs de 2-jarigen trekken op eigen houtje naar de ballentrampoline en willen het niet geweten hebben dat we hen in de gaten houden. Ik geniet van al die lieve gezichtjes. Ze zijn overal en nergens, ik deel aaitjes en knuffels uit, luister naar verhalen, droog tranen en veeg snot weg. De schoonzus en ik naast elkaar, glimlachen om onze blije buitenkindjes en lezen meer dan we op een heel jaar deden. ‘s Avonds maken we een prachtige avondwandeling terwijl de zon ondergaat tussen de stille heuvels en het laatste waaraan we denken zijn mondmaskers en alcoholgel en het doet zoveel deugd.

En dan de hittegolf. We puffen de dagen door, werpen onze verhitte lijven in het zwembad en lezen nog wat meer. En zijn zo blij dat we hier zijn en niet in ‘t stad waar de hitte nu wel ondraaglijk zal zijn. We hebben schaduw, het zwembad en de kinderen lijken ons te sparen, misschien uit medelijden met onze rode, bezwete gezichten. En dan wandelen op het heetst van de dag. Later vertrokken dan gepland, de buggy’s al snel in wat struiken gedropt, de wandeling te avontuurlijk. De 2-jarigen worden op schouders, ruggen en armen meegezeuld tot we blij zijn dat we zo zweten omdat elk zuchtje wind wat verkoeling schenkt. ‘s Avonds laat, als het eindelijk wat afkoelt en de kinderen met zoute gezichtjes in slaap zijn gesukkeld, drinken we gin tonic en praten en plagen en huilen ook wel eens. De schoonzus ziet de schoonste vallende sterren maar wij zijn steeds te laat.

En ook nog wij in een eindeloos meer met zicht op verre, groene heuvels en ons afvragen wat we al die tijd in dat kleine zwembad op de camping hebben gedaan. De dagen kabbelen voorbij. En plots zijn de twee weken om. De wespen elke dag talrijker dus die laten we met plezier achter. En dan thuiskomen met de blinkende vervangwagen. Altijd weer blij worden van thuis komen. Hoe fijn het ook geweest is. De plantjes, de boekenkast, de badkamer en de koffiemachine. Zitten aan de keukentafel. De krakende trap en de zolderkamer. De kinderen die enthousiast alles herontdekken. Het zoontje verrast dat ons huis nog bestaat.

En nu. Eind augustus. Autoloos. Het stormt en regent en de herfst is er veel te vroeg. Ik droom de ondergaande zon, vallende sterren en warme avonden, de modderfabriek (-een héle middag!), zwarte knieën en kinderhandjes, ijsjes, en niet onderbroken worden bij het lezen. Ik droom de oudste nicht en haar brede lach en de gezellige babbeltjes. De 2-jarigen die het badje volplassen en dan heelder bekers inslikken. Het tweede nichtje en de dochter, twee handen op één buik soms. Complexe, vurige zieltjes. Voelen zo intens dat het soms te veel wordt. Licht ontvlambaar maar zo gevoelig. De schoonzus en haar humor, de broer en zijn weetjes. Het ongedwongen samen zijn. Ik droom familie. En de glooiende heuvels van de Morvan.