oma

toen
met trotse glimlach en ogen die schitteren
aanschouwt ze haar spelende kroost
vanachter haar keukenraam

zachte handen en sterke armen
voor het troosten, dragen, wiegen en beschermen
zo vertrouwd, zo veilig
boenen het aanrecht schoon

ze draagt een keukenschort met bloemetjes
geurend naar ajuin en patatten
om verlegen gezichtjes in te verbergen
om tranen in op te vangen

gisteren
haar trotse glimlach duwt rimpels opzij
haar ogen versierd met kraaienpootjes
schitteren nog steeds vol liefde en ook wijsheid nu
genietend van haar drukke, bezige nageslacht

de keukenschort versleten
haar ruwe handen en bevende armen
wiegden ondertussen ook talloze kleinkinderen en achterkleinkinderen
nog steeds zo vertrouwd, veilig

nu
niet onsterfelijk maar eeuwig
want zie de trotse glimlach van haar kinderen
haar kleinkinderen die nu ook troosten, dragen, wiegen en beschermen
en zie de oogjes van de achterkleinkinderen
ze schitteren

P1000156

mirakel

je bent nu vier weken bij ons
wat was het rustig voor zij er was – wat hadden we veel tijd – wat waren we vrij
hebben we tegen elkaar gefluisterd
maar ook:
wat is ze mooi – wat ruikt ze heerlijk – wat houden wij van haar
we maken soms ruzie over wie jou mag vasthouden, bij wie in de draagdoek,
zelfs wie je mag verversen

we leren je kennen, elke dag een beetje meer
je neusje dat moedig wipt, voorzichtige nog niet bewuste lachjes
grote ogen gefascineerd door licht, kleur, onze haarlijn
je verslavende geur
grijpende vingertjes, wriemelende beentjes, een schattig o-mondje als je honger krijgt

ik heb gehuild:
ik wou slapen
wist niet wat je van me wou
ik weet het zo vaak niet
jij weet het zelf niet, denk ik dan

jij leert jezelf kennen, elke dag een beetje meer
en de wereld:
mama en papa, geur, geluid, pijn, honger, zoveel verschillende armen en stemmen
onbekend allemaal, zo nieuw
na 9 maanden in die rustige, vertrouwde, warme plek maakt het je bang, onrustig

maar geborgen in onze armen word je dan plots:
een heerlijk ontspannen meisje, in diepe slaap, met vage glimlach, zachte kreuntjes
één en al vertrouwen, deel van ons en wij deel van jou

de dag erna

de dag erna
ik op de fiets
voel kleine steekjes
alsof jij je zaadje hebt geplant
en dat nu
aan het kiemen is

dat is alles wat ik me erbij kan voorstellen
iets frisgroen
een scheutje

jij hebt gezegd hoe blij je bent
al tegen mijn buik gefluisterd
dat je ervan houdt

maar het is slechts een puntje nu
en al wat ik me erbij kan voorstellen
is dat frisgroen
dat scheutje
lente
en daarna zomer?

vals

toen god nog een jongen was
met groene ogen en driehonderd sproeten
dacht hij: wat is het mooi hier
want hij zag enkel een korenveld
een blauwe hemel en vogels
hij hield van vogels

toen god nog kon dansen
met de andere kinderen
en vals zong
sprong op één been
van 1, 2, 3 stap
zei hij: wat ben ik hier graag
en wat goed dat ik dit gemaakt heb
want de handen waren warm
de stemmen gelukkig

toen werd god een soldaat
die doden moest
een vrouw
die haar kinderen verloor
een kerkganger
die alleen haten kon
een pester
waardoor een ander
niet meer leven wilde
een man
die vrouwen wilde
het liefst wanneer ze huilden

en hij dacht:
wat is het hier slecht
het korenveld verdwenen
wat heb ik gemaakt
de vogels verstomd
en hij weende

wat verlegen

Ze heeft toen beslist dat
hij bestond
alleen wat verlegen was

Ze had hem veel gevraagd
of hij kon tonen
welke weg ze moest
welke man of vrouw haar helpen kon
welk dak haar droog kon houden
welke hand haar troosten
ze koos steeds de foute weg,
het lekkende dak, de hand die sloeg

Ze had hem veel gevraagd
gesmeekt dat haar zoon
zou zuchten
zijn lipjes zou openen
tot zij haar tepel zachtjes
in dat kommetje kon laten rusten
haar trieste tepels
vonden geen lipjes
en barstten uit

Ze had hem veel gevraagd
of de stilte haar vriend kon worden
niet haar plaaggeest:
die haar op haar schouder tikte
en als ze zich omdraaide
vol verwachting
nergens was
of ze hem kon omarmen
zoals ze soms probeerde
waarna hij haar meedogenloos
op de grond wierp

Ze had hem veel gevraagd
dat wist ze wel
te veel want
afgeschrikt zweeg hij

Ze heeft toen beslist dat
hij bestond
alleen wat verlegen was

Insjallah

Dat hij sterk is en dit wel zal kunnen. En als hij eenzaam is heeft hij toch foto’s om naar te kijken.

Bellen dat kan soms met veel vertraging en storing. Zijn bange moeder die hem sust, zussen die snikken wanneer zij mogen, een brommende vader dat het goed komt insjallah.

Bellen kan soms maanden niet, dan kan hij enkel in zijn kleine kamer het nieuws volgen en bidden dat ze nog leven insjallah. Maar dan heeft hij toch foto’s om naar te kijken.

Moeders armen voelt hij niet, vreemden raken hem al eens aan. Een hand tegen zijn wang die hij dan koestert en ruikt naar sumak. Hij droomt van zijn zussen dat ze gelukkig zijn insjallah en hij heeft foto’s om naar te kijken.

Dat hij sterk is en gretig. Hij pikt op en hij knippert, vinger in de lucht. Hij behaagt en charmeert, een brede glimlach en altijd juiste antwoorden. Hij zal het hier goed doen insjallah. En ’s avonds, in die andere wereld, heeft hij foto’s om naar te kijken.

Voor Shadi

pausa

de leegte in mijn armen
die jij vullen wil
met een beetje leven
daarrond je eeuwige toewijding
en een strikje

dat beetje leven
wat moet daarmee
als het strikje los is

wat moet het
als er zoveel geschreeuwd wordt
zoveel moet en kan
en niemand weet hoe precies
wij al zeker niet
wijzen zullen we niet

de leegte in mijn armen
die ik koester
als een hele rust op een notenbalk
met daarachter een punt
om het zo lang mogelijk te rekken
uit angst voor wat zal volgen
accelerando en crescendo

tot het voorbij zal zijn
ook het punt uitgewerkt
en jij de leegte dus zal vullen
met een beetje leven

tot het nooit meer stil en leeg zal zijn
een tornado door onze levens zal razen
op een dag alles verwoest zal achterlaten
en niet meer zal omkijken
dat beetje leven
naar mijn armen die terug leeg zullen zijn
je eeuwige toewijding
en het strikje

omdat het moet

wij zijn niet gelukkig
omdat het moet

het geschreeuw en de extase
dat het nu of nooit allemaal
zo speciaal anders onvergetelijk
moet zijn
en de pijn
hoort daar zelden bij

het verplicht geluk
achtervolgt ons nu
het klopt op onze ramen
rammelt aan onze klinken
en het roept
dat wij niet gelukkig zijn
en dat de pijn
zit
in het midden van de woonkamer

wij struikelen
doen onze gordijnen dicht
de deur op slot
en zitten rug aan rug
in het midden van de woonkamer
en we lachen en huilen
om het gebonk op de ramen
van het verplicht geluk

want wij zijn niet gelukkig
omdat het moet

een brief?

Het is iets nieuws, dat klein geluk. Behoorlijk aanhoudend, klein geluk en rust. Wat doet het deugd.

Zo kuste ik vanmorgen mijn ouders, stond in de bijna vrieskou wolkjes te blazen en zat even later op een heerlijk kalme trein, met Dostojevski op mijn schoot en onder andere Hay Colin in mijn oren. Wetende dat thuis in ons kleine, herfstige huisje mijn geliefde op mij zat te wachten.

Het was een mooi weekend. Eerst die ene vriend die al 10 jaar mijn vriend is, daar hebben we op geklonken. Die buitengewone gesprekken. Dat vertrouwen en dat verlangen om te vertellen en om te luisteren vanaf minuut één als hij uit de trein stapt. En we hebben verteld en geluisterd en het werd erg laat.

En een avond met die twee bijna-zussen en de slappe lach met tranen en pijnlijke buikspieren. Enkele weken geleden nog hadden we ook weer zo’n fantastisch liefdevol moment, op een trouwfeest buiten bij het water stonden we met 3 te dansen en te zingen op de muziek en ik kon huilen van ontroering. We zijn niet meer zo zorgeloos als we ooit geweest zijn. We hebben niet meer dat leven vol opties waarnaar we zo gretig konden kijken en waarvan we konden proeven en waarin we konden bladeren en terugbladeren. Maar we hebben samen gekeken en geproefd en gebladerd en niemand zal ons dat ooit afnemen. En we zullen nooit stoppen met houden van elkaar zoals wij dat doen.

Ik geniet van de liefde die ik op steeds meer plekken zie en vind. Ik val in herhaling denk ik, ik heb het hier al een paar keer gezegd: ik ben zo vaak ontroerd en er zijn zoveel mensen die zo’n mooie dingen zeggen en doen, met zoveel wijsheid en schoonheid. En weet je. Die ontroering en die liefde, mensen vragen dan, is dat dan niet god. Maar voor mij is het zoveel eenvoudiger en mooier om het gewoon te zien als: ontroering en liefde. En als je er god bijsleurt dan denk ik aan kerk en aan leiders en een boek en interpretaties en vooral veel frustraties. Dus neen dank je. Ik hou van de eenvoud en de schoonheid van: gewoon liefde, gewoon ontroering. En als god niet meer is dan dat, als god enkel dat is, en de kerk en het boek en de leiders en de frustraties achterwege mogen blijven, dan wil ik het wel eens god noemen ook.

Er zijn steeds meer mensen die vragen wanneer het aan ons is. Ik denk het ook steeds vaker, wanneer is het aan ons. Wanneer willen we, durven we. Maar de rust, dat klein geluk en die ontroering. Het leven zoals het nu is, daar hoeft geen verandering in te komen. Het is zo goed. En die verandering maakt alleen maar bang. En dat hoeft nu nog even niet.

jaren zonder god

Al enkele jaren nu
geloof ik niet meer dat
de wereld zo rond draait
de antwoorden zo eenvoudig zijn
het slechts op één manier juist is
liefde zo logisch is
en zoveel tegenstellingen zomaar samenhoren

Al enkele jaren nu
moet ik het doen met
een vierkante wereld
soms eenzaamheid en pijn
juist op zoveel manieren
veel vragen en weinig harmonie
omdat ik het enkel zo kan

Al enkele jaren nu
heb ik meer rust en soms meer onrust
begrijp ik het leven beter
soms slechter
heb ik heimwee en verdriet om wat niet meer is
omdat het te mooi was om waar te zijn
maar zie ik meer liefde dan vroeger
ontroert het leven me meer en het is nu gewoon
echter, oprechter
gewoon
zonder god